|
| 1 En Hij riep Zijn twaalf discipelen bij Zich en gaf hun macht over de onreine geesten om die uit te drijven, en om iedere ziekte en elke kwaal te genezen. |
1 En hij riep zijne twaalf jongeren tot zich, en gaf hun macht over de onreine geesten, om ze uit te drijven, en allerlei ziekte en allerlei kwaal te genezen. |
1 Hij riep dan zijn twaalf leerlingen tot zich en gaf hun de macht over onreine geesten, zodat zij ze konden uitwerpen en om allerlei ziekten en kwalen te genezen. |
1 En Hij riep zijn twaalf discipelen tot Zich en gaf hun macht over onreine geesten om die uit te drijven en om alle ziekte en alle kwaal te genezen. |
1 Jesus called his twelve disciples to him and gave them authority to drive out impure spirits and to heal every disease and sickness. |
| 2 De namen nu van de twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon die Petrus genoemd werd, en Andreas, zijn broer; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer; |
2 De namen nu der twaalf apostelen zijn deze: De eerste Simon, genaamd Petrus, en Andréas, zijn broeder; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broeder; |
2 De namen nu der twaalf apostelen zijn: vooreerst Simon, ook Petrus genaamd, en zijn broeder Andreas, Jacobus de zoon van Zebedeus en zijn broeder Johannes, |
2 En dit zijn de namen van de twaalf apostelen: vooreerst Simon, genaamd Petrus, en Andreas, zijn broeder; en Jakobus, de zoon van Zebedeus, en Johannes, zijn broeder; |
2 These are the names of the twelve apostles: first, Simon (who is called Peter) and his brother Andrew; James son of Zebedee, and his brother John; |
| 3 Filippus en Bartholomeüs; Thomas en Mattheüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs, die ook Thaddeüs genoemd werd; |
3 Filippus en Bartholomeüs, Thomas en Mattheüs de tollenaar, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs, met den toenaam Thaddeüs; |
3 Filippus en Bartholomeus, Thomas en Mattheüs, de tollenaar, Jacobus de zoon van Alfeus, Thaddeus, |
3 Filippus en Bartolomeus; Tomas en Matteus, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeus en Taddeus; |
3 Philip and Bartholomew; Thomas and Matthew the tax collector; James son of Alphaeus, and Thaddaeus; |
| 4 Simon Kananites en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft. |
4 Simon van Kana, en Judas Iskariot, die hem verried. |
4 Simon de Kananeer en Judas van Iskariot, die hem ook overgeleverd heeft. |
4 Simon de Zeloot en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft. |
4 Simon the Zealot and Judas Iscariot, who betrayed him. |
| 5 Deze twaalf zond Jezus uit en Hij gebood hun: U zult u niet op weg begeven naar de heidenen en u zult geen enkele stad van de Samaritanen binnengaan, |
5 Deze twaalf zond Jezus uit, en gebood hun en zeide: Gaat niet op den weg der heidenen, en trekt niet in de steden der Samaritanen; |
5 Deze twaalf zond Jezus uit met den volgenden last: Gaat niet naar heidenen en treedt geen stad der Samaritanen binnen, |
5 Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden en Hij gebood hun, zeggende: Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; |
5 These twelve Jesus sent out with the following instructions: “Do not go among the Gentiles or enter any town of the Samaritans. |
| 6 maar ga liever naar de verloren schapen van het huis van Israël. |
6 maar gaat in de eerste plaats tot de verloren schapen van het huis Israëls. |
6 maar gaat veeleer naar de verdwaalde schapen van het huis Israel. |
6 Begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israels. |
6 Go rather to the lost sheep of Israel. |
| 7 En als u op weg gaat, predik dan: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. |
7 En gaat heen en predikt, zeggende: Het hemelrijk is nabij gekomen. |
7 Gaat en verkondigt dat het Koninkrijk der hemelen nabij is. |
7 Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. |
7 As you go, proclaim this message: ‘The kingdom of heaven has come near.’ |
| 8 Genees zieken, reinig melaatsen, wek doden op, drijf demonen uit. U hebt het voor niets ontvangen, geef het voor niets. |
8 Maakt de kranken gezond, reinigt de melaatsen, wekt de doden op, drijft de duivelen uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het ook om niet. |
8 Geneest zieken, wekt doden op, reinigt "melaatsen, werpt duivelen uit. Om niet hebt gij het ontvangen, om niet moet gij het geven. |
8 Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet. |
8 Heal the sick, raise the dead, cleanse those who have leprosy, drive out demons. Freely you have received; freely give. |
| 9 Voorzie u niet van goud of zilver of kopergeld in uw gordels, |
