|
| 1 Na dezen vertrok Jezus over de zee van Galilea, welke is [de] [zee] van Tiberias. |
1 Daarna ging Jezus weg over de zee van Galiléa, of van Tiberias, |
1 Daarna vertrok Jezus naar de overzijde der zee van Galilea, die van Tiberias. |
1 Daarna vertrok Jezus naar de overzijde van de zee van Tiberias in Galilea. |
1 Some time after this, Jesus crossed to the far shore of the Sea of Galilee (that is, the Sea of Tiberias), |
| 2 En Hem volgde een grote schare, omdat zij Zijn tekenen zagen, die Hij deed aan de kranken. |
2 en veel volk trok hem na, omdat zij de tekenen zagen, die hij aan de kranken deed. |
2 Een grote schare volgde hem, omdat zij de wonderen die hij aan de zieken verrichtte zagen. |
2 En Hem volgde een grote schare, omdat zij de tekenen zagen, die Hij aan zieken verrichtte. |
2 and a great crowd of people followed him because they saw the signs he had performed by healing the sick. |
| 3 En Jezus ging op den berg, en zat aldaar neder met Zijn discipelen. |
3 En Jezus ging op een berg, en zette zich aldaar met zijne jongeren. |
3 Jezus beklom den berg en zette zich daar met zijn leerlingen neer. |
3 En Jezus ging de berg op en zat daar neder met zijn discipelen. |
3 Then Jesus went up on a mountainside and sat down with his disciples. |
| 4 En het pascha, het feest der Joden, was nabij. |
4 En het Pasen, het feest der Joden, was nabij. |
4 Het was kort voor Pasen, het feest der Joden. |
4 En het Pascha, het feest der Joden, was nabij. |
4 The Jewish Passover Festival was near. |
| 5 Jezus dan, de ogen opheffende, en ziende, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide tot Filippus: Van waar zullen wij broden kopen, opdat deze eten mogen? |
5 Toen hief Jezus zijne ogen op, en ziende, dat veel volk tot hem kwam, zeide hij tot Filippus: Waar kopen wij brood, opdat dezen eten mogen? |
5 Toen Jezus dan zijn ogen opsloeg en zag dat een talrijke schare tot hem kwam, zeide hij tot Filippus: Waar zullen wij brood kopen, zodat zij kunnen eten? |
5 Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide Hij tot Filippus: Waar zullen wij broden kopen, dat dezen kunnen eten |
5 When Jesus looked up and saw a great crowd coming toward him, he said to Philip, “Where shall we buy bread for these people to eat?” |
| 6 (Doch dit zeide Hij, hem beproevende; want Hij wist Zelf, wat Hij doen zou.) |
6 Doch dit zeide hij om hem te beproeven; want hij wist wel wat hij doen wilde. |
6 Dit zeide hij om hem op de proef te stellen; want zelf wist hij wat hij ging doen. |
6 Maar dit zeide Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist zelf, wat Hij doen zou. |
6 He asked this only to test him, for he already had in mind what he was going to do. |
| 7 Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd penningen brood is voor dezen niet genoeg, opdat een iegelijk van hen een weinig neme. |
7 Filippus antwoordde hem: Voor tweehonderd penningen brood is niet genoeg voor hen, opdat elk hunner een weinig neme. |
7 Filippus antwoordde hem: Voor twintig zilverlingen brood is niet genoeg om ieder van hen een klein stuk te geven. |
7 Filippus antwoordde Hem: Tweehonderd schellingen brood is voor dezen niet genoeg, als ieder een kleine hoeveelheid zal krijgen. |
7 Philip answered him, “It would take more than half a year’s wages to buy enough bread for each one to have a bite!” |
| 8 Een van Zijn discipelen, [namelijk] Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem: |
8 Een zijner jongeren, Andréas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot hem: |
8 Toen zeide een zijner leerlingen, Andreas, de broeder van Simon Petrus: |
8 Een van zijn discipelen, Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem: |
8 Another of his disciples, Andrew, Simon Peter’s brother, spoke up, |
| 9 Hier is een jongsken, dat vijf gerstebroden heeft, en twee visjes; maar wat zijn deze onder zo velen? |
9 Hier is een jongen, die vijf gerstebroden en twee vissen heeft; maar wat is dat onder zovelen? |
9 Hier is een jongen die vijf gerstebroden en twee vissen heeft; maar wat is dit voor zovelen? |
9 Hier is een jongen, die vijf gerstebroden en twee vissen heeft; maar wat betekent dit voor zovelen? |
9 “Here is a boy with five small barley loaves and two small fish, but how far will they go among so many?” |
| 10 En Jezus zeide: Doet de mensen nederzitten. En er was veel gras in die plaats. Zo zaten dan de mannen neder, omtrent vijf duizend in getal. |
10 Doch Jezus zeide: Doet het volk nederzitten. En er was veel gras op die plaats. Toen zetten zij zich neder, de mannen ten getale van omtrent vijf duizend. |
10 Jezus zeide: Laat de mensen zich neervlijen. Er was veel gras in die plaats. Zo vlijden zich de mannen neer, ongeveer vijfduizend in getal. |
10 Jezus zeide: Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. De mannen gingen dus zitten, ten getale van omstreeks vijfduizend. |
