Handelingen 9
© Herziene Statenvertaling
© Lutherse Vertaling
© Leidse Vertaling
© NBG
New International Version
1 Saulus nu, die tegen de discipelen van de Heere nog steeds brieste van dreiging en moord, ging naar de hogepriester toe 1 En Saulus blies nog dreiging en moord tegen de jongeren des Heren, en ging tot den Hogepriester 1 Nog ademde intussen Saulus bedreiging en moord tegen de leerlingen des Heeren; hij ging naar den hogepriester 1 En Saulus, nog dreiging en moord blazende tegen de discipelen des Heren, ging naar de hogepriester, 1 Meanwhile, Saul was still breathing out murderous threats against the Lord’s disciples. He went to the high priest
2 en vroeg van hem brieven voor Damascus, gericht aan de synagogen, opdat, als hij er enigen zou vinden die van die Weg waren, zowel mannen als vrouwen, hij die geboeid naar Jeruzalem zou brengen. 2 en verzocht hem om brieven naar Damaskus aan de synagogen, opdat, zo hij enigen, die van dien weg waren, vond, mannen en vrouwen, hij hen gebonden zou brengen naar Jeruzalem. 2 en verzocht brieven van zijn hand aan de synagoge te Damaskus, met het doel om, indien hij er aanhangers van den Heilsweg vond, hen, mannen en vrouwen, geboeid naar Jeruzalem te brengen. 2 En vroeg van hem brieven naar Damascus voor de synagogen, om, als hij mannen en vrouwen, die van die weg waren, zou vinden, hen gevankelijk naar Jeruzalem te brengen. 2 and asked him for letters to the synagogues in Damascus, so that if he found any there who belonged to the Way, whether men or women, he might take them as prisoners to Jerusalem.
3 En terwijl hij onderweg was, gebeurde het dat hij dicht bij Damascus kwam. En plotseling omscheen hem een licht vanuit de hemel, 3 En toen hij op den weg was. en nabij Damaskus kwam, omscheen hem plotseling een licht van den hemel; 3 Maar toen hij op reis was en Damaskus naderde, omstraalde hem plotseling een licht uit den hemel; 3 En terwijl hij daarheen op weg was, geschiedde het, toen hij Damascus naderde, dat hem plotseling licht uit de hemel omstraalde; 3 As he neared Damascus on his journey, suddenly a light from heaven flashed around him.
4 en toen hij op de grond gevallen was, hoorde hij een stem die tegen hem zei: Saul, Saul, waarom vervolgt u Mij? 4 en hij viel op de aarde, en hoorde een stem, die tot hem zeide: Saul, Saul, wat vervolgt gij mij? 4 hij viel ter aarde en hoorde een stem die tot hem zeide: Saul, Saul, wat vervolgt gij mij? 4 En ter aarde gevallen, hoorde hij een stem tot zich zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? 4 He fell to the ground and heard a voice say to him, “Saul, Saul, why do you persecute me?”
5 En hij zei: Wie bent U, Heere? En de Heere zei: Ik ben Jezus, Die u vervolgt. Het is hard voor u, met de hielen tegen de prikkels te slaan. 5 En hij zeide: Heer, wie zijt gij? En de Heer zeide: Ik ben Jezus, dien gij vervolgt. Het zal u hard vallen tegen den prikkel achteruit te slaan. 5 Hij zeide: Wie zijt gij, Heer? En hij: Ik ben Jezus, dien gij vervolgt. 5 En hij zeide: Wie zijt Gij, Here? En Hij zeide: Ik ben Jezus, die gij vervolgt. 5 “Who are you, Lord?” Saul asked. “I am Jesus, whom you are persecuting,” he replied.
