Lucas 10
Louis Segond
© NBG
King James
BasisBijbel
© Leidse Vertaling
1 Après cela, le Seigneur désigna encore soixante-dix autres disciples, et il les envoya deux à deux devant lui dans toutes les villes et dans tous les lieux où lui-même devait aller. 1 Daarna wees de Here nog tweeenzeventig aan en Hij zond hen twee aan twee voor Zich uit naar alle steden en plaatsen, waar Hij zelf komen zou. 1 After these things the Lord appointed other seventy also, and sent them two and two before his face into every city and place, whither he himself would come. 1 Daarna wees de Heer Jezus nog 70 leerlingen aan. Hij stuurde hen twee aan twee voor Zich uit naar alle steden en plaatsen waar Hij Zelf nog zou komen. 1 Nadezen wees de Heer nog zeventig anderen aan en zond hen twee aan twee voor zich uit naar elke stad en plaats waar hij zelf komen zou.
2 Il leur dit: La moisson est grande, mais il y a peu d'ouvriers. Priez donc le maître de la moisson d'envoyer des ouvriers dans sa moisson. 2 En Hij zeide tot hen: De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. Bidt daarom de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders uitzende in zijn oogst. 2 Therefore said he unto them, The harvest truly [is] great, but the labourers [are] few: pray ye therefore the Lord of the harvest, that he would send forth labourers into his harvest. 2 Hij zei tegen hen: "De oogst is wel groot, maar er zijn te weinig arbeiders. Bid daarom tot de Heer van de oogst dat Hij arbeiders stuurt om de oogst binnen te halen. 2 Hij zeide tot hen: De oogst is wel groot, maar het getal der arbeiders is klein; bidt dan den Heer van den oogst arbeiders naar zijn oogst uit te zenden.
3 Partez; voici, je vous envoie comme des agneaux au milieu des loups. 3 Gaat heen, zie, Ik zend u als lammeren midden onder wolven. 3 Go your ways: behold, I send you forth as lambs among wolves. 3 Ga nu op weg. Jullie zullen zijn als schapen tussen de wolven. 3 Gaat heen; zie, ik zend u als lammeren te midden van wolven.
4 Ne portez ni bourse, ni sac, ni souliers, et ne saluez personne en chemin. 4 Draagt geen beurs of reiszak of sandalen, en groet niemand onderweg. 4 Carry neither purse, nor scrip, nor shoes: and salute no man by the way. 4 Neem geen geld of reistas of sandalen mee. Blijf niet staan praten onderweg. 4 Hebt geen geldbuidel bij u of reiszak of schoenen; groet niemand onderweg.
5 Dans quelque maison que vous entriez, dites d'abord: Que la paix soit sur cette maison! 5 Welk huis gij ook binnentreedt, zegt eerst: Vrede zij dezen huize. 5 And into whatsoever house ye enter, first say, Peace [be] to this house. 5 Als jullie een huis binnengaan, zeg dan eerst: 'Ik wens dit huis vrede toe.' 5 Komt gij een huis binnen, zegt eerst: Vrede over dit huis!
6 Et s'il se trouve là un enfant de paix, votre paix reposera sur lui; sinon, elle reviendra à vous. 6 En indien daar een zoon des vredes is, dan zal uw vrede op hem rusten, maar zo niet, dan zal hij tot u terugkeren. 6 And if the son of peace be there, your peace shall rest upon it: if not, it shall turn to you again. 6 Als de bewoner van dat huis jullie vrede waard is, zal jullie vrede over hem komen. Maar als hij jullie vrede niet waard is, zal jullie vrede bij jullie terugkomen. 6 Woont daar een man des vredes, dan zal uw vrede op hem rusten; zo niet, dan keert die tot u terug.
7 Demeurez dans cette maison-là, mangeant et buvant ce qu'on vous donnera; car l'ouvrier mérite son salaire. N'allez pas de maison en maison. 7 Blijft in dat huis, eet en drinkt wat men u geeft, want de arbeider is zijn loon waard. Gaat niet van het ene huis naar het andere. 7 And in the same house remain, eating and drinking such things as they give: for the labourer is worthy of his hire. Go not from house to house. 7 Blijf in het huis waar je binnen gaat, en eet en drink wat de mensen daar aan jullie geven. Want een arbeider wordt altijd beloond voor zijn werk. Ga niet steeds naar een ander huis. 7 Blijft in hetzelfde huis, eet en drinkt wat men er heeft; want de arbeider is zijn loon waard; gaat niet van het ene huis in het andere.