10 Jesus said, “Have the people sit down.” There was plenty of grass in that place, and they sat down (about five thousand men were there). |
| 11 En Jezus nam de broden, en gedankt hebbende, deelde Hij ze den discipelen, en de discipelen dengenen, die nedergezeten waren; desgelijks ook van de visjes, zoveel zij wilden. |
11 En Jezus nam de broden, dankte, en gaf ze aan de jongeren, en de jongeren aan degenen, die nedergezeten waren; desgelijks ook van de vissen, zoveel zij wilden. |
11 Nu nam Jezus de brooden, sprak er de dankzegging over uit en deelde ze uit aan hen die aanlagen; ook van de vissen zoveel zij wilden. |
11 Jezus dan nam de broden, dankte en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten. |
11 Jesus then took the loaves, gave thanks, and distributed to those who were seated as much as they wanted. He did the same with the fish. |
| 12 En als zij verzadigd waren, zeide Hij tot Zijn discipelen: Vergadert de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren ga. |
12 En toen zij verzadigd waren, zeide hij tot zijne jongeren: Vergadert de overgebleven brokken, opdat er niets verloren ga. |
12 Toen zij verzadigd waren, zeide hij tot zijn leerlingen: Verzamelt de overgeschoten brokken; opdat er niets van teloorga. |
12 En toen zij verzadigd waren, zeide Hij tot zijn discipelen: Verzamelt de overgebleven brokken, opdat niets verloren ga. |
12 When they had all had enough to eat, he said to his disciples, “Gather the pieces that are left over. Let nothing be wasted.” |
| 13 Zij vergaderden ze dan, en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, welke overgeschoten waren dengenen, die gegeten hadden. |
13 Toen vergaderden zij, en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, die overgebleven waren van degenen, die gegeten hadden. |
13 Zij zamelden ze dan op, en vulden twaalf korven met de brokken van de vijf gerstebroden, door de gespijzigden overgelaten. |
13 Zij verzamelden die dus en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, die overgeschoten waren, nadat men gegeten had. |
13 So they gathered them and filled twelve baskets with the pieces of the five barley loaves left over by those who had eaten. |
| 14 De mensen dan, gezien hebbende het teken, dat Jezus gedaan had, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet, Die in de wereld komen zou. |
14 Toen nu de mensen het teken zagen, dat Jezus gedaan had, zeiden zij: Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou. |
14 Toen de mensen het wonder dat hij verricht had zagen, zeiden zij: Dat is waarlijk de profeet die in de wereld komen zou! |
14 Toen dan de mensen zagen, welk teken Hij verricht had, zeiden zij: Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou. |
14 After the people saw the sign Jesus performed, they began to say, “Surely this is the Prophet who is to come into the world.” |
| 15 Jezus dan, wetende, dat zij zouden komen, en Hem met geweld nemen, opdat zij Hem Koning maakten, ontweek wederom op den berg, Hij Zelf alleen. |
15 Toen Jezus nu bemerkte, dat zij komen zouden, en hem met geweld meevoeren om hem koning te maken, ontweek hij wederom op den berg, hij zelf alleen. |
15 En Jezus, wetend dat zij zouden komen om hem met geweld koning te maken, ontweek hen en ging geheel alleen den berg op. |
15 Daar Jezus bemerkte, dat zij zouden komen en Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken, trok Hij Zich weder terug in het gebergte, geheel alleen. |
15 Jesus, knowing that they intended to come and make him king by force, withdrew again to a mountain by himself. |
| 16 En als het avond geworden was, gingen Zijn discipelen af naar de zee. |
16 Toen het nu avond geworden was, gingen de jongeren af naar de zee, |
16 Bij het vallen van den avond daalden zijn leerlingen naar de zee af, |
16 En toen het avond geworden was, gingen zijn discipelen naar de zee en begaven zich in een schip over de zee naar Kafarnaum. |
16 When evening came, his disciples went down to the lake, |
| 17 En in het schip gegaan zijnde, kwamen zij over de zee naar Kapernaum. En het was alrede duister geworden, en Jezus was tot hen niet gekomen. |
17 en traden in het schip, en kwamen over de zee naar Kapérnaüm. En het was alreeds duister geworden, en Jezus was niet tot hen gekomen; |
17 scheepten zich in en voeren de zee over naar Kapernaum. Het was reeds donker geworden, en Jezus was nog niet bij hen gekomen; |
17 En het was reeds donker geworden en Jezus was nog niet tot hen gekomen, |
17 where they got into a boat and set off across the lake for Capernaum. By now it was dark, and Jesus had not yet joined them. |
| 18 En de zee verhief zich, overmits er een grote wind waaide. |
18 en de zee verhief zich, dewijl er een sterke wind waaide. |
18 de zee was onstuimig, daar het hard woei. |