6 En hij zei, bevend en verbaasd: Heere, wat wilt U dat ik doen zal? En de Heere zei tegen hem: Sta op en ga de stad in en daar zal u gezegd worden wat u moet doen. 6 En hij zeide, al bevende en zeer beangst zijnde: Heer, wat wilt Gij dat ik doen zal? En de Heer zeide tot hem: Sta op en ga in de stad; daar zal men u zeggen wat gij doen moet. 6 Maar sta op en ga naar de stad; u zal gezegd worden wat gij moet doen. 6 Maar sta op en ga de stad binnen en daar zal u gezegd worden, wat gij doen moet. 6 “Now get up and go into the city, and you will be told what you must do.”
7 En de mannen die met hem meereisden, stonden sprakeloos, want zij hoorden wel de stem, maar zagen niemand. 7 En de mannen, die zijne reisgenoten waren, stonden verslagen, want zij hoorden wel de stem, maar zagen niemand. 7 De mannen die met hem reisden bleven sprakeloos staan; zij hoorden wel de stem, maar zagen niemand. 7 En de mannen, die met hem reisden, stonden sprakeloos, daar zij wel de stem hoorden, maar niemand zagen. 7 The men traveling with Saul stood there speechless; they heard the sound but did not see anyone.
8 En Saulus stond op van de grond; en toen hij zijn ogen opendeed, zag hij niemand. En zij leidden hem bij de hand en brachten hem naar Damascus. 8 En Saulus richtte zich op van de aarde; en toen hij zijne ogen opendeed, zag hij niemand; en zij namen hem bij de hand, en leidden hem naar Damaskus. 8 Saulus stond van den grond op, maar zag, hoewel zijn ogen open waren, niets. Men leidde hem aan de hand en bracht hem in Damaskus. 8 En Saulus stond op van de grond en hoewel hij zijn ogen open had, kon hij niets zien, en zij leidden hem bij de hand en brachten hem naar Damascus. 8 Saul got up from the ground, but when he opened his eyes he could see nothing. So they led him by the hand into Damascus.
9 En gedurende drie dagen kon hij niet zien, en at en dronk hij niet. 9 En hij was drie dagen blind, en hij at en dronk niet. 9 Daar was hij drie dagen zonder te kunnen zien; hij at en dronk niet. 9 En hij kon drie dagen lang niet zien, en hij at of dronk niet. 9 For three days he was blind, and did not eat or drink anything.
10 En er was een zekere discipel in Damascus van wie de naam Ananias was; en de Heere zei tegen hem in een visioen: Ananias! En hij zei: Zie, hier ben ik, Heere. 10 En er was een jonger te Damaskus, genaamd Ananías; tot dien zeide de Heer in een gezicht: Ananías! En hij zeide: Hier ben ik, Heer. 10 Te Damaskus nu woonde een leerling, Ananias genaamd. Tot hem zeide de Heer in een gezicht: Ananias! Hij zeide: Hier ben ik, Heer. 10 Nu was er te Damascus een discipel, genaamd Ananias; en de Here zeide tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zeide: Zie, hier ben ik, Here. 10 In Damascus there was a disciple named Ananias. The Lord called to him in a vision, “Ananias!” “Yes, Lord,” he answered.
11 En de Heere zei tegen hem: Sta op en ga naar de straat die de Rechte genoemd wordt, en vraag in het huis van Judas naar iemand van wie de naam Saulus is, uit Tarsus, want zie, hij bidt, 11 En de Heer zeide tot hem: Sta op, en ga heen in de straat, die genaamd is de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar enen genaamd Saulus van Tarsus; want zie, hij bidt. 11 De Heer zeide tot hem: Sta op, ga naar de straat die de Rechte heet en vraag in het huis van Judas naar zekeren Saulus uit Tarsus. Want hij bidt nu 11 En de Here zeide tot hem: Sta op en ga naar de straat, die de Rechte heet, en vraag ten huize van Judas naar iemand uit Tarsus, genaamd Saulus, want zie, hij is in gebed 11 The Lord told him, “Go to the house of Judas on Straight Street and ask for a man from Tarsus named Saul, for he is praying.
