|
1 Hoor mij aan, hemel, dan zal ik spreken! Laat de aarde de woorden van mijn mond horen. |
1 Merkt op, gij hemelen, ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds. |
1 Leent het oor, hemelen, opdat ik spreke; en hore de aarde de reden mijns monds. |
1 Neigt uw oor, gij hemelen, dan wil ik spreken, en de aarde hore naar de woorden van mijn mond. |
1 Cieux! prêtez l'oreille, et je parlerai; Terre! écoute les paroles de ma bouche. |
2 Laat mijn leer neerdruppelen als de regen, laten mijn woorden stromen als de dauw, als een zachte regen op het groen, en als regendruppels op het gewas. |
2 Mijne leer druipe als de regen, en mijne rede vloeie als de dauw; als de regen op het gras, als de druppels op het kruid. |
2 Mijn lering strome als de regen, mijn rede vloeie als de dauw; als een stortbui op het jonge groen en als een regenvlaag op het kruid. |
2 Mijn leer druipe als regen, mijn rede druppele als dauw, als regenbuien op het jonge groen, en als regenstromen op het kruid; |
2 Que mes instructions se répandent comme la pluie, Que ma parole tombe comme la rosée, Comme des ondées sur la verdure, Comme des gouttes d'eau sur l'herbe! |
3 Want ik zal de Naam van de HEERE uitroepen; geef grootheid aan onze God! |
3 Want ik wil den naam des Heren prijzen; geeft onzen God alleen de eer. |
3 Want 's Heeren naam wil ik verkondigen; biedt hulde onzen God! |
3 Want ik zal de naam des Heren uitroepen; geeft grootheid onze God, |
3 Car je proclamerai le nom de l'Eternel. Rendez gloire à notre Dieu! |
4 Hij is de rots, Wiens werk volmaakt is, want al Zijn wegen zijn een en al recht. God is waarheid en geen onrecht; rechtvaardig en waarachtig is Hij. |
4 Hij is een steenrots, zijne werken zijn volkomen; want al wat Hij doet is recht; getrouw is God en geen kwaad aan Hem, rechtvaardig en onberispelijk is Hij. |
4 Des Rotssteens doen is onberispelijk, want al zijn wegen zijn volgens recht; een God van waarheid zonder bedrog, rechtvaardig en billijk is hij. |
4 De Rots, wiens werk volkomen is, omdat al zijn wegen recht zijn; een God van trouw, zonder onrecht, rechtvaardig en waarachtig is Hij. |
4 Il est le rocher; ses oeuvres sont parfaites, Car toutes ses voies sont justes; C'est un Dieu fidèle et sans iniquité, Il est juste et droit. |
5 Zij hebben verderfelijk tegen Hem gehandeld; het zijn Zijn kinderen niet. Een schandvlek! Het is een slinkse en verdorven generatie. |
5 Een verkeerd en ondeugend geslacht valt van Hem af: zij zijn schandvlekken en niet zijne kinderen. |
5 Trouwbreuk tegen hem hebben zijn zonen gepleegd, een verkeerd en arglistig geslacht. |
5 Verderfelijk hebben tegen Hem gehandeld, die zijn zonen niet zijn, maar een schandvlek, een verkeerd en vals geslacht. |
5 S'ils se sont corrompus, à lui n'est point la faute; La honte est à ses enfants, Race fausse et perverse. |
6 Doet u dit de HEERE aan, dwaas en onwijs volk? Is Hij niet uw Vader, Die u verworven heeft, Die u gemaakt heeft en u stand heeft doen houden? |
6 Dankt gij Zó den Heer, uwen God, gij dwaas en onverstandig volk? Is Hij niet uw Vader en uw Heer, is Hij het niet alleen, die u gemaakt en bereid heeft? |
6 Vergeldt gij zo den Heer, gij dwaas en onwijs volk? Is hij niet uw vader, die u het aanzijn gegeven, die u gemaakt en gestevigd heeft? |
6 Vergeldt gij op deze wijze de Here, gij dwaas en onwijs volk? Is Hij niet uw Vader, die u geschapen heeft, die u gemaakt heeft en toebereid? |
6 Est-ce l'Eternel que vous en rendrez responsable, Peuple insensé et dépourvu de sagesse? N'est-il pas ton père, ton créateur? N'est-ce pas lui qui t'a formé, et qui t'a affermi? |
7 Denk aan de dagen van vroeger tijd; let op de jaren van generatie op generatie. Vraag het uw vader, hij zal het u vertellen, vraag het uw oudsten, zij zullen het u zeggen. |
7 Gedenkt aan den vorigen tijd tot hiertoe, bedenk wat Hij gedaan heeft aan de voorvaderen; vraag uwen vader, die zal het u verkondigen, uwen oudsten, die zullen het u zeggen. |
7 Gedenk aan de dagen van ouds, let op de jaren van geslachten herwaarts; vraagt het uw vader, dat hij het u verhale, uw grijzen, dat zij het u zeggen. |
7 Gedenk aan de dagen van weleer let op de jaren van geslacht na geslacht; vraag uw vader, dat hij het u meedele, uw oudsten, dat zij het u zeggen. |
7 Rappelle à ton souvenir les anciens jours, Passe en revue les années, génération par génération, Interroge ton père, et il te l'apprendra, Tes vieillards, et ils te le diront. |