8 Dans quelque ville que vous entriez, et où l'on vous recevra, mangez ce qui vous sera présenté, 8 En als gij in een stad komt, waar men u ontvangt, eet wat u wordt voorgezet, 8 And into whatsoever city ye enter, and they receive you, eat such things as are set before you: 8 Als jullie in een stad komen waar de mensen naar jullie willen luisteren, eet dan wat de mensen jullie geven. 8 Komt gij in een stad waar men u ontvangt, eet wat men u voorzet,
9 guérissez les malades qui s'y trouveront, et dites-leur: Le royaume de Dieu s'est approché de vous. 9 En geneest de zieken, die er zijn, en zegt tot hen: Het Koninkrijk Gods is nabij u gekomen. 9 And heal the sick that are therein, and say unto them, The kingdom of God is come nigh unto you. 9 Genees er de zieken en zeg: 'Het Koninkrijk van God is bij jullie gekomen.' 9 geneest de zieken die daar zijn en zegt hun: Het Godsrijk is u nabij.
10 Mais dans quelque ville que vous entriez, et où l'on ne vous recevra pas, allez dans ses rues, et dites: 10 Maar als gij in een stad komt, waar men u niet ontvangt, gaat naar buiten op haar straten en zegt: 10 But into whatsoever city ye enter, and they receive you not, go your ways out into the streets of the same, and say, 10 Maar als jullie in een stad komen waar de mensen niet naar jullie willen luisteren, ga dan buiten op straat staan en zeg: 10 Maar als gij in een stad komt waar men u niet ontvangt, gaat dan op het plein daarvoor en zegt:
11 Nous secouons contre vous la poussière même de votre ville qui s'est attachée à nos pieds; sachez cependant que le royaume de Dieu s'est approché. 11 Ook het stof van uw stad, dat aan onze voeten kleeft wissen wij af tegen u; doch weet dit, dat het Koninkrijk Gods nabijgekomen is. 11 Even the very dust of your city, which cleaveth on us, we do wipe off against you: notwithstanding be ye sure of this, that the kingdom of God is come nigh unto you. 11 'Zelfs het stof van jullie stad dat aan onze voeten zit, kloppen we af, om jullie te waarschuwen voor jullie ongehoorzaamheid. Maar jullie moeten weten dat het Koninkrijk van God bij jullie is gekomen.' 11 Ook het stof uit uw stad dat aan onze voeten kleeft schudden wij af als een aanklacht tegen u; maar weet dit wel: Het Koninkrijk Gods is nabij!
12 Je vous dis qu'en ce jour Sodome sera traitée moins rigoureusement que cette ville-là. 12 Ik zeg u, dat het voor Sodom in die dag draaglijker zal zijn dan voor die stad. 12 But I say unto you, that it shall be more tolerable in that day for Sodom, than for that city. 12 Ik zeg jullie dat het voor Sodom en Gomorra op de laatste dag minder erg zal zijn dan voor díe stad. 12 Ik zeg u, het zal voor de inwoners van Sodom draaglijker zijn in dien dag dan voor die stad.
13 Malheur à toi, Chorazin! malheur à toi, Bethsaïda! car, si les miracles qui ont été faits au milieu de vous avaient été faits dans Tyr et dans Sidon, il y a longtemps qu'elles se seraient repenties, en prenant le sac et la cendre. 13 Wee u, Chorazin, wee u, Betsaida, want indien in Tyrus en Sidon die krachten waren geschied, welke in u geschied zijn, reeds lang zouden zij, in zak en as gezeten, zich bekeerd hebben. 13 Woe unto thee, Chorazin! woe unto thee, Bethsaida! for if the mighty works had been done in Tyre and Sidon, which have been done in you, they had a great while ago repented, sitting in sackcloth and ashes. 13 Pas maar op, Chorazin, en pas maar op, Betsaïda! Het zal slecht met jullie aflopen! Want als vroeger in Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd die nu in jullie zijn gebeurd, dan waren zij allang gaan leven zoals God het wil. 13 Wee u, Chorazin! wee u, Bethsaida! Want indien in Tyrus en Sidon de wonderen verricht waren die in u zijn verricht, zij zouden reeds lang zich in zak en asse neergezet en bekeerd hebben.