12 en hij heeft in een visioen gezien dat een man van wie de naam Ananias was, binnenkwam en hem de hand oplegde, opdat hij weer ziende zou worden. 12 En hij heeft in een gezicht een man, genaamd Ananías, tot hem zien binnenkomen en de hand op hem leggen, opdat hij weder ziende werd. 12 en heeft een man genaamd Ananias zien binnenkomen en hem de handen opleggen, opdat hij het gezicht zou terugkrijgen. 12 En hij heeft [in] [een] [gezicht] een man, genaamd Ananias, zien binnenkomen en hem de handen opleggen, opdat hij weer zien kon. 12 In a vision he has seen a man named Ananias come and place his hands on him to restore his sight.”
13 Ananias antwoordde echter: Heere, ik heb van velen over deze man gehoord hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft; 13 En Ananías antwoordde: Heer, ik heb van velen gehoord aangaande dezen man, hoeveel kwaad hij uw heiligen gedaan heeft te Jeruzalem; 13 Ananias antwoordde: Heer, ik heb van velen gehoord, hoeveel onheil deze man aan uw heiligen te Jeruzalem heeft berokkend, 13 En Ananias antwoordde: Here, ik heb van velen over deze man gehoord, hoeveel kwaad hij uw heiligen te Jeruzalem aangedaan heeft; 13 “Lord,” Ananias answered, “I have heard many reports about this man and all the harm he has done to your holy people in Jerusalem.
14 en hij heeft hier volmacht van de overpriesters om allen gevangen te nemen die Uw Naam aanroepen. 14 en hij heeft volmacht van de Hogepriesters, om allen te binden, die uwen naam aanroepen. 14 en dat hij hier is met volmacht van de overpriesters om allen die uw naam aanroepen gevangen te nemen. 14 En hier heeft hij volmacht van de overpriesters om allen, die uw naam aanroepen, gevangen te nemen. 14 And he has come here with authority from the chief priests to arrest all who call on your name.”
15 Maar de Heere zei tegen hem: Ga, want deze is voor Mij een uitverkoren instrument om Mijn Naam te brengen naar de heidenen en de koningen en de Israëlieten. 15 Maar de Heer zeide tot hem: Ga heen, want deze is mij een uitverkoren werktuig, opdat hij mijnen naam drage voor heidenen en koningen en kinderen Israëls; 15 En de Heer zeide tot hem: Ga; hij toch is voor mij een uitverkoren werktuig om mijn naam te brengen tot heidenen, koningen en zonen Israels. 15 Maar de Here zeide tot hem: Ga, want deze is Mij een uitverkoren werktuig om mijn naam te brengen voor heidenen en koningen en de kinderen Israels; 15 But the Lord said to Ananias, “Go! This man is my chosen instrument to proclaim my name to the Gentiles and their kings and to the people of Israel.
16 Want Ik zal hem laten zien hoeveel hij moet lijden voor Mijn Naam. 16 want Ik zal hem tonen hoeveel hij lijden moet om mijns naams wil. 16 Want ikzelf zal hem tonen, hoeveel hij voor mijn naam moet lijden. 16 Want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet ter wille van mijn naam. 16 I will show him how much he must suffer for my name.”
17 En Ananias ging heen en ging het huis binnen; en na hem de handen opgelegd te hebben, zei hij: Saul, broeder, de Heere heeft mij gestuurd, namelijk Jezus, Die u verschenen is op de weg waarlangs u gekomen bent, opdat u weer ziende zou worden en met de Heilige Geest vervuld zou worden. 17 En Ananías ging heen en kwam in het huis, en legde de handen op hem, en zeide: Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden, Jezus, die u verschenen is op den weg, dien gij kwaamt, opdat gij weer ziende en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden. 17 Toen ging Ananias heen, trad het huis binnen, legde hem de handen op en zeide: Broeder Saul, de Heer Jezus, die u op den weg dien gij kwaamt verschenen is heeft mij gezonden, opdat gij het gezicht moogt terugkrijgen en met den Heiligen Geest vervuld worden. 17 En Ananias ging heen en kwam in het huis, en hij legde hem de handen op en zeide: Saul, broeder, de Here heeft mij gezonden, Jezus, die u verschenen is op de weg, waarlangs gij gekomen zijt, opdat gij weer zoudt zien en met de Heilige Geest vervuld worden. 17 Then Ananias went to the house and entered it. Placing his hands on Saul, he said, “Brother Saul, the Lord—Jesus, who appeared to you on the road as you were coming here—has sent me so that you may see again and be filled with the Holy Spirit.”
