Mattheüs 5
© Herziene Statenvertaling
© Lutherse Vertaling
© Leidse Vertaling
© NBG
New International Version
1 Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op, en nadat Hij was gaan zitten, kwamen Zijn discipelen bij Hem. 1 Toen hij nu het volk zag, ging hij op een berg en zette zich neder; en zijne jongeren traden tot hem. 1 Toen Jezus de scharen zag, beklom hij den berg, en toen hij zich had neergezet, kwamen zijn leerlingen tot hem. 1 Toen Hij nu de scharen zag, ging Hij de berg op en nadat Hij Zich had nedergezet, kwamen zijn discipelen tot Hem. 1 Now when Jesus saw the crowds, he went up on a mountainside and sat down. His disciples came to him,
2 En Hij opende Zijn mond en onderwees hen. Hij zei: 2 En hij deed zijnen mond open, en leerde hen en zeide: 2 Nu opende hij den mond en leerde hun aldus: 2 En Hij opende zijn mond en leerde hen, zeggende: 2 and he began to teach them. He said:
3 Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen. 3 Zalig zijn de geestelijk armen, want hunner is het hemelrijk. 3 Zalig de geestelijk armen; want hunner is het Koninkrijk der hemelen. 3 Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen. 3 “Blessed are the poor in spirit, for theirs is the kingdom of heaven.
4 Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden. 4 Zalig zijn wie rouwdragen, want zij zullen getroost worden. 4 Zalig de treurenden; want zij zullen vertroost worden. 4 Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden. 4 Blessed are those who mourn, for they will be comforted.
5 Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven. 5 Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven. 5 Zalig de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beerven. 5 Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beerven. 5 Blessed are the meek, for they will inherit the earth.
6 Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. 6 Zalig zijn wie hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. 6 Zalig de hongerenden en dorstenden naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden. 6 Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. 6 Blessed are those who hunger and thirst for righteousness, for they will be filled.
7 Zalig zijn de barmhartigen, want aan hen zal barmhartigheid bewezen worden. 7 Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid vinden. 7 Zalig de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid bewezen worden. 7 Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden. 7 Blessed are the merciful, for they will be shown mercy.
8 Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien. 8 Zalig zijn de reinen van harte, want zij zullen God zien. 8 Zalig de reinen van hart; want zij zullen God zien. 8 Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien. 8 Blessed are the pure in heart, for they will see God.
9 Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen Gods kinderen genoemd worden. 9 Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen Gods kinderen heten. 9 Zalig de vredestichters; want zij zullen kinderen Gods genoemd worden. 9 Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden. 9 Blessed are the peacemakers, for they will be called children of God.
10 Zalig zijn zij die vervolgd worden om de gerechtigheid, want van hen is het Koninkrijk der hemelen. 10 Zalig zijn wie om de gerechtigheid vervolgd worden, want hunner is het hemelrijk. 10 Zalig zij die om hun godsvrucht vervolgd worden; want hunner is het Koninkrijk der hemelen. 10 Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen. 10 Blessed are those who are persecuted because of righteousness, for theirs is the kingdom of heaven.
11 Zalig bent u als men u smaadt en vervolgt, en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt, omwille van Mij. 11 Zalig zijt gij, als de mensen u om mijnentwil smaden en vervolgen, en allerlei kwaad tegen u spreken, maar daarin liegen. 11 Zalig zijt gij wanneer men om mijnentwil u smaadt, vervolgt en allerlei valse beschuldigingen tegen u inbrengt. 11 Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil. 11 “Blessed are you when people insult you, persecute you and falsely say all kinds of evil against you because of me.
12 Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen, want zo hebben ze de profeten vervolgd die er vóór u geweest zijn. 12 Zijt vrolijk en blijmoedig, omdat uw loon groot zal zijn in den hemel; want zo hebben zij vervolgd de profeten, die Vóór u geweest zijn. 12 Verheugt en verblijdt u; want uw loon is groot in de hemelen; zo toch heeft men de profeten die voor u geleefd hebben vervolgd. 12 Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten voor u vervolgd. 12 Rejoice and be glad, because great is your reward in heaven, for in the same way they persecuted the prophets who were before you.
13 U bent het zout van de aarde; maar als het zout zijn smaak verloren heeft, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt te worden. 13 Gij zijt het zout der aarde. Zo nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal men het zouten? Het deugt verder nergens meer toe, dan om naar buiten geworpen en door de mensen vertreden te worden. 13 Gij zijt het zout der aarde: maar wanneer het zout smakeloos is geworden, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden. 13 Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden. 13 “You are the salt of the earth. But if the salt loses its saltiness, how can it be made salty again? It is no longer good for anything, except to be thrown out and trampled underfoot.