14 C'est pourquoi, au jour du jugement, Tyr et Sidon seront traitées moins rigoureusement que vous. 14 Doch het zal voor Tyrus en Sidon draaglijker zijn in het oordeel dan voor u. 14 But it shall be more tolerable for Tyre and Sidon at the judgment, than for you. 14 Het zal voor Tyrus en Sidon op de laatste dag minder erg zijn dan voor jullie, Chorazin en Betsaïda! 14 Nu zal het voor Tyrus en Sidon draaglijker zijn in het Oordeel dan voor u.
15 Et toi, Capernaüm, qui as été élevée jusqu'au ciel, tu seras abaissée jusqu'au séjour des morts. 15 En gij, Kafarnaum, zult gij tot de hemel verheven worden? Tot het dodenrijk zult gij nederdalen. 15 And thou, Capernaum, which art exalted to heaven, shalt be thrust down to hell. 15 En jij, Kapernaüm, zul jij tot in de hemel worden opgetild? Nee, je zal in het dodenrijk neerdalen! 15 En gij, Kapernaum, zijt gij niet ten hemel toe verhoogd? Gij zult ter onderwereld neerdalen.
16 Celui qui vous écoute m'écoute, et celui qui vous rejette me rejette; et celui qui me rejette rejette celui qui m'a envoyé. 16 Wie naar u hoort, hoort naar Mij; en wie u verwerpt, verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, verwerpt Hem, die Mij gezonden heeft. 16 He that heareth you heareth me; and he that despiseth you despiseth me; and he that despiseth me despiseth him that sent me. 16 Als mensen naar jullie luisteren, dan luisteren ze eigenlijk naar Mij. En als mensen niet naar jullie willen luisteren, dan willen ze eigenlijk niet naar Mij luisteren. En als mensen niet naar Mij willen luisteren, zijn ze eigenlijk ongehoorzaam aan Hem die Mij heeft gestuurd." 16 Wie u hoort hoort mij, en wie u verwerpt verwerpt mij, en wie mij verwerpt verwerpt mijn Zender.
17 Les soixante-dix revinrent avec joie, disant: Seigneur, les démons mêmes nous sont soumis en ton nom. 17 En de [twee] [en] zeventig zijn teruggekeerd met blijdschap en zeiden: Here, ook de boze geesten onderwerpen zich aan ons in uw naam. 17 And the seventy returned again with joy, saying, Lord, even the devils are subject unto us through thy name. 17 Na een poos kwamen de 70 leerlingen heel blij weer bij Jezus terug. En ze zeiden: "Heer, ook de duivelse geesten gehoorzamen ons in uw naam!" 17 Blijde keerden de zeventig terug en zeiden: Heer, ook de duivelen onderwierpen zich aan ons door uw naam.
18 Jésus leur dit: Je voyais Satan tomber du ciel comme un éclair. 18 En Hij zeide tot hen: Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen. 18 And he said unto them, I beheld Satan as lightning fall from heaven. 18 Jezus zei: "Ik zag de duivel als een bliksem uit de hemel vallen. 18 Hij zeide tot hen: Ik zag den Satan als een bliksemstraal uit den hemel schieten.
19 Voici, je vous ai donné le pouvoir de marcher sur les serpents et les scorpions, et sur toute la puissance de l'ennemi; et rien ne pourra vous nuire. 19 Zie, Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand; en niets zal u enig kwaad doen. 19 Behold, I give unto you power to tread on serpents and scorpions, and over all the power of the enemy: and nothing shall by any means hurt you. 19 Ik heb jullie de macht gegeven om slangen en schorpioenen te vertrappen. Ik heb jullie macht gegeven over het hele leger van de vijand. Niets zal jullie kwaad kunnen doen. 19 Zie, ik geef u de macht om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des Vijands; hij zal u geen schade doen.