8 Toen de Allerhoogste aan de volken het erfelijk bezit uitdeelde, toen Hij Adams kinderen van elkaar scheidde, heeft Hij het grondgebied van de volken vastgesteld overeenkomstig het aantal Israëlieten. |
8 Toen de Allerhoogste de volken verdeelde, en verstrooide de kinderen der mensen, toen stelde Hij de grenspalen der volken naar het getal der kinderen Israëls. |
8 Toen de Allerhoogste aan de natien een erfdeel toewees, toen hij de mensenkinderen vaneenscheidde, stelde hij de grenzen der volkeren vast naar het getal der zonen Gods. |
8 Toen de Allerhoogste aan de volken hun erfenis toedeelde, toen Hij de mensenkinderen van elkander scheidde, heeft Hij de grenzen der volken vastgesteld naar het aantal der zonen van Israel. |
8 Quand le Très-Haut donna un héritage aux nations, Quand il sépara les enfants des hommes, Il fixa les limites des peuples D'après le nombre des enfants d'Israël, |
9 Want het deel van de HEERE is Zijn volk, Jakob is het gebied dat Zijn eigendom is. |
9 Want des Heren deel is zijn volk, Jakob is het snoer zijner erfenis. |
9 Maar 's Heeren deel is zijn volk Jakob het hem toegevallen erve. |
9 Want des Heren deel is zijn volk, Jakob het Hem toegemeten erfdeel. |
9 Car la portion de l'Eternel, c'est son peuple, Jacob est la part de son héritage. |
10 Hij vond hem in een woestijngebied, in een woeste, huilende wildernis. Hij omringde hem, Hij onderwees hem, Hij beschermde hem als Zijn oogappel. |
10 Hij vond hem in de woestijn, in de dorre wildernis vol gehuil; Hij omving hem, en sloeg acht op hem. Hij bewaarde hem als zijn oogappel. |
10 Hij vond hem in een woestijnland, in de eenzaamheid, bij het gehuil der wildernis; hij omringde hem, hij sloeg hem gade, behoedde hem als zijn oogappel; |
10 Hij vond hem in een land van steppen, in een woest land van gehuil in de wildernis. Hij beschutte hem, lette op hem, bewaarde hem als zijn oogappel. |
10 Il l'a trouvé dans une contrée déserte, Dans une solitude aux effroyables hurlements; Il l'a entouré, il en a pris soin, Il l'a gardé comme la prunelle de son oeil, |
11 Zoals een arend zijn nest opwekt, boven zijn jongen zweeft, zijn vleugels uitspreidt, ze pakt en ze draagt op zijn vlerken, |
11 Gelijk een arend zijn jongen uitvoert en over hen zweeft, zijne vlerken uitbreidt en ze neemt, en ze draagt op zijne vleugels: |
11 evenals een arend die zijn nest opwekt en over zijn jongen zweeft, breidde hij zijn vleugelen uit, nam hem op, droeg hem op zijn wieken. |
11 Als een arend, die zijn broedsel opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn wieken uitspreidt, er een opneemt en draagt op zijn vlerken, |
11 Pareil à l'aigle qui éveille sa couvée, Voltige sur ses petits, Déploie ses ailes, les prend, Les porte sur ses plumes. |
12 zo heeft alleen de HEERE hem geleid, er was geen vreemde god bij hem. |
12 zo heeft de Heer alleen hem geleid, en er was geen vreemd god met hem. |
12 De Heer alleen geleidde hem, geen vreemde god stond hem ter zijde. |
12 Zo heeft hem de Here alleen geleid, en geen vreemde god stond hem terzijde. |
12 L'Eternel seul a conduit son peuple, Et il n'y avait avec lui aucun dieu étranger. |
13 Hij liet hem rijden op de hoogten van de aarde, en hij at de opbrengsten van het veld. Hij liet hem honing zuigen uit de rots, en olie uit hard gesteente; |
13 Hij liet hem trekken over de hoogten des lands, en voedde hem met de vruchten des velds, en liet hem honig zuigen uit de steenrotsen en olie uit de harde stenen; |
13 Hij deed hem rijden over de hoogten des lands en spijzigde hem met de vruchten des velds: hij deed hem honing zuigen uit de rots, en olie uit den keiharden rotssteen, |
13 Hij deed hem rijden over de hoogten der aarde, en eten de opbrengst van het veld; Hij deed hem honig zuigen uit de rots, en olie uit het keihard gesteente. |
13 Il l'a fait monter sur les hauteurs du pays, Et Israël a mangé les fruits des champs; Il lui a fait sucer le miel du rocher, L'huile qui sort du rocher le plus dur, |
14 boter van runderen, en melk van kleinvee, samen met het vet van lammeren, van rammen die in Basan weiden, en van bokken, samen met het allerbeste binnenste van de tarwekorrel, en druivenbloed, goede wijn, hebt u gedronken. |
14 boter van de koeien en melk van de schapen, ook het vet van de lammeren en rammen, die in Basan weiden, en bokken met vette nieren, en tarwe; en Hij drenkte hem met goed druivenbloed. |
