|
1 Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest. |
1 Zo is er dan nu niets verdoemelijks aan degenen, die in Christus Jezus zijn. |
1 Dus nu bestaat voor hen die in Christus Jezus zijn geen veroordeling meer. |
1 Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn. |
1 Il n'y a donc maintenant aucune condamnation pour ceux qui sont en Jésus-Christ. |
2 Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods. |
2 Want de wet des Geestes, die levend maakt in Christus Jezus, heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods. |
2 Want de geestelijke wet van het leven in Christus Jezus heeft u vrijgemaakt van de wet van zonde en dood. |
2 Want de wet van de Geest des levens heeft u in Christus Jezus vrijgemaakt, van de wet der zonde en des doods. |
2 En effet, la loi de l'esprit de vie en Jésus-Christ m'a affranchi de la loi du péché et de la mort. |
3 Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en [dat] voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees. |
3 Want hetgeen der wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees verzwakt was, dat deed God, en zond zijnen Zoon in de gelijkheid van het zondige vlees, om de zonde, en veroordeelde de zonde in het vlees; |
3 Immers, wat voor de wet onmogelijk was, dat waartoe zij onmachtig was door het vlees, dat heeft God gedaan door zijn Zoon te zenden in de gedaante van het zondige vlees. En wat de zonde betreft, Hij heeft de zonde veroordeeld in het vlees; |
3 Want wat de wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees; God heeft, door zijn eigen Zoon te zenden in een vlees, aan dat der zonde gelijk, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees, |
3 Car chose impossible à la loi, parce que la chair la rendait sans force, -Dieu a condamné le péché dans la chair, en envoyant, à cause du péché, son propre Fils dans une chair semblable à celle du péché, |
4 Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest. |
4 opdat de gerechtigheid, door de wet geëist, vervuld werd in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest. |
4 opdat de eis der wet vervuld mocht worden in ons, die niet leven naar het vlees, maar naar den geest. |
4 Opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest. |
4 et cela afin que la justice de la loi fût accomplie en nous, qui marchons, non selon la chair, mais selon l'esprit. |
5 Want die naar het vlees zijn, bedenken, dat des vleses is; maar die naar den Geest zijn, [bedenken], dat des Geestes is. |
5 Want wie naar het vlees zijn, bedenken de dingen, die des vleses zijn; maar wie naar den Geest zijn, de dingen, die des Geestes zijn. |
5 Zij toch die vleselijk zijn hebben de vleselijke dingen in den zin, maar zij die geestelijk zijn de geestelijke. |
5 Want zij, die naar het vlees zijn, hebben de gezindheid van het vlees, en zij, die naar de Geest zijn, hebben de gezindheid van de Geest. |
5 Ceux, en effet, qui vivent selon la chair, s'affectionnent aux choses de la chair, tandis que ceux qui vivent selon l'esprit s'affectionnent aux choses de l'esprit. |
6 Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede; |
6 Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is leven en vrede. |
6 Immers, alwat door het vlees beoogd wordt voert ten dode, wat door den geest beoogd wordt tot het leven en den vrede. |
6 Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de Geest is leven en vrede. |
6 Et l'affection de la chair, c'est la mort, tandis que l'affection de l'esprit, c'est la vie et la paix; |
7 Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet. |
7 Immers, het bedenken des vleses is vijandschap tegen God, nademaal het aan de wet Gods niet onderdanig is, want het kan dit ook niet; |
7 Omdat wat het vlees in den zin heeft vijandschap tegen God is; want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods, ja, kan dit ook niet doen; |
7 Daarom dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods; trouwens, het kan dat ook niet: |
7 car l'affection de la chair est inimitié contre Dieu, parce qu'elle ne se soumet pas à la loi de Dieu, et qu'elle ne le peut même pas. |
8 En die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen. |
8 en wie vleselijk zijn, kunnen Gode niet behagen. |
8 zij die in het vlees zijn kunnen niet behagen aan God. |
8 Zij, die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen. |