20 Cependant, ne vous réjouissez pas de ce que les esprits vous sont soumis; mais réjouissez-vous de ce que vos noms sont écrits dans les cieux. 20 Evenwel, verheugt u niet hierover, dat de geesten zich aan u onderwerpen, maar verheugt u, dat uw namen staan opgetekend in de hemelen. 20 Notwithstanding in this rejoice not, that the spirits are subject unto you; but rather rejoice, because your names are written in heaven. 20 Maar wees er niet blij over dat de duivelse geesten jullie gehoorzamen. Wees er liever blij over dat jullie naam staat opgeschreven in de hemel." 20 Doch verheugt u niet daarover dat geesten zich aan u onderwerpen; verheugt u dat uw namen in den hemel zijn opgeschreven.
21 En ce moment même, Jésus tressaillit de joie par le Saint-Esprit, et il dit: Je te loue, Père, Seigneur du ciel et de la terre, de ce que tu as caché ces choses aux sages et aux intelligents, et de ce que tu les as révélées aux enfants. Oui, Père, je te loue de ce que tu l'as voulu ainsi. 21 Terzelfder tijd verblijdde Hij Zich door de Heilige Geest en zeide: Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U. 21 In that hour Jesus rejoiced in spirit, and said, I thank thee, O Father, Lord of heaven and earth, that thou hast hid these things from the wise and prudent, and hast revealed them unto babes: even so, Father; for so it seemed good in thy sight. 21 Op dat moment werd Jezus vol van de blijdschap van de Heilige Geest en juichte: "Vader, Heer van de hemel en van de aarde, Ik dank U dat U aan eenvoudige mensen bekend heeft gemaakt, wat U voor wijze en verstandige mensen geheim heeft gehouden! Ja Vader, zo heeft U het willen doen. 21 Te dier ure verheugde hij zich in heilige bezieling en zeide: Ik loof U, Vader, Heer van hemel en aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen en aan eenvoudigen geopenbaard hebt; ja, Vader, want zo was het uw welbehagen.
22 Toutes choses m'ont été données par mon Père, et personne ne connaît qui est le Fils, si ce n'est le Père, ni qui est le Père, si ce n'est le Fils et celui à qui le Fils veut le révéler. 22 Alle dingen zijn Mij overgegeven door mijn Vader en niemand weet, wie de Zoon is, dan de Vader, en wie de Vader is, dan de Zoon, en wie de Zoon het wil openbaren. 22 All things are delivered to me of my Father: and no man knoweth who the Son is, but the Father; and who the Father is, but the Son, and [he] to whom the Son will reveal [him]. 22 De Vader heeft Mij alles gegeven. En niemand weet wie de Zoon is, behalve de Vader. En niemand weet wie de Vader is, behalve de Zoon én de mensen aan wie de Zoon het bekend heeft gemaakt." 22 Alles is door mijn Vader in mijn handen gesteld, en niemand weet wie de Zoon is dan de Vader, en wie de Vader is dan de Zoon en hij wien de Zoon het wil openbaren.
23 Et, se tournant vers les disciples, il leur dit en particulier: Heureux les yeux qui voient ce que vous voyez! 23 En Zich afzonderlijk tot de discipelen wendende, zeide Hij: Zalig de ogen, die zien, wat gij ziet. 23 And he turned him unto [his] disciples, and said privately, Blessed [are] the eyes which see the things that ye see: 23 Daarna zei Hij tegen de leerlingen: "Het is heerlijk voor jullie dat jullie dit allemaal mogen zien. 23 Toen zich alleen tot zijn leerlingen wendend, zeide hij: Zalig de ogen die zien wat gij ziet;
24 Car je vous dis que beaucoup de prophètes et de rois ont désiré voir ce que vous voyez, et ne l'ont pas vu, entendre ce que vous entendez, et ne l'ont pas entendu. 24 Want Ik zeg u: Vele profeten en koningen hebben willen zien, wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien, en horen, wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord. 24 For I tell you, that many prophets and kings have desired to see those things which ye see, and have not seen [them]; and to hear those things which ye hear, and have not heard [them]. 24 Want Ik zeg jullie: veel profeten en koningen hebben willen zien wat jullie zien, maar ze hebben het niet gezien. En ze hebben willen horen wat jullie horen, maar ze hebben het niet gehoord." 24 want ik zeg u dat vele profeten en koningen hebben willen zien wat gij ziet, maar zij zagen het niet, en hebben willen horen wat gij hoort, maar zij hoorden het niet.