9 Gij zult geen goud, noch zilver, noch koper in uwe gordels hebben, |
9 Neemt goud, zilver noch koper in uw gordel mee, |
9 Voorziet u niet van goud of zilver of koper in uw gordels, |
9 “Do not get any gold or silver or copper to take with you in your belts— |
| 10 of van een reiszak voor onderweg of twee stel onderkleren of sandalen of een staf. Want de arbeider is zijn voedsel waard. |
10 geen reiszak op den weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijne spijs waardig. |
10 noch een reiszak, noch twee stuks onderkleren, geen schoenen of staf; want de arbeider heeft recht op zijn onderhoud. |
10 Van geen reiszak voor onderweg, geen twee hemden, geen sandalen, geen staf, want de arbeider is zijn voedsel waard. |
10 no bag for the journey or extra shirt or sandals or a staff, for the worker is worth his keep. |
| 11 Welke stad of welk dorp u ook zult binnenkomen, onderzoek wie het daarin waard is; en blijf daar, totdat u weer vertrekt. |
11 En in wat stad of vlek gij komt, zo onderzoekt of iemand aldaar het waardig is, en blijft bij dien, tot gij van daar trekt. |
11 Komt gij in een stad of dorp, onderzoekt, wie daarin waard is u te ontvangen, en blijft bij hem totdat gij vertrekt. |
11 Welke stad of welk dorp gij ook binnenkomt, onderzoekt wie het daarin waard is, en blijft daar tot uw vertrek. |
11 Whatever town or village you enter, search there for some worthy person and stay at their house until you leave. |
| 12 En als u een huis binnengaat, begroet het dan. |
12 En als gij in een huis gaat, zo groet het. |
12 Bij het binnentreden van dat huis moet gij het groeten; |
12 Als gij het huis binnentreedt, geeft het de vredegroet; |
12 As you enter the home, give it your greeting. |
| 13 En als dat huis het waard is, laat dan uw vrede erover komen, maar als het dat niet waard is, laat dan uw vrede tot u terugkeren. |
13 En indien dat huis het waardig is, zo zal uw vrede daarover komen; maar indien 't het niet waardig is, zo zal uw vrede weder tot u keren. |
13 is het achtenswaard, dan kome uw vredegroet op dat huis; zo niet, dan kere uw groet tot u terug. |
13 En indien het huis het waard is, zo kome uw vrede daarover; doch indien niet, zo kere uw vrede tot u terug. |
13 If the home is deserving, let your peace rest on it; if it is not, let your peace return to you. |
| 14 En als iemand u niet ontvangt en niet naar uw woorden luistert, vertrek dan uit dat huis of die stad en schud het stof van uw voeten. |
14 En indien iemand u niet zal aannemen, noch naar uwe woorden horen, zo gaat uit dat huis of uit die stad, en schudt het stof van uwe voeten. |
14 Waar gij niet ontvangen wordt en men niet naar uw woorden luistert, gaat dan heen en schudt, buiten dat huis of die stad gekomen, het stof van uw voeten af. |
14 En indien iemand u niet ontvangt of uw woorden niet hoort, verlaat dat huis of die stad en schudt het stof uwer voeten af. |
14 If anyone will not welcome you or listen to your words, leave that home or town and shake the dust off your feet. |
| 15 Voorwaar, Ik zeg u: Het zal voor het land van Sodom en Gomorra verdraaglijker zijn op de dag van het oordeel dan voor die stad. |
15 Voorwaar, ik zeg u: Het zal het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn ten dage des oordeels dan die stad. |
15 Voorwaar, zeg ik u, het zal op den Oordeelsdag voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn dan voor die stad. |
15 Voorwaar, Ik zeg u, het zal voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn in de dag des oordeels dan voor die stad. |
15 Truly I tell you, it will be more bearable for Sodom and Gomorrah on the day of judgment than for that town. |
| 16 Zie, Ik zend u als schapen te midden van de wolven; wees dus bedachtzaam als de slangen en oprecht als de duiven. |
16 Zie, ik zend u als schapen midden onder de wolven; daarom zijt voorzichtig gelijk de slangen, en zonder, valschheid gelijk de duiven. |
16 Zie, ik zend u als schapen onder wolven; weest dan omzichtig als de slangen en argeloos als de duiven. |
16 Zie, Ik zend u als schapen midden onder wolven; weest dan voorzichtig als slangen en argeloos als duiven. |
16 “I am sending you out like sheep among wolves. Therefore be as shrewd as snakes and as innocent as doves. |
| 17 Maar wees op uw hoede voor de mensen, want zij zullen u overleveren aan raadsvergaderingen, en in hun synagogen zullen zij u geselen. |
17 Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren aan hunne rechtbanken, en zullen u geeselen in hunne synagogen; |
17 Wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren aan de gerechtshoven en geeselen in hun synagogen; |