18 En meteen vielen hem als het ware schellen van de ogen, en onmiddellijk werd hij weer ziende, en hij stond op en werd gedoopt. 18 En terstond was het, alsof er schellen van zijne ogen vielen, en hij werd weder ziende, en stond op en liet zich dopen; 18 En dadelijk was het alsof schillen van zijn ogen vielen; hij kon weer zien, stond op, werd gedoopt 18 En terstond vielen hem als schubben van de ogen en hij kon weer zien, en hij stond op en werd gedoopt; 18 Immediately, something like scales fell from Saul’s eyes, and he could see again. He got up and was baptized,
19 En toen hij voedsel genomen had, sterkte hij aan. En Saulus verbleef enige dagen bij de discipelen in Damascus. 19 en hij nam spijs, en versterkte zich. En Saulus was enige dagen bij de jongeren te Damaskus, 19 en kwam na iets gegeten te hebben weer bij kracht. Hij verkeerde enige dagen met de leerlingen in Damaskus 19 En toen hij voedsel genomen had, werd hij versterkt. En het geschiedde, toen Saulus enige dagen bij de discipelen te Damascus was, 19 and after taking some food, he regained his strength. Saul spent several days with the disciples in Damascus.
20 En meteen predikte hij Christus in de synagogen, dat Hij de Zoon van God is. 20 en terstond predikte hij Jezus in de synagogen, dat deze Gods Zoon is. 20 en predikte dadelijk in de synagogen dat Jezus de Zoon Gods is. 20 Dat hij terstond in de synagogen verkondigde, dat Jezus de Zoon van God is. 20 At once he began to preach in the synagogues that Jesus is the Son of God.
21 En allen die het hoorden, waren buiten zichzelf en zeiden: Is dit niet degene die in Jeruzalem hen die deze Naam aanriepen, uitroeide, en die daarom hier gekomen is om hen geboeid naar de overpriesters te brengen? 21 En wie het hoorden, ontzetten zich en zeiden: Is deze niet degene, die te Jeruzalem verstoorde wie dezen naam aanriepen, en die daarom hier gekomen is, om hen gebonden te brengen tot de Hogepriesters? 21 Allen die het hoorden raakten buiten zichzelf en zeiden: Is dit niet de man die te Jeruzalem hen die dezen naam aanroepen trachtte uit te roeien en hierheen gekomen is met het doel hen gevangen te nemen en naar de overpriesters te brengen? 21 En allen, die het hoorden, stonden verbaasd en zeiden: Is dit niet de man, die te Jeruzalem uitroeide, wie deze naam aanriepen, en die hier gekomen is met het doel hen gevankelijk voor de overpriesters te brengen? 21 All those who heard him were astonished and asked, “Isn’t he the man who raised havoc in Jerusalem among those who call on this name? And hasn’t he come here to take them as prisoners to the chief priests?”
22 Maar Saulus werd meer en meer gesterkt en hij bracht de Joden die in Damascus woonden, in verwarring door aan te tonen dat Jezus de Christus is. 22 Doch Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden, die te Damaskus woonden, bewijzende, dat deze de Christus is. 22 En Saulus werd krachtiger en bracht de Joden die in Damaskus woonden in opschudding door te bewijzen dat Jezus de Christus is. 22 Doch Saulus trad steeds krachtiger op en bracht de Joden, die te Damascus woonden, in verwarring door te bewijzen, dat deze de Christus is. 22 Yet Saul grew more and more powerful and baffled the Jews living in Damascus by proving that Jesus is the Messiah.