25 Un docteur de la loi se leva, et dit à Jésus, pour l'éprouver: Maître, que dois-je faire pour hériter la vie éternelle? 25 En zie, een wetgeleerde stond op om Hem te verzoeken en zeide: Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beerven? 25 And, behold, a certain lawyer stood up, and tempted him, saying, Master, what shall I do to inherit eternal life? 25 Er stond een wetgeleerde op die Jezus met een strikvraag in de val wilde laten lopen. Hij zei: "Meester, wat moet Ik doen om het eeuwige leven te krijgen?" 25 Daar trad een wetgeleerde op om hem op de proef te stellen; hij zeide: Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beerven?
26 Jésus lui dit: Qu'est-il écrit dans la loi? Qu'y lis-tu? 26 En Hij zeide tot hem: Wat staat in de wet geschreven? Hoe leest gij? 26 He said unto him, What is written in the law? how readest thou? 26 Jezus zei tegen hem: "Wat staat er in de wet van Mozes? Wat lees je daar?" 26 Hij zeide tot hem: Wat staat in de wet geschreven? Wat leest gij daar?
27 Il répondit: Tu aimeras le Seigneur, ton Dieu, de tout ton coeur, de toute ton âme, de toute ta force, et de toute ta pensée; et ton prochain comme toi-même. 27 Hij antwoordde en zeide: Gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met geheel uw verstand, en uw naaste als uzelf. 27 And he answering said, Thou shalt love the Lord thy God with all thy heart, and with all thy soul, and with all thy strength, and with all thy mind; and thy neighbour as thyself. 27 Hij antwoordde: "Houd van je Heer God met je hele hart en je hele ziel en alles wat je hebt en je hele verstand. En houd ook net zoveel van je broeders als van jezelf." 27 Hij gaf ten antwoord: Gij zult den Heer uw God liefhebben van ganser harte en met uw gehele ziel, al uw macht en al uw verstand, en uw naaste als uzelf.
28 Tu as bien répondu, lui dit Jésus; fais cela, et tu vivras. 28 En Hij zeide tot hem: Gij hebt juist geantwoord; doe dat en gij zult leven. 28 And he said unto him, Thou hast answered right: this do, and thou shalt live. 28 Jezus zei tegen hem: "Je hebt een goed antwoord gegeven. Doe dat, dan zul je leven." 28 En hij zeide tot hem: Goed geantwoord. Doe dat; dan zult gij leven.
29 Mais lui, voulant se justifier, dit à Jésus: Et qui est mon prochain? 29 Maar hij wilde zich rechtvaardigen en zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste? 29 But he, willing to justify himself, said unto Jesus, And who is my neighbour? 29 Maar hij deed alsof hij wilde uitleggen waarom hij Hem dat gevraagd had. Daarom zei hij tegen Jezus: "Maar wíe zijn dan mijn broeders?" 29 Maar om zich te rechtvaardigen zeide hij tot Jezus: En wie is mijn naaste?
30 Jésus reprit la parole, et dit: Un homme descendait de Jérusalem à Jéricho. Il tomba au milieu des brigands, qui le dépouillèrent, le chargèrent de coups, et s'en allèrent, le laissant à demi mort. 30 Daarop hernam Jezus en zeide: Een zeker mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho en viel in de handen van rovers, die hem niet alleen uitschudden, maar ook slagen gaven en weggingen, terwijl zij hem halfdood lieten liggen. 30 And Jesus answering said, A certain [man] went down from Jerusalem to Jericho, and fell among thieves, which stripped him of his raiment, and wounded [him], and departed, leaving [him] half dead. 30 Jezus antwoordde: "Er reisde eens een man van Jeruzalem naar Jericho. Onderweg werd hij overvallen door rovers. Ze sloegen hem halfdood en beroofden hem van alles wat hij had. Daarna gingen ze weg en lieten hem zo liggen. 30 Waarop Jezus hernam: Eens reisde zeker mens van Jeruzalem naar Jericho en viel in handen van rovers. Die schudden hem uit, sloegen hem deerlijk en lieten hem toen zij heengingen, halfdood liggen.