18 En de zee werd onstuimig, daar er een harde wind woei. |
18 A strong wind was blowing and the waters grew rough. |
| 19 En als zij omtrent vijf en twintig of dertig stadien gevaren waren, zagen zij Jezus, wandelende op de zee, en komende bij het schip; en zij werden bevreesd. |
19 Toen zij nu omtrent vijf en twintig of dertig stadiën ver geroeid hadden, zagen zij Jezus op de zee wandelen en nabij het schip komen; en zij vreesden. |
19 Toen zij ongeveer een uur ver waren gekomen, zagen zij Jezus op de zee gaan en het schip naderen. Zij werden zeer bevreesd; |
19 Toen zij dan vijfentwintig of dertig stadien hadden geroeid, zagen zij Jezus over de zee gaan en dicht bij het schip komen, en zij werden bevreesd. |
19 When they had rowed about three or four miles, they saw Jesus approaching the boat, walking on the water; and they were frightened. |
| 20 Maar Hij zeide tot hen: Ik ben het; zijt niet bevreesd. |
20 Maar hij zeide tot hen: Ik ben het, vreest niet. |
20 maar hij zeide tot hen: Ik ben het; vreest niet. |
20 Maar Hij zeide tot hen: Ik ben het, weest niet bevreesd. |
20 But he said to them, “It is I; don’t be afraid.” |
| 21 Zij hebben dan Hem gewilliglijk in het schip genomen; en terstond kwam het schip aan het land, daar zij naar toe voeren. |
21 Toen wilden zij hem in het schip nemen; en terstond was het schip aan het land, waarheen zij voeren. |
21 Toen zij hem dan in het vaartuig wilden opnemen, was het dadelijk aan land, juist daar waarheen zij wilden gaan. |
21 Zij wilden Hem dan in het schip nemen en terstond bereikte het schip het land, waar zij heengingen. |
21 Then they were willing to take him into the boat, and immediately the boat reached the shore where they were heading. |
| 22 Des anderen daags de schare, die aan de andere zijde der zee stond, ziende, dat aldaar geen ander scheepje was dan dat ene, daar Zijn discipelen ingegaan waren, en dat Jezus met Zijn discipelen in dat scheepje niet was gegaan, maar [dat] Zijn discipelen alleen weggevaren waren; |
22 Des anderen daags zag het volk, hetwelk aan de andere zijde der zee stond, dat aldaar geen ander schip was dan het ééne, waarin zijne jongeren getreden waren, en dat Jezus niet met zijne jongeren in dat schip getreden was, maar dat zijne jongeren alleen weggevaren waren. |
22 Den volgenden morgen zag de schare die aan de overzijde van het meer was gebleven dat daar geen ander vaartuig was dan een, en dat Jezus zich niet met zijn leerlingen ingescheept had, maar alleen zijn leerlingen waren vertrokken. |
22 De volgende dag zag de schare, die aan de andere zijde van de zee stond, dat daar geen ander scheepje was geweest dan een, en dat Jezus niet met zijn discipelen in dit schip gegaan was, maar dat zijn discipelen alleen waren weggevaren. |
22 The next day the crowd that had stayed on the opposite shore of the lake realized that only one boat had been there, and that Jesus had not entered it with his disciples, but that they had gone away alone. |
| 23 (Doch er kwamen andere scheepjes van Tiberias, nabij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden, als de Heere gedankt had.) |
23 Doch er kwamen andere schepen van Tibérias nabij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden na de dankzegging des Heren. |
23 Intussen kwamen vaartuigen van Tiberias dicht bij de plaats waar zij het brood, nadat Jezus er de dankzegging over uitgesproken had, hadden gegeten. |
23 Doch er kwamen andere scheepjes uit Tiberias bij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden, nadat de Here gedankt had. |
23 Then some boats from Tiberias landed near the place where the people had eaten the bread after the Lord had given thanks. |
| 24 Toen dan de schare zag, dat Jezus aldaar niet was, noch Zijn discipelen, zo gingen zij ook in de schepen, en kwamen te Kapernaum, zoekende Jezus. |
24 Toen nu het volk zag dat Jezus daar niet was, noch zijne jongeren, traden zij ook in de schepen, en kwamen te Kapérnaüm, en zochten Jezus. |
24 Toen dan de schare zag dat noch Jezus noch zijn leerlingen daar waren, gingen zij in die vaartuigen en voeren naar Kapernaum om Jezus te zoeken. |
24 Toen dan de schare zag, dat Jezus daar niet was en ook zijn discipelen niet, gingen ook zij in de scheepjes en kwamen te Kafarnaum om Jezus te zoeken. |
24 Once the crowd realized that neither Jesus nor his disciples were there, they got into the boats and went to Capernaum in search of Jesus. |
| 25 En als zij Hem gevonden hadden over de zee, zeiden zij tot Hem: Rabbi, wanneer zijt Gij hier gekomen? |
25 En toen zij hem vonden aan gene zijde der zee, zeiden zij tot hem: Rabbi, wanneer zijt gij hier gekomen? |
25 En toen zij hem aan de overzijde vonden, zeiden zij tot hem: Rabbi wanneer zijt gij hier gekomen? |
25 En toen zij Hem aan de overkant der zee vonden, zeiden zij tot Hem: Rabbi, wanneer zijt Gij hier gekomen? |