23 En toen er veel dagen verlopen waren, beraadslaagden de Joden om hem te doden, 23 En na vele dagen kwamen de Joden overeen hem te doden, 23 Nadat vele dagen verlopen waren, spanden de Joden samen om hem uit den weg te ruimen; 23 En toen er verscheidene dagen verlopen waren, beraamden de Joden het plan hem te vermoorden, 23 After many days had gone by, there was a conspiracy among the Jews to kill him,
24 maar hun samenzwering werd aan Saulus bekend. En zij bewaakten de poorten, zowel overdag als 's nachts, om hem te kunnen doden. 24 maar het werd Saulus te kennen gegeven, dat zij hem lagen legden. En zij hielden dag en nacht de wacht bij de poorten, om hem te doden. 24 maar Saulus kreeg kennis van hun plan, en daar men dag en nacht aan de poorten de wacht hield om hem te doden, 24 Maar hun toeleg kwam ter kennis van Saulus. En zij hielden dag en nacht de wacht bij de poorten om hem te vermoorden; 24 but Saul learned of their plan. Day and night they kept close watch on the city gates in order to kill him.
25 Maar de discipelen namen hem 's nachts mee en lieten hem door een opening in de muur neer, door hem in een mand te laten zakken. 25 Toen namen de jongeren hem bij nacht, en lieten hem neder door den muur, hem aflatende in ene mand. 25 namen zijn leerlingen hem des nachts mee en lieten hem in een mand over den stadsmuur naar beneden. 25 Doch zijn discipelen namen hem en lieten hem des nachts in een mand over de muur zakken. 25 But his followers took him by night and lowered him in a basket through an opening in the wall.
26 Toen Saulus nu in Jeruzalem gekomen was, probeerde hij zich bij de discipelen aan te sluiten, maar zij waren allen bevreesd voor hem, want zij geloofden niet dat hij een discipel was. 26 Toen nu Saulus te Jeruzalem kwam, trachtte hij zich te voegen bij de jongeren; maar zij vreesden allen voor hem, en geloofden niet, dat hij een jonger was. 26 In Jeruzalem gekomen, trachtte hij zich bij de leerlingen aan te sluiten; maar allen waren bevreesd voor hem, omdat zij niet geloofden dat hij een leerling was. 26 En te Jeruzalem aangekomen, trachtte hij zich bij de discipelen te voegen, maar allen schuwden hem, daar zij niet konden geloven, dat hij een discipel was. 26 When he came to Jerusalem, he tried to join the disciples, but they were all afraid of him, not believing that he really was a disciple.
27 Maar Barnabas nam hem onder zijn hoede, bracht hem naar de apostelen en vertelde hun hoe hij onderweg de Heere gezien had, dat Hij tot hem gesproken had en hoe hij in Damascus vrijmoedig gesproken had in de Naam van Jezus. 27 Maar Barnabas nam hem tot zich, en leidde hem tot de apostelen, en verhaalde hun hoe hij op den weg den Heer gezien had, en dat hij tot hem gesproken had, en hoe hij te Damaskus den naam van Jezus vrijmoedig gepredikt had. 27 Toen trok Barnabas zich zijn lot aan, bracht hem bij de apostelen en verhaalde hun, hoe hij op den weg den Heer gezien had en door hem toegesproken was, en hoe hij te Damaskus ronduit met den naam van Jezus had gepredikt. 27 Maar Barnabas trok zich zijner aan en bracht hem bij de apostelen en verhaalde hun, hoe hij onderweg de Here had gezien, en dat deze tot hem gesproken had, en hoe hij te Damascus vrijmoedig was opgetreden in de naam van Jezus. 27 But Barnabas took him and brought him to the apostles. He told them how Saul on his journey had seen the Lord and that the Lord had spoken to him, and how in Damascus he had preached fearlessly in the name of Jesus.