14 U bent het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen zijn. 14 Gij zijt het licht der wereld. Ene stad, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. 14 Gij zijt het licht der wereld. Een stad die boven op een berg ligt kan niet verborgen zijn. 14 Gij zijt het licht der wereld. Een stad, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. 14 “You are the light of the world. A town built on a hill cannot be hidden.
15 En ook steekt men geen lamp aan en zet die onder de korenmaat, maar op de standaard, en hij schijnt voor allen die in het huis zijn. 15 Men steekt ook geen licht aan en zet het onder een korenmaat, maar op een kandelaar; zo schijnt het voor allen, die in het huis zijn. 15 Ook steekt men geen lamp aan en zet die onder een koornmaat, maar men zet haar op een luchter; dan schijnt ze voor allen die in het huis zijn. 15 Ook steekt men geen lamp aan en zet haar onder de korenmaat, maar op de standaard, en zij schijnt voor allen, die in het huis zijn. 15 Neither do people light a lamp and put it under a bowl. Instead they put it on its stand, and it gives light to everyone in the house.
16 Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken. 16 Laat Alzó uw licht lichten voor de mensen, opdat zij uwe goede werken zien, en uwen Vader in den hemel prijzen. 16 Schijne zo uw licht voor de mensen; opdat zij uw goede werken zien en uw Vader die in de hemelen is verheerlijken. 16 Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken. 16 In the same way, let your light shine before others, that they may see your good deeds and glorify your Father in heaven.
17 Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen. 17 Gij moet niet menen, dat ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden: ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. 17 Meent niet dat ik gekomen ben om Wet en Profeten af te breken; ik ben niet gekomen om af te breken, maar om aan te vullen. 17 Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. 17 “Do not think that I have come to abolish the Law or the Prophets; I have not come to abolish them but to fulfill them.
18 Want, voorwaar, Ik zeg u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is. 18 Want voorwaar ik zeg u: Totdat hemel en aarde voorbijgaan, zal niet de kleinste letter noch één tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal geschied zijn. 18 Want voorwaar, ik zeg u, voordat hemel en aarde vergaan zijn zal niet een jota of tittel vergaan uit de Wet, neen, niet voordat het einde aller dingen daar is. 18 Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet een jota of een tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied. 18 For truly I tell you, until heaven and earth disappear, not the smallest letter, not the least stroke of a pen, will by any means disappear from the Law until everything is accomplished.
19 Wie dan een van deze geringste geboden afschaft en de mensen zo onderwijst, zal de geringste genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar wie ze doet en onderwijst, die zal groot genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen. 19 Wie nu één der kleinste geboden ontbindt, en den mensen alzo leert, die zal de kleinste zijn in het hemelrijk; maar wie ze doet en leert, die zal groot heten in het hemelrijk. 19 Wie dan een dezer minste geboden afschaft en in dien geest de mensen onderwijst zal de minste heten in het Koninkrijk der hemelen; maar wie ze volbrengt en anderen voorhoudt, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen. 19 Wie dan een van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen. 19 Therefore anyone who sets aside one of the least of these commands and teaches others accordingly will be called least in the kingdom of heaven, but whoever practices and teaches these commands will be called great in the kingdom of heaven.
20 Want Ik zeg u: Als uw gerechtigheid niet overvloediger is dan die van de schriftgeleerden en de Farizeeën, zult u het Koninkrijk der hemelen beslist niet binnengaan. 20 Want ik zeg u: Tenzij uwe gerechtigheid beter zij dan die der schriftgeleerden en Farizeën, zult gij niet in het hemelrijk komen. 20 Want ik zeg u, dat, indien uw gerechtigheid niet overvloediger is dan die der schriftgeleerden en Farizeen, gij het Koninkrijk der hemelen niet zult ingaan. 20 Want Ik zeg u: Indien uw gerechtigheid niet overvloedig is, meer dan die der schriftgeleerden en Farizeeen, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan. 20 For I tell you that unless your righteousness surpasses that of the Pharisees and the teachers of the law, you will certainly not enter the kingdom of heaven.