8 Or ceux qui vivent selon la chair ne sauraient plaire à Dieu. |
9 Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe. |
9 Doch gij zijt niet vleselijk, maar geestelijk, indien namelijk de Geest Gods in u woont, maar wie Christus' Geest niet heeft, die is de zijne niet. |
9 Gij nu zijt niet in het vlees; maar in den geest; althans indien de geest Gods in u woont; want wie den geest van Christus niet heeft behoort hem niet toe. |
9 Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe. |
9 Pour vous, vous ne vivez pas selon la chair, mais selon l'esprit, si du moins l'Esprit de Dieu habite en vous. Si quelqu'un n'a pas l'Esprit de Christ, il ne lui appartient pas. |
10 En indien Christus in ulieden is, zo is wel het lichaam dood om der zonden wil; maar de geest is leven om der gerechtigheid wil. |
10 Maar wanneer Christus in u is, zo is het lichaam wel dood om de zonde, maar de geest is leven om de gerechtigheid. |
10 Doch is Christus in u, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest leeft vanwege de gerechtigheid. |
10 Indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid. |
10 Et si Christ est en vous, le corps, il est vrai, est mort à cause du péché, mais l'esprit est vie à cause de la justice. |
11 En indien de Geest Desgenen, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont. |
11 Indien nu de Geest desgenen, die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uwe sterfelijke lichamen levend maken door zijnen Geest, die in u woont. |
11 En indien de geest van Hem die Jezus uit de doden heeft opgewekt in u woont, zal hij die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft ook uw sterfelijke lichamen levendmaken door zijn geest, die in u woont. |
11 En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont. |
11 Et si l'Esprit de celui qui a ressuscité Jésus d'entre les morts habite en vous, celui qui a ressuscité Christ d'entre les morts rendra aussi la vie à vos corps mortels par son Esprit qui habite en vous. |
12 Zo dan, broeders, wij zijn schuldenaars niet aan het vlees, om naar het vlees te leven. |
12 Zo zijn wij dan nu, mijne broeders, schuldenaars, niet van het vlees, dat wij naar het vlees zouden leven. |
12 Dus broeders, zijn wij aan het vlees niet verplicht vleselijk te leven. |
12 Derhalve, broeders, zijn wij schuldenaars, maar niet van het vlees, om naar het vlees te leven. |
12 Ainsi donc, frères, nous ne sommes point redevables à la chair, pour vivre selon la chair. |
13 Want indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven; maar indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven. |
13 Want indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven; maar indien gij door den Geest de werkingen van het lichaam doodt, zo zult gij leven. |
13 Want indien gij vleselijk leeft, zult gij sterven; indien gij door den geest de werken des lichaams doodt, zult gij leven. |
13 Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven. |
13 Si vous vivez selon la chair, vous mourrez; mais si par l'Esprit vous faites mourir les actions du corps, vous vivrez, |
14 Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. |
14 Want zovelen door den Geest Gods geleid worden, die zijn Gods kinderen. |
14 Want zovelen door den geest Gods geleid worden, die zijn zonen Gods. |
14 Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods. |
14 car tous ceux qui sont conduits par l'Esprit de Dieu sont fils de Dieu. |
15 Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader! |
15 Want gij hebt geen knechtelijken geest ontvangen, dat gij wederom vrezen moest; maar gij hebt een kinderlijken geest ontvangen, door welken wij roepen: Abba, Vader! |
15 Gij hebt immers niet ontvangen den geest der slavernij, die u tot de vrees zou terugbrengen, maar den geest van het zoonschap, waardoor wij roepen: Abba, Vader! |
15 Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. |
15 Et vous n'avez point reçu un esprit de servitude, pour être encore dans la crainte; mais vous avez reçu un Esprit d'adoption, par lequel nous crions: Abba! Père! |
16 Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. |
16 Deze Geest zelf geeft onzen geest getuigenis, dat wij Gods kinderen zijn. |
16 Die geest zelf getuigt met onzen geest dat wij kinderen Gods zijn. |
16 Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn. |