31 Un sacrificateur, qui par hasard descendait par le même chemin, ayant vu cet homme, passa outre. 31 Bij geval daalde een priester af langs die weg; en deze zag hem, doch ging aan de overzijde voorbij. 31 And by chance there came down a certain priest that way: and when he saw him, he passed by on the other side. 31 Er reisde toevallig ook een priester langs die weg. Hij zag de man wel liggen, maar liep met een boog om hem heen. 31 Toevallig kwam een priester dien weg langs; hij zag hem, maar ging voorbij.
32 Un Lévite, qui arriva aussi dans ce lieu, l'ayant vu, passa outre. 32 Evenzo ging ook een Leviet langs die plaats, en hij zag hem en ging aan de overzijde voorbij. 32 And likewise a Levite, when he was at the place, came and looked [on him], and passed by on the other side. 32 Daarna kwam er een tempeldienaar langs, maar ook hij liep met een boog om hem heen. 32 Desgelijks een Leviet; hij kwam op die plaats, zag hem, en ging voorbij.
33 Mais un Samaritain, qui voyageait, étant venu là, fut ému de compassion lorsqu'il le vit. 33 Doch een Samaritaan, die op reis was, kwam in zijn nabijheid, en toen hij hem zag, werd hij met ontferming bewogen. 33 But a certain Samaritan, as he journeyed, came where he was: and when he saw him, he had compassion [on him], 33 Daarna kwam er een man uit Samaria langs. Toen hij dichtbij was gekomen en hem zag, kreeg hij medelijden met hem. 33 Maar een Samaritaan die op reis was kwam ook daarlangs, zag hem en werd innerlijk bewogen;
34 Il s'approcha, et banda ses plaies, en y versant de l'huile et du vin; puis il le mit sur sa propre monture, le conduisit à une hôtellerie, et prit soin de lui. 34 En hij ging naar hem toe, verbond zijn wonden, goot er olie en wijn op; en hij zette hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en verzorgde hem. 34 And went to [him], and bound up his wounds, pouring in oil and wine, and set him on his own beast, and brought him to an inn, and took care of him. 34 Hij ging naar hem toe en verzorgde de wonden met olijf-olie en wijn. Daarna verbond hij hem, zette hem op zijn ezel en bracht hem naar een herberg. Daar verzorgde hij hem verder. 34 hij ging naar hem toe, verbond zijn wonden en goot er olie en wijn op; daarna hief hij hem op zijn eigen lastdier, voerde hem naar een herberg en verpleegde hem.
35 Le lendemain, il tira deux deniers, les donna à l'hôte, et dit: Aie soin de lui, et ce que tu dépenseras de plus, je te le rendrai à mon retour. 35 En de volgende dag stelde hij de waard twee schellingen ter hand en zeide: Verzorg hem en mocht gij meer kosten hebben, dan zal ik ze u vergoeden, op mijn terugreis. 35 And on the morrow when he departed, he took out two pence, and gave [them] to the host, and said unto him, Take care of him; and whatsoever thou spendest more, when I come again, I will repay thee. 35 De volgende dag gaf hij de herbergier twee zilverstukken en zei tegen hem: 'Zorg voor deze man. En als zijn verzorging méér kost, dan zal ik je dat betalen wanneer ik terugkom.' 35 Den volgenden dag nam hij twee zilverlingen, gaf ze aan den waard en zeide: Verpleeg hem, en wat gij wellicht meer aan hem te koste legt, dat geef ik u terug wanneer ik weerkeer.
36 Lequel de ces trois te semble avoir été le prochain de celui qui était tombé au milieu des brigands? 36 Wie van deze drie dunkt u, dat de naaste geweest is van de man, die in handen der rovers was gevallen? 36 Which now of these three, thinkest thou, was neighbour unto him that fell among the thieves? 36 Wat denk je. Wie van deze drie mensen is nu een broeder geweest voor de man die door de rovers was overvallen?" 36 Wie van die drie is naar uw mening de naaste geweest van den man die in de handen der rovers viel?