21 U hebt gehoord dat tegen de ouden gezegd is: U zult niet doden; en: Wie doodt, zal door de rechtbank schuldig bevonden worden. 21 Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: "Gij zult niet doden; maar wie doodt, zal voor het gericht schuldig zijn". 21 Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doodslaan en dat hij die doodslaat zal veroordeeld worden door het gericht. 21 Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doodslaan; en: Wie doodslag pleegt, zal vervallen aan het gerecht. 21 “You have heard that it was said to the people long ago, ‘You shall not murder,
22 Maar Ik zeg u: Al wie ten onrechte boos is op zijn broeder, zal schuldig bevonden worden door de rechtbank. En al wie tegen zijn broeder zegt: Raka! zal schuldig bevonden worden door de Raad; maar al wie zegt: Dwaas! die zal schuldig bevonden worden tot het helse vuur. 22 Doch ík zeg u: Wie op zijnen broeder toornig is, is voor het gericht schuldig; en wie tot zijnen broeder zegt: Raka! is voor den raad schuldig; maar wie zegt: Gij dwaas! die verdient het helse vuur. 22 Maar ik zeg u dat ieder die op zijn broeder toornig wordt een vonnis van het gericht heeft verdiend, en dat wie tot zijn broeder Leeghoofd! zegt voor den Groten Raad moet komen, en dat wie Dwaas! zegt het hellevuur verdient. 22 Maar Ik zeg u: Een ieder, die in toorn leeft tegen zijn broeder, zal vervallen aan het gerecht. Wie tot zijn broeder zegt: Leeghoofd, zal vervallen aan de Hoge Raad, en wie zegt: Dwaas, zal vervallen aan het hellevuur.  
23 Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, 23 Daarom, als gij uwe gave op het altaar offert, en aldaar indachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft, 23 Wanneer gij dan uw gave naar het altaar brengt en het u daar tebinnenschiet dat uw broeder iets tegen u heeft, 23 Wanneer gij dan uw gave brengt naar het altaar en u daar herinnert, dat uw broeder iets tegen u heeft,  
24 laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave. 24 zo laat uwe gave aldaar voor het altaar, en ga heen en verzoen u eerst met uwen broeder, en kom dàn en offer uwe gave. 24 laat dan uw gave daar liggen voor het altaar, ga u eerst met uw broeder verzoenen en kom dan uw gave brengen. 24 Laat uw gave daar, voor het altaar, en ga eerst heen, verzoen u met uw broeder en kom en offer daarna uw gave.  
25 Stel u zo snel mogelijk welwillend op tegenover uw tegenpartij, terwijl u nog met hem onderweg bent; opdat de tegenpartij u niet misschien aan de rechter overlevert en de rechter u aan de gerechtsdienaar overlevert en u in de gevangenis geworpen wordt. 25 Versta u tijdig met uw tegenpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt, opdat uw tegenpartij u niet misschien overlevere aan den rechter, en de rechter u overlevere aan den dienaar en gij in den kerker geworpen wordt. 25 Haast u welwillend te zijn voor uw tegenpartij, terwijl gij nog met hem onderweg zijt; anders levert uw tegenpartij u wellicht aan den rechter over, de rechter aan den gerechtsdienaar, en wordt gij in de gevangenis geworpen. 25 Wees vriendelijk jegens uw tegenpartij, tijdig, terwijl gij nog met hem onderweg zijt, opdat uw tegenpartij u niet aan de rechter overlevere en de rechter aan zijn dienaar en gij in de gevangenis wordt geworpen.  
26 Voorwaar, Ik zeg u: U zult daar beslist niet uitkomen, voordat u de laatste kwadrant betaald hebt. 26 Voorwaar, ik zeg u: Gij zult daar niet uitkomen, totdat gij zelfs den laatsten penning zult betaald hebben. 26 Waarlijk, ik zeg u, gij komt er niet uit voordat gij den laatsten penning betaald hebt. 26 Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar voorzeker niet uitkomen, voordat gij de laatste penning hebt betaald.  
27 U hebt gehoord dat tegen het voorgeslacht gezegd is: U zult geen overspel plegen. 27 Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: "Gij zult geen overspel doen". 27 Gij hebt gehoord dat gezegd is: Gij zult geen overspel doen. 27 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult niet echtbreken.  
28 Maar Ik zeg u dat al wie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, in zijn hart al overspel met haar gepleegd heeft. 28 Maar ík zeg u: Wie ene vrouw aanziet om haar te begeren, heeft alreeds overspel met haar bedreven in zijn hart. 28 Maar ik zeg u dat ieder die met begerige ogen een vrouw aanziet reeds in zijn hart overspel met haar bedreven heeft. 28 Maar Ik zeg u: Een ieder, die een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd.  