25 When they found him on the other side of the lake, they asked him, “Rabbi, when did you get here?” |
| 26 Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt, en verzadigd zijt. |
26 Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Gij zoekt mij niet, omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van het brood gegeten hebt en verzadigd zijt geworden. |
26 Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, gij zoekt mij, niet omdat gij wonderen hebt gezien, maar omdat gij van de brooden hebt gegeten en verzadigd zijt. |
26 Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt. |
26 Jesus answered, “Very truly I tell you, you are looking for me, not because you saw the signs I performed but because you ate the loaves and had your fill. |
| 27 Werkt niet [om] de spijs, die vergaat, maar [om] de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen ulieden geven zal; want Dezen heeft God de Vader verzegeld. |
27 Arbeidt niet om spijs, die vergankelijk is, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke des Mensen Zoon u geven zal; want dezen heeft God de Vader bezegeld. |
27 Werkt niet om de spijs die vergaat, maar om de spijs die tot het eeuwige leven blijft, die de Mensenzoon u zal geven; want op hem heeft de Vader zijn zegel gezet. |
27 Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt. |
27 Do not work for food that spoils, but for food that endures to eternal life, which the Son of Man will give you. For on him God the Father has placed his seal of approval.” |
| 28 Zij zeiden dan tot Hem: Wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken? |
28 Toen zeiden zij tot hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods werken? |
28 Zij zeiden tot hem: Wat moeten wij doen om Gode welgevallige werken te verrichten? |
28 Zij zeiden dan tot Hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken? |
28 Then they asked him, “What must we do to do the works God requires?” |
| 29 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, Dien Hij gezonden heeft. |
29 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is Gods werk, dat gij in dengene gelooft, dien Hij gezonden heeft. |
29 Jezus antwoordde hun: Dit is het Gode welgevallige werk: te geloven in hem dien Hij gezonden heeft. |
29 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft. |
29 Jesus answered, “The work of God is this: to believe in the one he has sent.” |
| 30 Zij zeiden dan tot Hem: Wat teken doet Gij dan, opdat wij het mogen zien, en U geloven? Wat werkt Gij? |
30 Toen zeiden zij tot hem: Wat teken doet gij dan, opdat wij het zien en u geloven? Wat werkt gij? |
30 Zij zeiden tot hem: Welk wonder doet gij dan, zodat wij het kunnen zien en in u geloven? Welk werk doet gij? |
30 Zij zeiden dan tot Hem: Wat voor teken doet Gij dan, opdat wij mogen zien en U geloven? Wat voor werk doet Gij? |
30 So they asked him, “What sign then will you give that we may see it and believe you? What will you do? |
| 31 Onze vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn; gelijk geschreven is: Hij gaf hun het brood uit den hemel te eten. |
31 Onze vaderen hebben manna gegeten in de woestijn, gelijk geschreven staat: "Hij gaf hun brood van den hemel te eten." |
31 Onze vaderen hebben in de woestijn het manna gegeten; zoals geschreven staat: Brood uit den hemel heeft Hij hun te eten gegeven. |
31 Onze vaderen hebben het manna in de woestijn gegeten, zoals geschreven is: Brood uit de hemel gaf Hij hun te eten. |
31 Our ancestors ate the manna in the wilderness; as it is written: ‘He gave them bread from heaven to eat.’ ” |
| 32 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Mozes heeft u niet gegeven het brood uit den hemel; maar Mijn Vader geeft u dat ware Brood uit den hemel. |
32 Toen zeide Jezus tot hen: Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Mozes heeft u geen brood van den hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood van den hemel; |
32 Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, Mozes heeft u het brood uit den hemel niet gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit den hemel; |
32 Jezus zeide dan tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel; |
32 Jesus said to them, “Very truly I tell you, it is not Moses who has given you the bread from heaven, but it is my Father who gives you the true bread from heaven. |
| 33 Want het Brood Gods is Hij, Die uit den hemel nederdaalt, en Die der wereld het leven geeft. |
33 want het brood Gods is dat, hetwelk uit den hemel komt en der wereld het leven geeft. |
33 want het brood Gods is dat hetwelk uit den hemel neerdaalt en aan de wereld het leven geeft. |
33 Want dat is het brood Gods, dat uit de hemel nederdaalt en aan de wereld het leven geeft. |
33 For the bread of God is the bread that comes down from heaven and gives life to the world.” |