14 room van runderen en melk van schapen en geiten, benevens het vetste van lammeren en rammen; Bazanstieren en bokken, benevens nierenvet van tarwe; en druivenbloed dronkt gij, schuimenden wijn. Doch Jakob at en werd verzadigd, |
14 Boter van runderen en melk van kleinvee, met vet van lammeren; en rammen van Basan en bokken, met het vetste der tarwe; en druivebloed dronkt gij, schuimende wijn. |
14 La crème des vaches et le lait des brebis, Avec la graisse des agneaux, Des béliers de Basan et des boucs, Avec la fleur du froment; Et tu as bu le sang du raisin, le vin. |
15 Maar toen Jesjurun vet werd, trapte hij achteruit – u bent vet, u bent dik, u bent vetgemest – toen verliet hij God, Die hem gemaakt heeft, hij versmaadde de Rots van zijn heil. |
15 Maar toen Jesurun vet werd, werd hij dartel. Hij is vet en dik en sterk geworden, en heeft God laten varen, die hem gemaakt heeft, en hij heeft gering geacht de steenrots zijns heils, |
15 Jesjurun werd vet en sloeg achteruit--ja, vet, dik, glanzig waart gij geworden--hij verzaakte den god die hem gemaakt had, en minachtte den Rotssteen zijn heils. |
15 Toen werd Jesurun vet, en sloeg achteruit, vet werd gij, dik en vet gemest, en hij verwierp God, die hem gemaakt had, hij minachtte de Rots van zijn heil. |
15 Israël est devenu gras, et il a regimbé; Tu es devenu gras, épais et replet! -Et il a abandonné Dieu, son créateur, Il a méprisé le rocher de son salut, |
16 Zij hebben Hem tot na-ijver gebracht met vreemde goden, met gruwelijke daden hebben zij Hem tot toorn verwekt. |
16 en heeft Hem tot naijver verwekt door vreemde goden; door gruwelen heeft hij Hem vertoornd. |
16 Zij maakten zijn ijverzucht gaande door vreemden, door afschuwelijkheden tergden zij hem: |
16 Zij verwekten Hem tot naijver door vreemde goden, met gruwelen krenkten zij Hem; |
16 Ils ont excité sa jalousie par des dieux étrangers, Ils l'ont irrité par des abominations; |
17 Zij hebben geofferd aan de demonen, niet aan God; aan goden die zij niet kenden, aan nieuwe goden, die kortgeleden gekomen zijn, voor wie uw vaderen niet gehuiverd hebben. |
17 Zij hebben aan veldduivelen geofferd, en niet aan hunnen God; aan goden, die zij niet kenden, nieuwe, die te voren niet geweest zijn, die ook uwe vaderen niet geëerd hebben. |
17 zij offerden aan de demonen, niet-goden, goden die zij vroeger niet kenden, nieuwelingen, die onlangs waren ingekomen, waarvoor uw vaderen niet gehuiverd hadden; |
17 Zij offerden aan de boze geesten, die geen goden zijn, aan goden, die zij niet hebben gekend, nieuwe goden, die kort tevoren opgekomen waren, voor welke uw vaderen niet gehuiverd hadden. |
17 Ils ont sacrifié à des idoles qui ne sont pas Dieu, A des dieux qu'ils ne connaissaient point, Nouveaux, venus depuis peu, Et que vos pères n'avaient pas craints. |
18 De Rots Die u verwekt heeft, hebt u veronachtzaamd, en u hebt de God Die u gebaard heeft, vergeten. |
18 Uwe steenrots, die u gebaard heeft, hebt gij versmaad, en hebt God vergeten, die u gemaakt heeft. |
18 den Rotssteen die u verwekt heeft verwaarloosdet gij, en gij vergat den god die u baarde. |
18 De Rots, die u verwekt heeft, hebt gij veronachtzaamd en vergeten de God, die u heeft voortgebracht. |
18 Tu as abandonné le rocher qui t'a fait naître, Et tu as oublié le Dieu qui t'a engendré. |
19 Toen de HEERE dat zag, verwierp Hij hen, uit toorn tegen Zijn zonen en Zijn dochters. |
19 En toen de Heer dat zag, werd Hij toornig over zijne zonen en dochters; |
19 De Heer, dit ziende, versmaadde hen, uit ergenis over zijn zonen en dochters, |
19 Toen de Here dat zag, heeft Hij hen verworpen, omdat Hij gekrenkt was door zijn zonen en dochteren; |
19 L'Eternel l'a vu, et il a été irrité, Indigné contre ses fils et ses filles. |
20 Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht voor hen verbergen; Ik zal zien wat hun einde is, want zij zijn een totaal verdorven generatie, kinderen in wie geen enkele trouw is. |
20 en Hij sprak: Ik wil mijn aangezicht voor hen verbergen, Ik zal zien wat hun ten laatste wedervaren zal; want het is een verkeerd geslacht, zij zijn trouweloze kinderen. |
20 en zeide: Ik wil mijn aangezicht voor hen verbergen, en zien hoedanig hun einde zal zijn; want zij zijn een geslacht vol slinksche streken, kinderen in wie geen trouw is. |
20 Hij zeide: Ik wil mijn aangezicht voor hen verbergen en zien, wat hun einde wezen zal, want zij zijn een verkeerd geslacht, kinderen, die geen trouw kennen. |