29 Als dan uw rechteroog u doet struikelen, ruk het uit en werp het van u weg, want het is beter voor u dat een van uw lichaamsdelen te gronde gaat en niet heel uw lichaam in de hel geworpen wordt. 29 Indien uw rechteroog u ergert, zo trek het uit en werp het van u. Het is u beter, dat één uwer leden verderft, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen wordt. 29 Indien uw rechteroog u ten valstrik is, ruk het uit en werp het weg; beter dat een uwer leden teloorgaat dan dat uw gehele lichaam in de hel geworpen wordt. 29 Indien dan uw rechteroog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit en werp het van u, want het is beter voor u, dat een uwer leden verloren ga en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.  
30 En als uw rechterhand u doet struikelen, hak hem af en werp hem van u weg, want het is beter voor u dat een van uw lichaamsdelen te gronde gaat en niet heel uw lichaam in de hel geworpen wordt. 30 En indien uw rechterhand u ergert, zo houw ze af en werp ze van u. Het is u beter, dat één uwer leden verderft, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen wordt. 30 En als uw rechterhand u ten valstrik is, kap ze af en werp ze weg; beter dat een uwer leden teloorgaat dan dat uw gehele lichaam ter helle vaart. 30 En indien uw rechterhand u tot zonde zou verleiden, houw haar af en werp haar van u; want het is beter voor u, dat een uwer leden verloren ga en niet uw gehele lichaam ter helle vare.  
31 Er is ook gezegd: Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een echtscheidingsbrief geven. 31 Er is ook gezegd: "Wie zich van zijne vrouw afscheidt, zal haar een scheidbrief geven". 31 Ook is gezegd: Wie zijn vrouw verstoot geve haar een scheidbrief. 31 Er is ook gezegd: Al wie zijn vrouw wegzendt, moet haar een scheidbrief geven.  
32 Maar Ik zeg u dat wie zijn vrouw verstoot om een andere reden dan hoererij, maakt dat zij overspel pleegt; en wie met de verstotene trouwt, pleegt ook overspel. 32 Maar ík zeg u: Wie zich van zijne vrouw afscheidt, tenzij dan om overspel, die maakt, dat zij overspel doet; en wie ene gescheidene vrouw trouwt, die doet overspel. 32 Maar ik zeg u: ieder die zijn vrouw verstoot, tenzij wegens hoererij, maakt dat zij overspel pleegt, en wie de verstotene huwt pleegt overspel. 32 Maar Ik zeg u: Een ieder, die zijn vrouw wegzendt om een andere reden dan ontucht, maakt, dat er echtbreuk met haar gepleegd wordt; en al wie een weggezondene trouwt, pleegt echtbreuk.  
33 Verder hebt u gehoord dat tegen de ouden gezegd is: U zult de eed niet breken, maar u zult voor de Heere uw eden houden. 33 Voorts hebt gij gehoord, dat tot de ouden gezegd is: "Gij zult niet trouweloos zweren, maar gij zult den Heer uwen eed houden". 33 Voorts hebt gij gehoord dat tot de ouden gezegd is: Gij zult geen valsen eed doen, maar den Heer uw eeden houden. 33 Wederom hebt gij gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult uw eed niet breken, doch aan de Here uw eden gestand doen.  
34 Maar Ik zeg u: Zweer in het geheel niet, niet bij de hemel, want dat is de troon van God; 34 Maar ík zeg u: Zweert in het geheel niet; noch bij den hemel, want hij is Gods troon; 34 Maar ik zeg u volstrekt niet te zweren, noch bij den hemel want hij is Gods troon, 34 Maar Ik zeg u, in het geheel niet te zweren: bij de hemel niet, omdat hij de troon van God is;  
35 niet bij de aarde, want dat is de voetbank van Zijn voeten; en ook niet bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote Koning. 35 noch bij de aarde, want zij is zijne voetbank; noch bij Jeruzalem, want zij is de stad des groten Konings; 35 noch bij de aarde want zij is zijn voetbank, noch bij Jeruzalem want het is de stad des groten Konings; 35 Bij de aarde niet, omdat zij de voetbank zijner voeten is; bij Jeruzalem niet, omdat het de stad van de grote Koning is;  
36 Ook bij uw hoofd mag u niet zweren, want u kunt niet één haar wit of zwart maken; 36 ook zult gij niet zweren bij uw hoofd, want gij vermoogt niet één haar wit of zwart te maken. 36 zweer ook bij uw hoofd niet; want gij kunt niet een haar wit of zwart maken. 36 Ook bij uw hoofd zult gij niet zweren, omdat gij niet een haar wit kunt maken of zwart.  