16 L'Esprit lui-même rend témoignage à notre esprit que nous sommes enfants de Dieu. |
17 En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en medeerfgenamen van Christus; zo wij anders met [Hem] lijden, opdat wij ook met [Hem] verheerlijkt worden. |
17 Zijn wij dan kinderen, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en medeërfgenamen van Christus; zo wij namelijk met hem lijden, opdat wij ook mede tot de heerlijkheid verheven worden. |
17 En zijn wij kinderen, dan ook erfgenamen, erfgenamen van God, medeerfgenamen van Christus; althans indien wij met hem lijden om ook mee verheerlijkt te worden. |
17 Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en medeerfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking. |
17 Or, si nous sommes enfants, nous sommes aussi héritiers: héritiers de Dieu, et cohéritiers de Christ, si toutefois nous souffrons avec lui, afin d'être glorifiés avec lui. |
18 Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. |
18 Want ik houd het daarvoor, dat het lijden van dezen tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. |
18 Want ik houd het er voor dat het lijden in dit leven niets betekent in vergelijking met de heerlijkheid die ons wacht. |
18 Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden. |
18 J'estime que les souffrances du temps présent ne sauraient être comparées à la gloire à venir qui sera révélée pour nous. |
19 Want het schepsel, [als] met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods. |
19 Want het schepsel wacht reikhalzend op de openbaring der kinderen Gods; |
19 Immers ziet de schepping reikhalzend uit naar de openbaring van de zonen Gods. |
19 Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods. |
19 Aussi la création attend-elle avec un ardent désir la révélation des fils de Dieu. |
20 Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil, die het [der] [ijdelheid] onderworpen heeft; |
20 nademaal het schepsel onderworpen is aan de ijdelheid, niet gewillig, maar om diens wil, die het onderworpen heeft, |
20 De schepping toch is onderworpen aan de vergankelijkheid, niet vrijwillig, maar door den wil van Hem die haar daaraan onderworpen heeft, |
20 Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om [de] [wil] [van] Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, |
20 Car la création a été soumise à la vanité, -non de son gré, mais à cause de celui qui l'y a soumise, avec l'espérance |
21 Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. |
21 in hope; want ook het schepsel zelf zal vrij worden van den dienst der vergankelijkheid, tot de heerlijke vrijheid der kinderen Gods. |
21 in de hoop dat ook de schepping zelf bevrijd zal worden van de slavernij der vergankelijkheid en, vrijgemaakt, deel zal erlangen aan de heerlijkheid der kinderen Gods. |
21 In hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. |
21 qu'elle aussi sera affranchie de la servitude de la corruption, pour avoir part à la liberté de la gloire des enfants de Dieu. |
22 Want wij weten, dat het ganse schepsel te zamen zucht, en te zamen [als] in barensnood is tot nu toe. |
22 Want wij weten, dat al het schepsel met ons zucht en in barensnood is tot nog toe. |
22 Want wij weten dat de gehele schepping tot nu toe mede zucht en mede barensweeen lijdt. |
22 Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is. |
22 Or, nous savons que, jusqu'à ce jour, la création tout entière soupire et souffre les douleurs de l'enfantement. |
23 En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, [zeg] [ik], zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, [namelijk] de verlossing onzes lichaams. |
23 En dit niet alleen, maar ook wijzelve, die de eerstelingen des Geestes hebben, zuchten ook in onszelve, verwachtende het kindschap, namelijk de verlossing onzes lichaams. |
23 En dit niet alleen; maar ook wij, die de allerbeste gaven des Geestes bezitten, ook wij zuchten in onszelf terwijl wij het zoonschap verwachten, de verlossing van ons lichaam. |
23 En niet alleen zij, maar ook wij zelf, wij, die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam. |
23 Et ce n'est pas elle seulement; mais nous aussi, qui avons les prémices de l'Esprit, nous aussi nous soupirons en nous-mêmes, en attendant l'adoption, la rédemption de notre corps. |
24 Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? |