| 34 Zij zeiden dan tot Hem: Heere, geef ons altijd dit Brood. |
34 Toen zeiden zij tot hem: Heer, geef ons altijd zulk brood. |
34 Toen zeiden zij tot hem: Heer, geef ons altijd dat brood. |
34 Zij zeiden dan tot Hem: Here, geef ons altijd dit brood. |
34 “Sir,” they said, “always give us this bread.” |
| 35 En Jezus zeide tot hen: Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. |
35 En Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot mij komt, dien zal niet hongeren; en wie in mij gelooft, dien zal nimmermeer dorsten. |
35 Jezus zeide tot hen: Ik ben het levensbrood; wie tot mij komt zal nooit meer hongeren, en wie in mij gelooft zal nooit meer dorsten. |
35 Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. |
35 Then Jesus declared, “I am the bread of life. Whoever comes to me will never go hungry, and whoever believes in me will never be thirsty. |
| 36 Maar Ik heb u gezegd, dat gij Mij ook gezien hebt, en gij gelooft niet. |
36 Maar ik heb u gezegd, dat gij mij gezien hebt, en gij gelooft toch niet. |
36 Maar ik zeide het u reeds: Gij hebt mij gezien en gelooft toch niet. |
36 Maar Ik heb u gezegd, dat gij niet gelooft, ook al hebt gij Mij gezien. |
36 But as I told you, you have seen me and still you do not believe. |
| 37 Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. |
37 Al wat mijn Vader mij geeft, dat komt tot mij; en wie tot mij komt, dien zal ik niet uitstoten. |
37 Alwat de Vader mij geeft zal tot mij komen, en hem die tot mij komt zal ik zeker niet uitwerpen; |
37 Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. |
37 All those the Father gives me will come to me, and whoever comes to me I will never drive away. |
| 38 Want Ik ben uit den hemel nedergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar den wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft. |
38 Want ik ben van den hemel gekomen, niet opdat ik mijnen wil zou doen, maar den wil desgenen, die mij gezonden heeft. |
38 want ik ben uit den hemel neergedaald niet om mijn wil maar om den wil van mijn Zender te doen. |
38 Want Ik ben van de hemel nedergedaald, niet om mijn wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft. |
38 For I have come down from heaven not to do my will but to do the will of him who sent me. |
| 39 En dit is de wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze, maar hetzelve opwekke ten uitersten dage. |
39 En dit is de wil des Vaders, die mij gezonden heeft, dat ik niets verlieze van al wat Hij mij gegeven heeft, maar dat ik het opwekke ten jongsten dage. |
39 En dit is de wil van mijn Zender dat ik van alwat Hij mij gegeven heeft niets verlieze maar het opwekke ten laatsten dage. |
39 En dit is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren late gaan, maar het opwekke ten jongsten dage. |
39 And this is the will of him who sent me, that I shall lose none of all those he has given me, but raise them up at the last day. |
| 40 En dit is de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk, die den Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. |
40 En dit is de wil desgenen die mij gezonden heeft, dat ieder, die den Zoon ziet en in hem gelooft, het eeuwige leven hebbe, en ik zal hem opwekken ten jongsten dage. |
40 Want dit is de wil van mijn Vader dat ieder die den Zoon aanschouwt en in hem gelooft het eeuwige leven hebbe, en ik zal hem ten laatsten dage opwekken. |
40 Want dit is de wil mijns Vaders, dat een ieder, die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven hebbe, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. |
40 For my Father’s will is that everyone who looks to the Son and believes in him shall have eternal life, and I will raise them up at the last day.” |
| 41 De Joden dan murmureerden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het Brood, Dat uit den hemel nedergedaald is. |
41 Toen murmureerden de Joden daarover, dat hij gezegd had: Ik ben het brood, dat van den hemel gekomen is; |
41 Toen mompelden de Joden over hem omdat hij zeide: Ik ben het brood dat uit den hemel is neergedaald-- |
41 De Joden dan morden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het brood, dat uit de hemel nedergedaald is, |
41 At this the Jews there began to grumble about him because he said, “I am the bread that came down from heaven.” |
| 42 En zij zeiden: Is deze niet Jezus, de Zoon van Jozef, Wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Deze dan: Ik ben uit den hemel nedergedaald? |
42 en zij zeiden: Is deze niet Jezus, Jozefs zoon, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt hij dan: Ik ben van den hemel gekomen? |
42 en zeiden: Is hij niet Jezus de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt hij nu: Ik ben uit den hemel neergedaald? |
42 En zij zeiden: Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Hij nu: Ik ben uit de hemel nedergedaald? |