28 En hij ging in Jeruzalem met hen in en uit. 28 En hij was bij hen, en ging in en uit te Jeruzalem, en predikte den naam van den Heere Jezus vrijmoedig. 28 Daarna ging hij te Jeruzalem met hen in en uit, 28 En hij bleef met hen ingaan en uitgaan te Jeruzalem, 28 So Saul stayed with them and moved about freely in Jerusalem, speaking boldly in the name of the Lord.
29 En hij sprak vrijmoedig in de Naam van de Heere Jezus; ook sprak en redetwistte hij met de Griekssprekenden, maar die probeerden hem te doden. 29 Ook sprak hij en redetwistte met de Grieksen; maar zij legden op hem toe om hem te doden. 29 verkondigde onbewimpeld den Heer, en sprak en redetwistte met de Grieks sprekende Joden; maar dezen zochten hem uit den weg te ruimen. 29 En vrijmoedig optreden in de naam des Heren, en hij sprak en redetwistte met de Grieks-sprekende Joden; maar dezen trachtten hem om te brengen. 29 He talked and debated with the Hellenistic Jews, but they tried to kill him.
30 Maar toen de broeders dit te weten kwamen, brachten zij hem naar Caesarea en stuurden hem vandaar weg naar Tarsus. 30 Doch toen de broeders dit gewaar werden, geleidden zij hem naar Cesaréa, en zonden hem naar Tarsus. 30 Toen de broeders hiervan kennis kregen, brachten zij hem naar Cesarea en lieten hem van daar naar Tarsus vertrekken. 30 Doch toen de broeders dit te weten kwamen, brachten zij hem naar Caesarea en lieten hem vandaar naar Tarsus vertrekken. 30 When the believers learned of this, they took him down to Caesarea and sent him off to Tarsus.
31 De gemeenten dan in heel Judea, Galilea en Samaria hadden vrede en werden opgebouwd; en zij wandelden in de vreze des Heeren en de vertroosting door de Heilige Geest en namen in aantal toe. 31 Zo had de gemeente vrede door geheel Judéa en Galiléa en Samarië, en werd gesticht, en wandelde in de vreze des Heren en werd vervuld met den troost des Heiligen Geestes. 31 De gemeente in geheel Judea, Galilea en Samarie had nu vrede en werd opgebouwd, daar haar wandel in de vreze des Heeren was; ook breidde zij zich uit door den aandrang des Heiligen Geestes. 31 De gemeente dan door geheel Judea, Galilea en Samaria had vrede; zij werd opgebouwd en wandelde in de vreze des Heren, en zij nam in aantal toe door de bijstand van de Heilige Geest. 31 Then the church throughout Judea, Galilee and Samaria enjoyed a time of peace and was strengthened. Living in the fear of the Lord and encouraged by the Holy Spirit, it increased in numbers.
32 En het gebeurde dat Petrus, toen hij overal rondreisde, ook bij de heiligen kwam die in Lydda woonden. 32 En het geschiedde, toen Petrus overal doortrok, dat hij ook tot de heiligen kwam, die te Lydda woonden. 32 Eens maakte Petrus een rondreis door al die gewesten en kwam ook te Lydda bij de daar wonende heiligen. 32 En het geschiedde, toen Petrus overal rondreisde, dat hij ook bij de heiligen kwam, die te Lydda woonden. 32 As Peter traveled about the country, he went to visit the Lord’s people who lived in Lydda.
33 En daar vond hij een man van wie de naam Eneas was, die al acht jaar op bed lag en verlamd was. 33 Aldaar vond hij een man, genaamd Enéas, die acht jaren lang te bed gelegen had, die verlamd was. 33 Hij vond er zekeren Eneas, die reeds acht jaar verlamd te bed gelegen had. 33 Daar vond hij een man, genaamd Eneas, een verlamde, die reeds acht jaren bedlegerig was geweest. 33 There he found a man named Aeneas, who was paralyzed and had been bedridden for eight years.