20 Il a dit: Je leur cacherai ma face, Je verrai quelle sera leur fin; Car c'est une race perverse, Ce sont des enfants infidèles. |
21 Zíj hebben Mij tot na-ijver gebracht met wat geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun nietige afgoden. Ík zal hen daarom jaloers maken door wat geen volk is, door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken. |
21 Zij hebben Mij tot naijver verwekt door hetgeen geen God is, met hunne afgoderij hebben zij Mij vertoornd; en Ik zal hen wederom tot naijver verwekken door hetgeen geen volk is, door een dwaas volk wil Ik hen vertoornen. |
21 Hebben zij mijn ijverzucht gaande gemaakt door een niet-god, mij getergd door hun nietigheden, zo zal ik hun ijverzucht gaande maken door een niet-volk, door een dwaze natie hen tergen. |
21 Zij verwekten Mij tot naijver door wat geen god is, zij krenkten Mij met hun ijdelheden. Daarom zal Ik hen tot naijver verwekken door wat geen natie is, door een dwaas volk zal Ik hen krenken. |
21 Ils ont excité ma jalousie par ce qui n'est point Dieu, Ils m'ont irrité par leurs vaines idoles; Et moi, j'exciterai leur jalousie par ce qui n'est point un peuple, Je les irriterai par une nation insensée. |
22 Want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, het zal branden tot onder in de hel, het zal het land met zijn opbrengst verteren en de fundamenten van de bergen in vlam zetten. |
22 Want het vuur is aangestoken in mijnen toorn, en het zal branden tot in het diepst der hel, en zal het land met zijn gewas verteren, en zal de grondvesten der bergen aansteken. |
22 Want een vuur is in mijn neus ontstoken, dat tot in het diepst van het schimmenrijk brandt, de aarde en haar gewas verteert, en de grondvesten der bergen in vlam zet. |
22 Want een vuur is in mijn toorn ontstoken, het brandt tot in de diepten van het dodenrijk; het verteert de aarde met wat zij opbrengt en verzengt de grondvesten der bergen. |
22 Car le feu de ma colère s'est allumé, Et il brûlera jusqu'au fond du séjour des morts; Il dévorera la terre et ses produits, Il embrasera les fondements des montagnes. |
23 Ik zal verschrikkelijke dingen over hen ophopen; al Mijn pijlen schiet Ik op hen af. |
23 Ik wil alle ongeluk over hen ophopen, Ik zal al mijne pijlen op hen verschieten. |
23 Ik zal hen met rampen overstelpen, mijn pijlen op hen afschieten: |
23 Ik zal rampen over hen ophopen, al mijn pijlen tegen hen afschieten. |
23 J'accumulerai sur eux les maux, J'épuiserai mes traits contre eux. |
24 Uitgeteerd door honger, verteerd door pest en bitter verderf zullen zij zijn; tanden van wilde dieren zal Ik op hen afsturen, met vurig vergif van slangen die in het stof kruipen. |
24 Van honger zullen zij versmachten, en door de koorts en een snellen dood verteerd worden; Ik zal de tanden der dieren en het vergift der slangen onder hen zenden. |
24 als zij uitgemergeld zijn van honger, verteerd door koortsgloed en dodelijk verderf, zal ik den tand van het wild gedierte op hen afzenden, benevens het venijn van die schuifelen in het stof. |
24 Als zij uitgeput zijn van honger en verteerd van koortsgloed en dodelijke ziekte, dan zal Ik de tanden der wilde dieren tegen hen loslaten, met het venijn van wat schuifelt in het stof. |
24 Ils seront desséchés par la faim, consumés par la fièvre Et par des maladies violentes; J'enverrai parmi eux la dent des bêtes féroces Et le venin des serpents. |
25 Buiten berooft het zwaard, en binnenskamers de verschrikking, zowel de jongen als het meisje, de zuigeling samen met de grijsaard. |
25 Van buiten zal het zwaard hen beroven, en van binnen de schrik; zo jongelingen als maagden, den zuigeling met den grijsaard. |
25 Buiten zal het zwaard wegrapen, en binnenskamers de doodschrik, zo jongeling als maagd, den zuigeling met den grijsaard. |
25 Buitenshuis zal het zwaard verdelgen, en binnenskamers de ontzetting: jongeling zowel als maagd, zuigeling en grijsaard. |
25 Au dehors, on périra par l'épée, Et au dedans, par d'effrayantes calamités: Il en sera du jeune homme comme de la jeune fille, De l'enfant à la mamelle comme du vieillard. |
26 Ik zei: Ik zal hen naar alle kanten verspreiden, Ik zal de gedachtenis aan hen onder de stervelingen doen ophouden, |
26 Ik zou zeggen: Ik zal hen verdelgen, en hunne gedachtenis onder de mensen uitroeien, |
26 Ik zou gezegd hebben: Ik zal hen wegblazen, aan hun gedachtenis onder de mensen een einde maken-- |