42 They said, “Is this not Jesus, the son of Joseph, whose father and mother we know? How can he now say, ‘I came down from heaven’?” |
| 43 Jezus antwoordde dan, en zeide tot hen: Murmureert niet onder elkander. |
43 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Murmureert niet onder elkander. |
43 Jezus gaf hun ten antwoord: Mompelt niet onder elkander. |
43 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Mort niet onder elkander. |
43 “Stop grumbling among yourselves,” Jesus answered. |
| 44 Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. |
44 Niemand kan tot mij komen, tenzij dat de Vader, die mij gezonden heeft, hem trekke; en ik zal hem opwekken ten jongsten dage. |
44 Niemand kan tot mij komen tenzij de Vader, die mij gezonden heeft, hem trekke, en ik zal hem ten laatsten dage opwekken. |
44 Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. |
44 “No one can come to me unless the Father who sent me draws them, and I will raise them up at the last day. |
| 45 Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan, die [het] van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij. |
45 Er staat geschreven in de profeten: "Zij zullen allen van God geleerd zijn". Een ieder, die van den Vader hoort en leert, die komt tot mij. |
45 Er staat in de Profeten geschreven: En allen zullen van God geleerd zijn. leder die hoort en leert wat vanwege den Vader verkondigd wordt komt tot mij. |
45 Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen door God geleerd zijn. Een ieder, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij. |
45 It is written in the Prophets: ‘They will all be taught by God.’ Everyone who has heard the Father and learned from him comes to me. |
| 46 Niet dat iemand den Vader gezien heeft, dan Die van God is; Deze heeft den Vader gezien. |
46 Niet dat iemand den Vader gezien heeft, behalve die van God is; deze heeft den Vader gezien. |
46 Niet dat iemand den Vader gezien heeft. Dit heeft slechts hij die van God afkomstig is; die heeft den Vader gezien. |
46 Niet, dat iemand de Vader gezien heeft; alleen die van God komt, die heeft de Vader gezien. |
46 No one has seen the Father except the one who is from God; only he has seen the Father. |
| 47 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven. |
47 Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Wie in mij gelooft, die heeft het eeuwige leven. |
47 Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, wie gelooft heeft het eeuwige leven. |
47 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie gelooft, heeft eeuwig leven. |
47 Very truly I tell you, the one who believes has eternal life. |
| 48 Ik ben het Brood des levens. |
48 Ik ben het brood des levens. |
48 Ik ben het levensbrood. |
48 Ik ben het brood des levens. |
48 I am the bread of life. |
| 49 Uw vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn, en zij zijn gestorven. |
49 Uwe vaderen hebben manna gegeten in de woestijn, en zijn gestorven; |
49 Uw vaderen aten in de woestijn het manna en zijn gestorven. |
49 Uw vaderen hebben in de woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven; |
49 Your ancestors ate the manna in the wilderness, yet they died. |
| 50 Dit is het Brood, dat uit den hemel nederdaalt, opdat de mens daarvan ete, en niet sterve. |
50 dit is het brood, dat van den hemel komt, opdat wie daarvan eet niet sterve. |
50 Dit is het brood dat uit den hemel neerdaalt, opdat men daarvan ete en niet sterve. |
50 Dit is het brood, dat uit de hemel nederdaalt, opdat wie ervan eet, niet sterve. |
50 But here is the bread that comes down from heaven, which anyone may eat and not die. |
| 51 Ik ben dat levende Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. En het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld. |
51 Ik ben het levende brood, dat van den hemel gekomen is; wie van dit brood eten zal, die zal leven in eeuwigheid; en het brood, dat ik geven zal, is mijn vlees, hetwelk ik geven zal voor het leven der wereld. |
51 Ik ben het levende brood dat uit den hemel is neergedaald; als iemand van dit brood eet, zal hij in eeuwigheid leven. En het brood dat ik geven zal is mijn vlees, dat dient voor het leven der wereld. |
51 Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld. |
51 I am the living bread that came down from heaven. Whoever eats this bread will live forever. This bread is my flesh, which I will give for the life of the world.” |
| 52 De Joden dan streden onder elkander, zeggende: Hoe kan ons deze [Zijn] vlees te eten geven? |
52 Toen twistten de Joden onder elkander en zeiden: Hoe kan deze ons zijn vlees te eten geven? |
52 Nu twistten de Joden onder elkander: hoe kan hij ons zijn vlees te eten geven? |
52 De Joden dan streden onderling en zeiden: Hoe kan deze ons zijn vlees te eten geven? |