34 En Petrus zei tegen hem: Eneas, Jezus Christus maakt u gezond; sta op en maak voor uzelf uw bed op! En hij stond meteen op. 34 En Petrus zeide tot hem: Enéas, Jezus Christus make u gezond; sta op en spreid zelf uw bed! En dadelijk stond hij op. 34 Petrus zeide tot hem: Eneas, Jezus Christus maakt u gezond; sta op en spreid zelf uw leger. Dadelijk stond hij: op, 34 En Petrus zeide tot hem: Eneas, Jezus Christus geneest u; sta op en maak zelf uw bed op. En hij stond onmiddellijk op. 34 “Aeneas,” Peter said to him, “Jesus Christ heals you. Get up and roll up your mat.” Immediately Aeneas got up.
35 En allen die in Lydda en Sarona woonden, zagen hem en bekeerden zich tot de Heere. 35 En zij zagen hem allen, die te Lydda en op [de vlakte van] Saron woonden, welke zich bekeerden tot den Heer. 35 en alle inwoners van Lydda en Saron zagen hem en bekeerden zich tot den Heer. 35 En alle bewoners van Lydda en Saron zagen hem en bekeerden zich tot de Here. 35 All those who lived in Lydda and Sharon saw him and turned to the Lord.
36 En er was in Joppe een zekere discipelin van wie de naam Tabitha was, wat vertaald Dorkas betekent. Deze was overvloedig in goede werken, en in liefdegaven die zij schonk. 36 En te Joppe was ene jongeres, genaamd Tabítha, hetwelk, vertaald zijnde, betekent Dorkas [Ree]; deze was vol van goede werken en aalmoezen, die zij deed. 36 Te Joppe nu woonde een leerlinge genaamd Tabitha--dit betekent Dorkas; zij deed veel goede werken en gaf overvloedig aalmoezen. 36 En er was te Joppe een discipelin, genaamd Tabita, hetgeen, vertaald, betekent Dorkas. Deze was overvloedig in goede werken en aalmoezen, die zij gaf. 36 In Joppa there was a disciple named Tabitha (in Greek her name is Dorcas); she was always doing good and helping the poor.
37 En het gebeurde in die dagen dat zij ziek werd en stierf; en toen men haar gewassen had, legde men haar in de bovenzaal. 37 En het geschiedde in dien tijd, dat zij krank werd en stierf; toen wiesen zij haar, en legden haar op de opperzaal. 37 In die dagen werd zij ziek en stierf; men wies haar en legde haar in een bovenkamer. 37 En het geschiedde in die dagen, dat zij ziek werd en stierf; en na haar gewassen te hebben, legde men haar in een bovenzaal. 37 About that time she became sick and died, and her body was washed and placed in an upstairs room.
38 En omdat Lydda vlakbij Joppe lag, stuurden de discipelen, toen zij hoorden dat Petrus daar was, twee mannen naar hem toe, die smeekten dat hij zonder uitstel naar hen toe zou komen. 38 Dewijl nu Lydda nabij Joppe was, en de jongeren hoorden, dat Petrus aldaar was, zonden zij twee mannen tot hem, en baden hem, dat hij niet vertoeven zou tot hen te komen. 38 Daar Lydda niet ver van Joppe was, zonden de leerlingen, toen zij hoorden dat Petrus daar was, twee mannen tot hem met het verzoek: Kom toch onverwijld tot ons. 38 En daar Lydda dicht bij Joppe lag, zonden de discipelen, toen zij hoorden, dat Petrus daar was, twee mannen tot hem met het verzoek: Kom zonder dralen tot ons. 38 Lydda was near Joppa; so when the disciples heard that Peter was in Lydda, they sent two men to him and urged him, “Please come at once!”