24 Want wij zijn wel zalig, doch in hope; maar de hoop, welke men ziet, is geen hoop; want hoe kan men hopen hetgeen men ziet? |
24 Wij toch zijn eerst in hope verlost; een hoop nu die gezien wordt is geen hoop; want waarom zal iemand hopen op hetgeen hij reeds ziet? |
24 Want in die hoop zijn wij behouden. Maar hoop, die gezien wordt, is geen hoop, want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet? |
24 Car c'est en espérance que nous sommes sauvés. Or, l'espérance qu'on voit n'est plus espérance: ce qu'on voit, peut-on l'espérer encore? |
25 Maar indien wij hopen, hetgeen wij niet zien, zo verwachten wij het met lijdzaamheid. |
25 Maar indien wij hopen hetgeen wij niet zien, zo verwachten wij het met geduld. |
25 Indien wij dan hopen op hetgeen wij niet zien, wachten wij er lijdzaam op. |
25 Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding. |
25 Mais si nous espérons ce que nous ne voyons pas, nous l'attendons avec persévérance. |
26 En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. |
26 Desgelijks komt ook de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen, zoals het behoort, maar de Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen; |
26 Desgelijks komt ook de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet hoe wij naar behoren bidden zullen; maar de Geest treedt voor ons op in verzuchtingen zonder woorden; |
26 En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. |
26 De même aussi l'Esprit nous aide dans notre faiblesse, car nous ne savons pas ce qu'il nous convient de demander dans nos prières. Mais l'Esprit lui-même intercède par des soupirs inexprimables; |
27 En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening des Geestes zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt. |
27 en die de harten onderzoekt, weet wat de zin des Geestes is, dewijl hij voor de heiligen bidt naar hetgeen God behaagt. |
27 en Hij die de harten doorzoekt weet wat de Geest zeggen wil: Dat hij op een godgevallige wijze voor de heiligen optreedt. |
27 En Hij, die de harten doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat Hij namelijk naar de wil van God voor heiligen pleit. |
27 et celui qui sonde les coeurs connaît quelle est la pensée de l'Esprit, parce que c'est selon Dieu qu'il intercède en faveur des saints. |
28 En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, [namelijk] dengenen, die naar [Zijn] voornemen geroepen zijn. |
28 En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen ten beste dienen, die naar het voornemen geroepen zijn. |
28 Zo weten wij dat voor hen die God liefhebben, hun die naar zijn voorbeschikking geroepen zijn, alles tot heil samenwerkt. |
28 Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn. |
28 Nous savons, du reste, que toutes choses concourent au bien de ceux qui aiment Dieu, de ceux qui sont appelés selon son dessein. |
29 Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen. |
29 Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren bestemd, dat zij gelijkvormig zouden zijn aan het beeld van zijnen Zoon, opdat hij de eerstgeborene zij onder vele broederen; |
29 Want hen die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij uitverkoren om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon; opdat deze de eerstgeborene onder vele broeders zou zijn. |
29 Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; |
29 Car ceux qu'il a connus d'avance, il les a aussi prédestinés à être semblables à l'image de son Fils, afin que son Fils fût le premier-né entre plusieurs frères. |
30 En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt. |
30 en die Hij te voren bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook rechtvaardig gemaakt; en die Hij rechtvaardig gemaakt heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt. |
30 En wie Hij uitverkoren heeft, die heeft Hij ook geroepen; en wie Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook als de zijnen aangenomen, en wie Hij als de zijnen aangenomen heeft die heeft Hij ook verheerlijkt. |
30 En die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt. |
30 Et ceux qu'il a prédestinés, il les a aussi appelés; et ceux qu'il a appelés, il les a aussi justifiés; et ceux qu'il a justifiés, il les a aussi glorifiés. |
31 Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? |