52 Then the Jews began to argue sharply among themselves, “How can this man give us his flesh to eat?” |
| 53 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelven. |
53 Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Tenzij dat gij eet het vlees van des Mensen Zoon, en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in u. |
53 Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, indien gij het vlees van den Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u. |
53 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. |
53 Jesus said to them, “Very truly I tell you, unless you eat the flesh of the Son of Man and drink his blood, you have no life in you. |
| 54 Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. |
54 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven, en ik zal hem ten jongsten dage opwekken; |
54 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt heeft het eeuwige leven, en ik zal hem ten laatsten dage opwekken. |
54 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. |
54 Whoever eats my flesh and drinks my blood has eternal life, and I will raise them up at the last day. |
| 55 Want Mijn vlees is waarlijk Spijs, en Mijn bloed is waarlijk Drank. |
55 want mijn vlees is de ware spijs, en mijn bloed is de ware drank. |
55 Want mijn vlees is waarlijk spijs en mijn bloed is waarlijk drank. |
55 Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank. |
55 For my flesh is real food and my blood is real drink. |
| 56 Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die blijft in Mij, en Ik in hem. |
56 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, die blijft in mij en ik in hem. |
56 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt blijft in mij en ik in hem. |
56 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. |
56 Whoever eats my flesh and drinks my blood remains in me, and I in them. |
| 57 Gelijkerwijs Mij de levende Vader gezonden heeft, en Ik leve door den Vader; [alzo] die Mij eet, dezelve zal leven door Mij. |
57 Gelijk de levende Vader mij gezonden heeft, en ik leef door den Vader, alzo, wie mij eet, die zal ook leven door mij. |
57 Zoals de levende Vader mij gezonden heeft en ik leef door den Vader, zo zal ook hij die mij eet door Mij leven. |
57 Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft en Ik leef door de Vader, zo zal ook hij, die Mij eet, leven door Mij. |
57 Just as the living Father sent me and I live because of the Father, so the one who feeds on me will live because of me. |
| 58 Dit is het Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; niet gelijk uw vaders het Manna gegeten hebben, en zijn gestorven. Die dit Brood eet, zal in der eeuwigheid leven. |
58 Dit is het brood dat van den hemel gekomen is; niet gelijk uwe vaderen manna gegeten hebben, en gestorven zijn. Wie dit brood eet, die zal leven in eeuwigheid. |
58 Dit is het uit den hemel neergedaalde brood, niet als bij de vaderen, die wel aten maar toch stierven; wie dit brood eet zal leven tot in eeuwigheid. |
58 Dit is het brood, dat uit de hemel nedergedaald is; niet gelijk de vaderen gegeten hebben en gestorven zijn; wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven. |
58 This is the bread that came down from heaven. Your ancestors ate manna and died, but whoever feeds on this bread will live forever.” |
| 59 Deze dingen zeide Hij in de synagoge, lerende te Kapernaum. |
59 Dit zeide hij in de synagoge, toen hij leerde te Kapérnaüm. |
59 Dit sprak hij toen hij in de synagoge te Kapernaum onderwijs gaf. |
59 Dit zeide Hij, lerende in de synagoge te Kafarnaum. |
59 He said this while teaching in the synagogue in Capernaum. |
| 60 Velen dan van Zijn discipelen, [dit] horende, zeiden: Deze rede is hard; wie kan dezelve horen? |
60 Velen nu van zijne jongeren, die dit hoorden, zeiden: Dit zijn harde woorden, wie kan ze horen? |
60 Op het horen hiervan zeiden vele zijner leerlingen: Dat woord is hard; wie kan dat aanhoren? |
60 Vele dan van zijn discipelen hoorden dit en zeiden: Deze rede is hard; wie kan haar aanhoren? |
60 On hearing it, many of his disciples said, “This is a hard teaching. Who can accept it?” |
| 61 Jezus nu, wetende bij Zichzelven, dat Zijn discipelen daarover murmureerden, zeide tot hen: Ergert ulieden dit? |
61 Toen nu Jezus bij zichzelven bemerkte, dat zijne jongeren daarover murmureerden, zeide hij tot hen: Ergert u dit? |
61 En Jezus, die wist dat zij daarover mompelden, zeide tot hen: Ergert u dit? |
61 Jezus nu wist bij Zichzelf, dat zijn discipelen hierover morden, en Hij zeide tot hen: Geeft u dit aanstoot? |
61 Aware that his disciples were grumbling about this, Jesus said to them, “Does this offend you? |
| 62 [Wat] [zou] [het] dan [zijn], zo gij den Zoon des mensen zaagt opvaren, daar Hij te voren was? |
62 Hoe wanneer gij dan des Mensen Zoon zult zien opvaren daarheen waar hij te voren was. |