37 laat uw woord ja echter ja zijn en uw nee nee; wat hierboven uitgaat, is uit de boze. 37 Maar uw woord zij: ja, ja; neen, neen: wat daarboven gaat is van den boze. 37 Uw woord zij: Ja, ja, neen, neen; wat daar bovenuitgaat is uit den Boze. 37 Laat het ja, dat gij zegt, ja zijn, en het neen, neen; wat daar bovenuit gaat, is uit den boze.  
38 U hebt gehoord dat er gezegd is: Oog voor oog en tand voor tand. 38 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: "Oog om oog, tand om tand". 38 Gij hebt gehoord dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand. 38 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Oog om oog en tand om tand.  
39 Ik zeg u echter dat u geen weerstand moet bieden aan de boze; maar wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe; 39 Maar ík zeg u: Gij zult den bozen [mens] niet wederstaan; maar zo iemand u een slag geeft op uwe rechter wang, bied dien ook de andere, 39 Maar ik zeg u den boze niet te weerstaan; maar wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe; 39 Maar Ik zeg u, de boze niet te weerstaan, doch wie u een slag geeft op de rechterwang, keer hem ook de andere toe;  
40 en als iemand u voor het gerecht wil dagen en uw onderkleding nemen, geef hem dan ook het bovenkleed; 40 en zo iemand met u wil rechten en uwen rok nemen, laat dien ook den mantel; 40 en als iemand u voor het gerecht daagt om uw onderkleed te krijgen, laat hem het bovenkleed er bij; 40 En wil iemand met u rechten en uw hemd nemen, laat hem ook uw mantel;  
41 en wie u zal dwingen één mijl te gaan, ga er twee met hem. 41 en zo iemand u dwingt om ééne mijl te gaan, zo ga er twee met hem. 41 prest iemand u voor een mijl, ga twee met hem mee. 41 En zal iemand u voor een mijl pressen, ga er twee met hem.  
42 Geef aan hem die iets van u vraagt, en keer u niet af van hem die van u lenen wil. 42 Geef dengeen die u bidt, en keer u niet af van dengeen die van u lenen wil. 42 Geef aan wie u iets verzoekt en keer u niet af van wie u iets te leen vraagt. 42 Geef hem, die van u vraagt, en wijs hem niet af, die van u lenen wil.  
43 U hebt gehoord dat er gezegd is: U moet uw naaste liefhebben en uw vijand moet u haten. 43 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: "Gij zult uwen naaste liefhebben en uwen vijand haten". 43 Gij hebt gehoord dat gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand haten. 43 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten.  
44 Maar Ik zeg u: Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en bid voor hen die u beledigen en u vervolgen; 44 Maar ík zeg u: Hebt uwe vijanden lief, zegent die u vloeken, doet wèl dengenen die u haten, bidt voor degenen die u leed aandoen en u vervolgen; 44 Maar ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor uw vervolgers; 44 Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen,  
45 zodat u kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 45 opdat gij kinderen zijt uws Vaders in den hemel; want Hij laat zijne zon opgaan over bozen en goeden, en laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 45 opdat gij zonen van uw Vader in de hemelen zijn moogt; want Hij doet zijn zon opgaan over bozen en goeden en geeft regen over rechtschapenen en goddelozen. 45 Opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is; want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.  
46 Want als u hen liefhebt die u liefhebben, wat voor loon hebt u dan? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? 46 Want indien gij liefhebt die u liefhebben, wat loon zult gij hebben? Doen niet ook de tollenaars hetzelfde? 46 Immers, indien gij liefhebt wie u liefhebben, welke aanspraak op loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? 46 Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat voor loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?  
47 En als u alleen uw broeders groet, wat doet u meer dan anderen? Doen ook de tollenaars niet zo? 47 En indien gij u jegens uwe broeders alleen vriendelijk toont, wat doet gij buitengewoons? Doen niet ook de heidenen alzo? 47 En indien gij alleen uw broeders groet, wat bijzonders doet gij dan? Doen ook de heidenen niet hetzelfde? 47 En indien gij alleen uw broeders groet, waarin doet gij meer dan het gewone? Doen ook de heidenen niet hetzelfde?  
48 Weest u dan volmaakt, zoals uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is. 48 Daarom weest gij volkomen, gelijk uw Vader in den hemel volkomen is. 48 Weest gij dan volmaakt, zoals uw hemelse Vader volmaakt is. 48 Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is.