26 Ik zou gezegd hebben: Ik zal hen wegblazen, een einde maken aan hun gedachtenis onder de stervelingen, |
26 Je voudrais dire: Je les emporterai d'un souffle, Je ferai disparaître leur mémoire d'entre les hommes! |
27 ware het niet dat Ik beducht was voor de toorn van de vijand. Hun tegenstanders zouden het verdraaien en zeggen: Ónze hand is verheven, het is niet de HEERE Die dit alles gedaan heeft. |
27 zo Ik niet schroomde den toorn der vijanden, dat hunne vijanden niet stoutmoedig worden, en zeggen mochten: Onze macht is groot, en de Heer heeft dat alles niet gedaan. |
27 ware ik niet beducht voor ergenis over den vijand, dat hun tegenstanders het zouden misverstaan en zeggen: Onze hand was hoog opgeheven, en niet de Heer heeft dit alles gewrocht! |
27 Indien Ik de hoon van de vijand niet gevreesd had, dat hun tegenstanders het zouden misverstaan en zeggen: onze hand was verheven, niet de Here heeft dit alles gedaan. |
27 Mais je crains les insultes de l'ennemi, Je crains que leurs adversaires ne se méprennent, Et qu'ils ne disent: Notre main a été puissante, Et ce n'est pas l'Eternel qui a fait toutes ces choses. |
28 Want zij zijn een volk dat door raadgevingen verloren gaat, er is geen inzicht bij hen. |
28 Want het is een volk, waarin geen raad is, en er is geen verstand in hen. |
28 Want het is een natie die alle bezinning heeft verloren, en er is geen doorzicht bij hen; |
28 Want zij zijn een volk, dat elk begrip mist, en er is bij hen geen inzicht. |
28 C'est une nation qui a perdu le bon sens, Et il n'y a point en eux d'intelligence. |
29 Waren zij maar wijs, dan zouden zij dit opmerken. Zij zouden op hun einde letten. |
29 O dat zij wijs waren en het vernamen, dat zij verstonden, wat hen later ontmoeten zal! |
29 waren zij wijs, zij zouden dit begrijpen, en inzien, wat hun einde moet zijn. |
29 Indien zij wijs waren, zouden zij dit verstaan, zij zouden op hun einde letten. |
29 S'ils étaient sages, voici ce qu'ils comprendraient, Et ils penseraient à ce qui leur arrivera. |
30 Hoe zou één man er duizend kunnen achtervolgen, en twee mannen er tienduizend laten vluchten, tenzij hun Rots hen verkocht en de HEERE hen uitleverde? |
30 Hoe kan een éénige duizend van hen jagen, en twee tienduizend doen vluchten? Is het niet, omdat hunne steenrots hen verkocht heeft, en de Heer hen heeft overgegeven? |
30 Hoe zou een duizend vervolgen, en twee tienduizend op de vlucht jagen, ware het niet dat hun Rotssteen hen verkocht en de Heer hen overgeleverd had! |
30 Hoe zou een er duizend kunnen najagen en zouden twee er tienduizend op de vlucht kunnen drijven, als niet hun Rots hen verkocht en de Here hen prijsgegeven had. |
30 Comment un seul en poursuivrait-il mille, Et deux en mettraient-ils dix mille en fuite, Si leur Rocher ne les avait vendus, Si l'Eternel ne les avait livrés? |
31 Want hun rots is niet zoals onze Rots, zelfs onze vijanden kunnen hierover oordelen. |
31 Want onze steenrots is niet als hunne steenrots; daarom zijn onze vijanden onze rechters. |
31 Want niet als onze Rotssteen is hun rotssteen; laten onze vijanden zelf scheidsrechters zijn! |
31 Want hun rots is niet als onze Rots; onze vijanden mogen zelf oordelen. |
31 Car leur rocher n'est pas comme notre Rocher, Nos ennemis en sont juges. |
32 Want hun wijnstok is uit de wijnstok van Sodom en uit de velden van Gomorra; hun druiven zijn giftige druiven, bittere trossen hebben zij. |
32 Want hun wijnstok is van den wijnstok van Sodom en van den akker van Gomorra; hunne druiven zijn gal, zij hebben bittere bessen: |
32 Hun wijnstok toch stamt van Sodoms wijnstok en van Gomorra's beemden hun bezien zijn giftbezien, bittere trossen hebben zij; |
32 Waarlijk, hun wijnstok stamt uit de wijnstok van Sodom en uit de wijngaarden van Gomorra; hun druiven zijn giftige druiven, bitter zijn hun trossen. |
32 Mais leur vigne est du plant de Sodome Et du terroir de Gomorrhe; Leurs raisins sont des raisins empoisonnés, Leurs grappes sont amères; |
33 Hun wijn is slangenvergif, en een venijnig gif van adders. |
33 hun wijn is drakenvergift en gal van woedende adders. |
33 hun wijn is drakenvergif en bijtend adderenvenijn. |
33 Hun wijn is slangevenijn en wreed addervergif. |
33 Leur vin, c'est le venin des serpents, C'est le poison cruel des aspics. |
34 Is dat niet bij Mij opgeborgen, verzegeld in Mijn schatkamers? |