62 Maar hoe zal het dan zijn wanneer gij den Mensenzoon daarheen ziet opstijgen waar hij vroeger was? |
62 Wat dan, indien gij de Zoon des mensen daarheen zaagt opvaren, waar Hij tevoren was? |
62 Then what if you see the Son of Man ascend to where he was before! |
| 63 De Geest is het, Die levend maakt; het vlees is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. |
63 De Geest is het, die levend maakt; het vlees heeft geen nut. De woorden, die ik tot u spreek, zijn geest en leven. |
63 De geest is dat wat leven brengt; het vlees is volstrekt onnut. De woorden die ik tot u gesproken heb zijn geest en zijn leven. |
63 De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven. |
63 The Spirit gives life; the flesh counts for nothing. The words I have spoken to you—they are full of the Spirit and life. |
| 64 Maar er zijn sommigen van ulieden, die niet geloven. Want Jezus wist van den beginne, wie zij waren, die niet geloofden, en wie hij was, die Hem verraden zou. |
64 Maar er zijn sommigen onder u, die niet geloven. Want Jezus wist van den beginne, wie niet geloofden, en wie hem verraden zou. |
64 Maar onder u zijn er die niet geloven. Want Jezus wist van den beginne af, wie het waren die niet geloofden en wie het was die hem zou overleveren. |
64 Maar er zijn sommigen onder u, die niet geloven. Want Jezus wist van den beginne, wie het waren, die niet geloofden, en wie het was, die Hem verraden zou. |
64 Yet there are some of you who do not believe.” For Jesus had known from the beginning which of them did not believe and who would betray him. |
| 65 En Hij zeide: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader. |
65 En hij zeide: Daarom heb ik u gezegd: Niemand kan tot mij komen, tenzij dat het hem gegeven zij van mijnen Vader. |
65 En hij zeide: Daarom heb ik u gezegd dat niemand tot mij komen kan tenzij het hem van den Vader gegeven is. |
65 En Hij zeide: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij het hem van de Vader gegeven zij. |
65 He went on to say, “This is why I told you that no one can come to me unless the Father has enabled them.” |
| 66 Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem. |
66 Van toen af gingen velen van zijne jongeren terug, en wandelden voortaan niet meer met hem. |
66 Van toen af trokken vele zijner leerlingen zich terug en bleven niet langer bij hem. |
66 Van toen af keerden vele van zijn discipelen terug en gingen niet langer met Hem mede. |
66 From this time many of his disciples turned back and no longer followed him. |
| 67 Jezus dan zeide tot de twaalven: Wilt gijlieden ook niet weggaan? |
67 Toen zeide Jezus tot de twaalve: Wilt gij ook niet weggaan? |
67 En Jezus zeide tot de Twaalve: Wilt ook gij niet heengaan? |
67 Jezus zeide dan tot de twaalven: Gij wilt toch ook niet weggaan? |
67 “You do not want to leave too, do you?” Jesus asked the Twelve. |
| 68 Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere, tot Wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. |
68 Doch Simon Petrus antwoordde hem: Heer, tot wien zouden wij heengaan? Gij hebt woorden des eeuwigen levens; |
68 Simon Petrus antwoordde: Heer, tot wien zouden wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven, |
68 Simon Petrus antwoordde Hem: Here, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven; |
68 Simon Peter answered him, “Lord, to whom shall we go? You have the words of eternal life. |
| 69 En wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. |
69 en wij hebben geloofd en erkend, dat gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. |
69 en wij geloven en erkennen dat gij Gods heilige zijt. |
69 En wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Heilige Gods. |
69 We have come to believe and to know that you are the Holy One of God.” |
| 70 Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u twaalf uitverkoren? En een uit u is een duivel. |
70 Jezus antwoordde hun: Heb ik niet u twaalve verkoren? En één van u is een duivel. |
70 Jezus antwoordde hun: Heb ik niet u, Twaalve, uitverkoren? En een uit u is een duivel. |
70 Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u twaalven uitgekozen? En een van u is een duivel. |
70 Then Jesus replied, “Have I not chosen you, the Twelve? Yet one of you is a devil!” |
| 71 En Hij zeide [dit] [van] Judas, Simons [zoon], Iskariot; want deze zou Hem verraden, zijnde een van de twaalven. |
71 Hij nu sprak van Judas, Simons zoon, Iskariot; want deze zou hem verraden, en was een van de twaalve. |
71 Hiermee bedoelde hij Judas den zoon van Simon van Iskariot; want die zou hem overleveren, een van de Twaalve. |
71 Hij bedoelde Judas, de zoon van Simon Iskariot; want die zou Hem verraden, een uit de twaalven. |
71 (He meant Judas, the son of Simon Iscariot, who, though one of the Twelve, was later to betray him.) |