37 C'est celui qui a exercé la miséricorde envers lui, répondit le docteur de la loi. Et Jésus lui dit: Va, et toi, fais de même. 37 Hij zeide: Die hem barmhartigheid bewezen heeft. En Jezus zeide tot hem: Ga heen, doe gij evenzo. 37 And he said, He that shewed mercy on him. Then said Jesus unto him, Go, and do thou likewise. 37 De wetgeleerde antwoordde: "De man die goed voor hem is geweest." Jezus zei tegen hem: "Ga, en doe hetzelfde." 37 Hij zeide: Die hem barmhartigheid bewezen heeft. Jezus zeide tot hem: Ga ook gij desgelijks doen.
38 Comme Jésus était en chemin avec ses disciples, il entra dans un village, et une femme, nommée Marthe, le reçut dans sa maison. 38 Terwijl zij op reis waren, kwam Hij in een zeker dorp. En een vrouw, Marta geheten, ontving Hem in haar huis. 38 Now it came to pass, as they went, that he entered into a certain village: and a certain woman named Martha received him into her house. 38 Onderweg naar Jeruzalem kwam Jezus ergens in een dorp. Daar vroeg een vrouw, Marta, Hem om bij haar thuis te komen eten. 38 Op hun reis kwam hij eens in zeker dorp, waar een vrouw, Martha geheten hem in haar huis ontving.
39 Elle avait une soeur, nommée Marie, qui, s'étant assise aux pieds du Seigneur, écoutait sa parole. 39 En deze had een zuster, genaamd Maria, die, aan de voeten des Heren gezeten, naar zijn woord luisterde. 39 And she had a sister called Mary, which also sat at Jesus' feet, and heard his word. 39 Marta had een zus, Maria. Maria ging naar Jezus zitten luisteren. 39 Zij had een zuster, Maria genaamd; die zette zich aan de voeten van den Heer neer en luisterde naar zijn woorden.
40 Marthe, occupée à divers soins domestiques, survint et dit: Seigneur, cela ne te fait-il rien que ma soeur me laisse seule pour servir? Dis-lui donc de m'aider. 40 Marta echter werd in beslag genomen door het vele bedienen. En zij ging bij Hem staan en zeide: Here, trekt Gij het U niet aan, dat mijn zuster mij alleen laat dienen? Zeg haar dan, dat zij mij komt helpen. 40 But Martha was cumbered about much serving, and came to him, and said, Lord, dost thou not care that my sister hath left me to serve alone? bid her therefore that she help me. 40 Maar Marta had het druk met het bedienen van Jezus. En ze ging naar Jezus toe en zei: "Heer, vindt U het dan helemaal niet erg dat mijn zus mij al het werk alleen laat doen? Zeg haar alstublieft dat ze me moet komen helpen!" 40 Martha daarentegen, die ijverig in de weer was met velerlei dienstbetoon, ging er bij staan en zeide: Heer, trekt gij het u niet aan dat mijn zuster het bedienen aan mij overlaat? Zeg haar dan mij te helpen.
41 Le Seigneur lui répondit: Marthe, Marthe, tu t'inquiètes et tu t'agites pour beaucoup de choses. 41 Maar de Here antwoordde en zeide tot haar: Marta, Marta, gij maakt u bezorgd en druk over vele dingen, 41 And Jesus answered and said unto her, Martha, Martha, thou art careful and troubled about many things: 41 Maar de Heer Jezus antwoordde haar: "Marta, Marta, jij maakt je bezorgd en druk over allerlei dingen. 41 Maar de Heer gaf haar ten antwoord: Martha, Martha, gij bekommert u en geeft u moeite voor velerlei;
42 Une seule chose est nécessaire. Marie a choisi la bonne part, qui ne lui sera point ôtée. 42 Maar weinige zijn nodig of slechts een; want Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat van haar niet zal worden weggenomen. 42 But one thing is needful: and Mary hath chosen that good part, which shall not be taken away from her. 42 Maar eigenlijk is er maar één ding nodig. Maria heeft het goede gekozen. Dat zal haar niet worden afgenomen." 42 er is slechts weinig nodig, of slechts een ding. Maria dan heeft het beste deel uitgekozen, dat haar niet ontnomen zal worden.