31 Wat zullen wij dan hierop zeggen? Is God Vóór ons, wie kan tégen ons zijn! |
31 Wat zullen wij hier aan toevoegen? Indien God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? |
31 Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? |
31 Que dirons-nous donc à l'égard de ces choses? Si Dieu est pour nous, qui sera contre nous? |
32 Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? |
32 Die zelfs zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar hem voor ons allen heeft overgegeven, hoe zou Hij ons ook met hem niet alle dingen schenken? |
32 Hoe zou Hij, die zijn eigen Zoon niet gespaard maar voor ons allen overgeleverd heeft, niet met hem ons alles schenken? |
32 Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken? |
32 Lui, qui n'a point épargné son propre Fils, mais qui l'a livré pour nous tous, comment ne nous donnera-t-il pas aussi toutes choses avec lui? |
33 Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt. |
33 Wie wil de uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardig maakt. |
33 Wie zal de uitverkorenen Gods aanklagen? God is het die ons vrijspreekt. |
33 Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt; |
33 Qui accusera les élus de Dieu? C'est Dieu qui justifie! |
34 Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechter [hand] Gods is, Die ook voor ons bidt. |
34 Wie wil verdoemen? Christus is het, die gestorven is, ja veel meer, die ook opgewekt is, die ook ter rechterhand Gods is, die ook voor ons bidt. |
34 Wie is de rechter die veroordeelt? Christus Jezus is het die voor ons gestorven, wat meer zegt, opgewekt is, die ter rechterhand Gods zit, ja ook voor ons optreedt. |
34 Wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit. |
34 Qui les condamnera? Christ est mort; bien plus, il est ressuscité, il est à la droite de Dieu, et il intercède pour nous! |
35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, naaktheid, of gevaar, of zwaard? |
35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Droefenis of angst, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard? |
35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar, het zwaard? |
35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard? |
35 Qui nous séparera de l'amour de Christ? Sera-ce la tribulation, ou l'angoisse, ou la persécution, ou la faim, ou la nudité, ou le péril, ou l'épée? |
36 (Gelijk geschreven is: Want om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij zijn geacht als schapen ter slachting.) |
36 Gelijk geschreven staat: "Om uwentwil worden wij den gehelen dag gedood; wij zijn geacht als slachtschapen". |
36 overeenkomstig het Schriftwoord: Om U worden wij den gansen dag gedood, geacht als slachtvee. |
36 Gelijk geschreven staat: Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen. |
36 selon qu'il est écrit: C'est à cause de toi qu'on nous met à mort tout le jour, Qu'on nous regarde comme des brebis destinées à la boucherie. |
37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft. |
37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door hem, die ons heeft liefgehad. |
37 Maar in al die dingen behalen wij een volkomen overwinning door hem die ons heeft liefgehad. |
37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad. |
37 Mais dans toutes ces choses nous sommes plus que vainqueurs par celui qui nous a aimés. |
38 Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, |
38 Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch Engelen, noch aartsengelen, noch krachten, |
38 Want ik ben verzekerd dat dood noch leven, engelen noch aartsengelen, tegenwoordige noch toekomstige dingen, noch machten, |
38 Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, |
38 Car j'ai l'assurance que ni la mort ni la vie, ni les anges ni les dominations, ni les choses présentes ni les choses à venir, ni les puissances, |
39 Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere. |
39 noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons kan scheiden van Gods liefde, welke is in Christus Jezus, onzen Heer. |
39 hetzij hooge hetzij lage, noch enig ander schepsel ons kan scheiden van de liefde Gods, in Christus Jezus, onzen Heer. |
39 Noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here. |
39 ni la hauteur, ni la profondeur, ni aucune autre créature ne pourra nous séparer de l'amour de Dieu manifesté en Jésus-Christ notre Seigneur. |