34 Is dat niet bij Mij weggelegd, verzegeld bij mijne schatten? |
34 Is dat niet bij mij opgeborgen, verzegeld in mijn schatkameren, |
34 Is het niet bij Mij weggeborgen, verzegeld in mijn schatkamers? |
34 Cela n'est-il pas caché près de moi, Scellé dans mes trésors? |
35 Aan Mij komt de wraak en de vergelding toe, op het tijdstip dat hun voet wankelt. Voorzeker, de dag van hun ondergang is dichtbij, en spoedig komen de dingen die hen te wachten staan. |
35 Mij is de wraak, Ik zal vergelden; te zijner tijd zal hun voet wankelen; want de tijd huns ongeluks is nabij, en wat hen ontmoeten zal snelt aan. |
35 voor den dag der wraak en vergelding, voor den tijd als hun voet wankelt? Immers, de dag van hun ondergang is nabij, en spoedig komt wat over hen beschikt is. |
35 Mij komt de wraak toe en de vergelding tegen de tijd, dat hun voet zal wankelen, want de dag van hun verderf is nabij, snel komt nader wat over hen is beschikt. |
35 A moi la vengeance et la rétribution, Quand leur pied chancellera! Car le jour de leur malheur est proche, Et ce qui les attend ne tardera pas. |
36 Want de HEERE zal Zijn volk recht verschaffen, Hij zal berouw hebben over Zijn dienaren. Want Hij zal zien dat hun kracht is vergaan, en dat het met de gebondene en de vrije gedaan is. |
36 Doch de Heer zal zijn volk richten, en over zijne knechten zal Hij zich ontfermen, als Hij zien zal, dat het met hunne macht gedaan is, en beide, het beslotene en verlatene, niet meer is. |
36 Want de Heer zal zijn volk recht verschaffen en zich zijner knechten erbarmen, wanneer hij ziet dat de kracht is verzwonden en het met den onmondige en den mondige gedaan is. |
36 Want de Here zal recht doen aan zijn volk en Zich ontfermen over zijn knechten; wanneer Hij ziet, dat hun kracht vergaan is, van hoog tot laag allen hun einde gevonden hebben, |
36 L'Eternel jugera son peuple; Mais il aura pitié de ses serviteurs, En voyant que leur force est épuisée, Et qu'il n'y a plus ni esclave ni homme libre. |
37 Dan zal Hij zeggen: Waar zijn nu hun goden, de rots tot wie zij de toevlucht namen, |
37 En men zal zeggen: Waar zijn hunne goden, de steenrots op welke zij vertrouwden, van welker offers zij het vet aten, |
37 Dan zal hij zeggen: Waar zijn hun goden? waar is de rotssteen tot wien zij hun toevlucht namen? |
37 Dan zal Hij zeggen: Waar zijn hun goden, (de rots, waarbij zij schuilden) |
37 Il dira: Où sont leurs dieux, Le rocher qui leur servait de refuge, |
38 van wie zij het vet van de offers aten, van wie zij de wijn van de plengoffers dronken? Laten zij opstaan en u helpen, laat daar een schuilplaats voor u zijn. |
38 en van welker drankoffers zij wijn dronken? Dat zij opstaan en u helpen en u beschutten! |
38 die het vet hunner slachtoffers aten, den wijn hunner plengoffers dronken. Laten zij opstaan en u helpen, laten zij u tot bescherming zijn! |
38 Die het vet van hun slachtoffers aten, de wijn van hun plengoffers dronken? Laat hen opstaan om u te redden, zodat gij bescherming vindt. |
38 Ces dieux qui mangeaient la graisse de leurs victimes, Qui buvaient le vin de leurs libations? Qu'ils se lèvent, qu'ils vous secourent, Qu'ils vous couvrent de leur protection! |
39 Zie nu in dat Ik, Ik Die ben, er is geen God naast Mij. Ík dood en Ik maak levend, Ik verwond en Ík genees en er is niemand die uit Mijn hand redt! |
39 Ziet nu, dat Ik alleen ben, en er geen God nevens Mij is: Ik kan doden en levend maken, Ik kan slaan en kan helen; en niemand redt uit mijne hand. |
39 Ziet nu dat ik het ben, ik, en er geen god is nevens mij: ik maak dood en maak levend, heb ik verbrijzeld, ik heel ook, en niemand redt uit mijn hand. |
39 Ziet nu, dat Ik, Ik het ben, daar is geen God, behalve Mij. Ik dood en doe herleven, Ik verbrijzel en Ik genees, en niemand is er die redt uit mijn macht. |
39 Sachez donc que c'est moi qui suis Dieu, Et qu'il n'y a point de dieu près de moi; Je fais vivre et je fais mourir, Je blesse et je guéris, Et personne ne délivre de ma main. |
40 Want Ik hef Mijn hand op naar de hemel en zeg: Zo waar Ik in eeuwigheid leef: |
40 Want Ik zal mijne hand ten hemel heffen en zeggen: Ik leef eeuwiglijk. |
40 Want ik steek mijn hand op ten hemel en zeg: Zo waar als ik eeuwig leef, |
40 Voorwaar, Ik hef mijn hand ten hemelen zeg: Zowaar Ik in eeuwigheid leef: |
40 Car je lève ma main vers le ciel, Et je dis: Je vis éternellement! |