39 En Petrus stond op en ging met hen mee; en toen hij daar gekomen was, brachten zij hem in de bovenzaal. En alle weduwen stonden bij hem, terwijl zij huilden en de onder- en bovenkleding toonden die Dorkas gemaakt had toen zij nog bij hen was. 39 En Petrus stond op en ging met hen; en toen hij daar gekomen was, brachten zij hem naar de opperzaal, en al de weduwen traden rondom hem, en weenden, en toonden hem de rokken en klederen, die Dorkas maakte, toen zij bij haar was. 39 Petrus maakte zich op en ging met hen mee. Zodra hij aankwam, brachten zij hem in de bovenkamer. Daar gingen alle weduwen bij hem staan, wenend en de boven [kleren] en onderkleren tonend die Dorkas terwijl zij nog bij haar was gemaakt had. 39 En Petrus stond op en ging met hen mede. Toen hij daar aangekomen was, bracht men hem naar de bovenzaal en al de weduwen kwamen bij hem staan, en lieten hem onder tranen al de lijfrokken en mantels zien, die Dorkas, toen zij nog bij hen was, gemaakt had. 39 Peter went with them, and when he arrived he was taken upstairs to the room. All the widows stood around him, crying and showing him the robes and other clothing that Dorcas had made while she was still with them.
40 Maar nadat Petrus allen naar buiten had gestuurd, knielde hij neer en bad; en hij keerde zich naar het lichaam en zei: Tabitha, sta op! En zij deed haar ogen open en zodra zij Petrus zag, ging zij overeind zitten. 40 En toen Petrus hen allen weggezonden had, knielde hij neder en bad, en keerde zich tot het lichaam, en zeide: Tabítha, sta op! En zij deed hare ogen open, en toen zij Petrus zag, zat zij overeind. 40 Maar Petrus liet allen de kamer uitgaan, knielde neer en bad. Toen wendde hij zich naar het lijk en zeide: Tabitha, sta op. Zij opende de ogen en ging op het zien van Petrus overeindzitten. 40 Maar Petrus zond hen allen naar buiten en knielde neder en bad. En hij wendde zich tot het lichaam en zeide: Tabita, sta op! En zij opende haar ogen en zag Petrus en ging overeind zitten, 40 Peter sent them all out of the room; then he got down on his knees and prayed. Turning toward the dead woman, he said, “Tabitha, get up.” She opened her eyes, and seeing Peter she sat up.
41 En hij gaf haar de hand en hielp haar opstaan. Hij riep de heiligen en de weduwen en plaatste haar levend voor hen. 41 En hij gaf haar de hand en richtte haar op, en riep de heiligen en weduwen, en stelde haar levend Vóór hen. 41 Nu reikte hij haar de hand en liet haar opstaan. Toen riep hij de heiligen en de weduwen en stelde haar levend voor hen. 41 En hij gaf haar de hand en richtte haar op; toen riep hij de heiligen en de weduwen en stelde haar levend voor hen. 41 He took her by the hand and helped her to her feet. Then he called for the believers, especially the widows, and presented her to them alive.
42 En dit werd bekend in heel Joppe, en velen geloofden in de Heere. 42 En het werd bekend door geheel Joppe, en velen werden gelovig in den Heer. 42 Dit werd in geheel Joppe bekend, en velen werden gelovig in den Heer. 42 En het werd bekend door geheel Joppe en velen kwamen tot geloof in de Here. 42 This became known all over Joppa, and many people believed in the Lord.
43 En het gebeurde dat hij veel dagen in Joppe bleef, bij een zekere Simon, een leerlooier. 43 En het geschiedde, dat hij langen tijd te Joppe bleef bij een zekeren Simon, die een leerlooier was. 43 Nog geruimen tijd bleef Petrus in Joppe ten huize van zekeren Simon, een leerlooier. 43 En het geschiedde, dat hij verscheidene dagen te Joppe bleef bij een zekere Simon, een leerlooier. 43 Peter stayed in Joppa for some time with a tanner named Simon.