41 Als Ik Mijn glinsterend zwaard wet, Mijn hand het grijpt voor het oordeel, zal Ik de wraak laten terugkomen op Mijn tegenstanders, en het hun die Mij haten, vergelden. |
41 Wanneer Ik den bliksem mijns zwaards wetten zal, en mijne hand het ter straffe zal grijpen, zal Ik Mij weder wreken aan mijne vijanden, en dengenen, die Mij haten, vergelden. |
41 wanneer ik mijn bliksemend zwaard heb gewet, en mijn hand naar het strafgericht grijpt, zal ik wraak nemen op mijn tegenstanders, en mijn haters doen boeten; |
41 Als Ik mijn bliksemend zwaard wet, en mijn hand grijpt naar het gericht, dan zal Ik wraak oefenen aan mijn tegenstanders, en vergelding brengen over wie Mij haten. |
41 Si j'aiguise l'éclair de mon épée Et si ma main saisit la justice, Je me vengerai de mes adversaires Et je punirai ceux qui me haïssent; |
42 Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed, en Mijn zwaard zal vlees eten van het bloed van de gesneuvelde en de gevangene, van het hoofd van de vijand met zijn loshangende haar. |
42 Ik zal mijne pijlen dronken maken van bloed, en mijn zwaard zal vlees eten: van het bloed der verslagenen en der gevangenen, en van het ontblote hoofd des vijands. |
42 mijn pijlen zal ik dronken maken van bloed, en mijn zwaard zal vlees vreten, van het bloed der verslagenen en gevangenen, van des vijands hoofd met loshangend haar. |
42 Ik zal mijn pijlen dronken maken van bloed, en mijn zwaard zal vlees verslinden: het bloed der verslagenen en der gevangenen, de harige hoofden der vijanden. |
42 Mon épée dévorera leur chair, Et j'enivrerai mes flèches de sang, Du sang des blessés et des captifs, De la tête des chefs de l'ennemi. |
43 Juich, heidenen, met Zijn volk! Want Hij zal het bloed van Zijn dienaren wreken. Hij zal de wraak laten terugkomen op Zijn tegenstanders, en Zijn land en Zijn volk verzoenen! |
43 Juicht allen, gij, die zijn volk zijt; want Hij zal het bloed zijner knechten wreken, en zal zich aan zijne vijanden wreken, en het land zijns volks genadig zijn. |
43 Natien, heft jubelzangen aan voor zijn volk; want het bloed zijner knechten zal hij wreken, wraak oefenen aan zijn tegenstanders, en den grond van zijn volk verzoenen. |
43 Jubelt, gij natien, om zijn volk, want Hij wreekt het bloed van zijn knechten, Hij oefent wraak aan zijn tegenstanders en verzoent zijn land, zijn volk. |
43 Nations, chantez les louanges de son peuple! Car l'Eternel venge le sang de ses serviteurs, Il se venge de ses adversaires, Et il fait l'expiation pour son pays, pour son peuple. |
44 En Mozes kwam en sprak al de woorden van dit lied ten aanhoren van het volk, hij en Hosea, de zoon van Nun. |
44 En Mozes kwam en sprak al de woorden van dit lied voor de oren des volks, hij en Jozua, de zoon van Nun. |
44 Zo kwam Mozes en sprak ten aanhoren des volks al de woorden van dit lied, hij en Jozua, de zoon van Nun. |
44 Mozes dan kwam en sprak ten aanhoren van het volk al de woorden van dit lied, samen met Hosea, de zoon van Nun. |
44 Moïse vint et prononça toutes les paroles de ce cantique en présence du peuple; Josué, fils de Nun, était avec lui. |
45 Toen Mozes geëindigd had al die woorden tot heel Israël te spreken, |
45 Toen nu Mozes dat alles uitgesproken had tot geheel Israël, |
45 Toen nu Mozes gereed was met het uitspreken van al deze woorden tot gans Israel, |
45 En nadat Mozes al deze woorden tot geheel Israel gesproken had, |
45 Lorsque Moïse eut achevé de prononcer toutes ces paroles devant tout Israël, |
46 zei hij tegen hen: Neem al de woorden waarmee ik u heden waarschuw, ter harte, zodat u uw kinderen gebiedt al de woorden van deze wet nauwlettend te houden. |
46 zeide hij tot hen: Neemt ter harte al de woorden, die ik u heden betuigd heb; opdat gij uwen kinderen beveelt, dat zij al de woorden dezer wet onderhouden en doen. |
46 zeide hij tot hen: Neemt al de vermaningen ter harte die ik u heden geef; opdat gij ze aan uw kinderen voorschrijft, om al de woorden dezer wet nauwgezet te betrachten. |
46 Zeide hij tot hen: Neemt al de woorden ter harte, waarmee ik u heden vermaan, opdat gij daarmee uw kinderen zult opdragen al de woorden dezer wet nauwgezet te onderhouden. |
46 il leur dit: Prenez à coeur toutes les paroles que je vous conjure aujourd'hui de recommander à vos enfants, afin qu'ils observent et mettent en pratique toutes les paroles de cette loi. |
47 Want het is geen woord zonder inhoud voor u, maar het is uw leven. En door dit woord zult u de dagen verlengen in het land waarvoor u de Jordaan oversteekt om het in bezit te nemen. |
47 Want het is geen gering woord aan u, maar het is uw leven; en dit woord zal uw leven verlengen in het land, waar gij heengaat, over den Jordaan, om het in te nemen. |
47 Immers is dit geen ijdel woord voor u; want het is uw leven, en door dit woord zult gij lang gevestigd blijven op den grond dien gij aan den overkant van den Jordaan in bezit gaat nemen. |
47 Want dit is voor u geen ledig woord, maar dit is uw leven: door dit woord zult gij lang wonen in het land, dat gij na het overtrekken van de Jordaan in bezit zult nemen. |
47 Car ce n'est pas une chose sans importance pour vous; c'est votre vie, et c'est par là que vous prolongerez vos jours dans le pays dont vous aurez la possession, après avoir passé le Jourdain. |
48 Vervolgens sprak de HEERE tot Mozes, op diezelfde dag: |
48 En de Heer sprak op dienzelfden dag tot Mozes, zeggende: |
48 Op denzelfden dag sprak de Heer tot Mozes: |
48 Voorts zeide de Here op diezelfde dag tot Mozes: |
48 Ce même jour, l'Eternel parla à Moïse, et dit: |
49 Beklim het Abarimgebergte, dat is de berg Nebo, die in het land van Moab ligt en die zich tegenover Jericho bevindt, en zie het land Kanaän, dat Ik aan de Israëlieten in bezit geef. |
49 Ga op het gebergte Abarim, op den berg Nebo, die tegenover Jericho ligt, in het land der Moabieten, en bezie het land Kanaän, hetwelk Ik den kinderen Israëls tot een eigendom geven zal; en als gij er gekomen zijt, |
49 Beklim dit gebergte Abarim, den berg Nebo, in het land van Moab, tegenover Jericho, zie het land Kanaan, dat ik den Israelieten tot een bezitting geef, |
49 Beklim dit gebergte, de Abarim (de berg Nebo, die in het land Moab ligt, tegenover Jericho) en aanschouw het land Kanaan, dat Ik de Israelieten in bezit zal geven, |
49 Monte sur cette montagne d'Abarim, sur le mont Nebo, au pays de Moab, vis-à-vis de Jéricho; et regarde le pays de Canaan que je donne en propriété aux enfants d'Israël. |
50 En sterf dan op de berg die u beklimmen zult, en word verenigd met uw voorgeslacht, zoals uw broer Aäron gestorven is op de berg Hor en met zijn voorgeslacht verenigd is. |
50 sterf dan op dien berg en word vergaderd tot uw volk; zoals uw broeder Aäron stierf op den berg Hor en tot zijn volk vergaderd werd: |
50 en sterf op den berg dien gij gaat beklimmen, en word tot uw volk vergaderd; zoals uw broeder Aaron op den berg Hor gestorven en tot zijn volk vergaderd is; |
50 En sterf op de berg, die gij beklimmen zult, opdat gij tot uw voorgeslacht vergaderd wordt, zoals uw broeder Aaron op de berg Hor gestorven en tot zijn voorgeslacht vergaderd is. |
50 Tu mourras sur la montagne où tu vas monter, et tu seras recueilli auprès de ton peuple, comme Aaron, ton frère, est mort sur la montagne de Hor et a été recueilli auprès de son peuple, |
51 Daarom, omdat u Mij ontrouw bent geweest te midden van de Israëlieten, bij het water van de twist van Kades, in de woestijn Zin, omdat u Mij niet geheiligd hebt te midden van de Israëlieten. |
51 omdat gijlieden tegen Mij gezondigd hebt onder de kinderen Israëls, bij het water der twisting te Kades in de woestijn Zin, omdat gij Mij niet heiligdet onder de kinderen Israëls. |
51 omdat gij in het midden der Israelieten u aan mij vergrepen hebt bij het water van Meriba bij Kades, in de woestijn Tsin, omdat gij mij in het midden der Israelieten niet als den Heilige geeerd hebt. |
51 Omdat gij ontrouw jegens Mij geweest zijt te midden van de Israelieten, bij de wateren van Meribat-kades in de woestijn Sin, en gij Mij niet geheiligd hebt te midden van de Israelieten. |
51 parce que vous avez péché contre moi au milieu des enfants d'Israël, près des eaux de Meriba, à Kadès, dans le désert de Tsin, et que vous ne m'avez point sanctifié au milieu des enfants d'Israël. |
52 Want van een afstand zult u het land zien, maar er binnengaan, in het land dat Ik de Israëlieten geef, dat mag u niet. |
52 Want gij zult tegenover u zien het land, hetwelk Ik den kinderen Israëls geven zal, maar gij zult er niet inkomen. |
52 Want gij zult het land tegenover u zien liggen, maar het niet binnengaan, het land dat ik den Israelieten geef. |
52 Want gij zult het land voor u zien liggen, maar daar niet binnengaan, het land dat Ik de Israelieten geven zal. |
52 Tu verras le pays devant toi; mais tu n'entreras point dans le pays que je donne aux enfants d'Israël. |