17 Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren aan de gerechtshoven en zij zullen u geselen in hun synagogen; |
17 Be on your guard; you will be handed over to the local councils and be flogged in the synagogues. |
| 18 En u zult ook voor stadhouders en koningen geleid worden omwille van Mij, tot een getuigenis voor hen en de heidenen. |
18 en men zal u voor vorsten en koningen leiden om mijnentwil, hun en den heidenen tot ene getuigenis. |
18 voor stadhouders en koningen zult gij gevoerd worden om mijnentwil om voor hen en de heidenen getuigenis af te leggen. |
18 Gij zult ook geleid worden voor stadhouders en koningen om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen en voor de volken. |
18 On my account you will be brought before governors and kings as witnesses to them and to the Gentiles. |
| 19 Maar wanneer zij u overleveren, moet u niet bezorgd zijn hoe of wat u spreken moet, want het zal u op dat moment gegeven worden wat u spreken moet. |
19 Doch wanneer zij u overleveren, zo weest niet bezorgd, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in die ure gegeven worden, wat gij spreken zult; |
19 Wanneer men u overlevert, weest er dan niet bezorgd over, hoe of wat gij spreken zult; want te dier ure zal u ingegeven worden wat gij moet zeggen; |
19 Wanneer zij u overleveren, maakt u dan niet bezorgd, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in die ure gegeven worden wat gij spreken moet; |
19 But when they arrest you, do not worry about what to say or how to say it. At that time you will be given what to say, |
| 20 Want u bent het niet die spreekt, maar de Geest van uw Vader, Die in u spreekt. |
20 want gij zijt het niet die spreekt, maar het is de Geest uws Vaders, die door u spreekt. |
20 immers, gij zijt het niet die spreekt, maar het is de Geest mijns Vaders die door u spreekt. |
20 Want gij zijt het niet, die spreekt, doch het is de Geest uws Vaders, die in u spreekt. |
20 for it will not be you speaking, but the Spirit of your Father speaking through you. |
| 21 De ene broer zal de andere broer overleveren om gedood te worden, en de vader het kind, en de kinderen zullen tegen de ouders opstaan en hen doden. |
21 En de ene broeder zal den anderen tot den dood overleveren, en de vader den zoon; en de kinderen zullen opstaan tegen hunne ouders, en hen ter dood brengen. |
21 De ene broeder zal den anderen ten dode overleveren, een vader zijn kind, en kinderen zullen tegen hun ouders opstaan en hen doden. |
21 Een broeder zal zijn broeder overleveren ten dode en een vader zijn kind, en kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood brengen. |
21 “Brother will betray brother to death, and a father his child; children will rebel against their parents and have them put to death. |
| 22 En u zult door allen gehaat worden omwille van Mijn Naam; maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. |
22 En gij zult gehaat worden door iedereen om mijns naams wil; maar wie volhardt tot het einde, die zal zalig worden. |
22 En gij zult door allen gehaat worden omdat gij mijn naam draagt; maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. |
22 En gij zult door allen gehaat worden om mijns naams wil; maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. |
22 You will be hated by everyone because of me, but the one who stands firm to the end will be saved. |
| 23 Wanneer ze u in de ene stad vervolgen, vlucht dan naar de andere, want voorwaar, Ik zeg u: U zult uw rondgang door de steden van Israël niet geëindigd hebben, voordat de Zoon des mensen gekomen is. |
23 Wanneer zij u dan in de ene stad vervolgen, zo vliedt naar de andere. Voorwaar, ik zeg u: Gij zult met de steden van Israël niet ten einde wezen, als des Mensen Zoon zal gekomen zijn. |
23 Wanneer men u dan vervolgt in de ene stad, vlucht naar een andere; want voorwaar, zeg ik u, gij zult de steden van Israel niet ten einde zijn of de Mensenzoon is gekomen. |
23 Wanneer men u vervolgt in deze stad, vlucht naar de andere; want voorwaar, Ik zeg u, gij zult niet alle steden van Israel zijn rondgekomen, voordat de Zoon des mensen komt. |
23 When you are persecuted in one place, flee to another. Truly I tell you, you will not finish going through the towns of Israel before the Son of Man comes. |
| 24 De discipel staat niet boven de meester en de slaaf niet boven zijn heer. |
24 De jonger is niet boven zijnen meester, noch de knecht boven zijnen heer. |
24 Een leerling is niet meer dan zijn leermeester, een slaaf niet meer dan zijn heer; |
24 Een discipel staat niet boven zijn meester, of een slaaf boven zijn heer. |
24 “The student is not above the teacher, nor a servant above his master. |
| 25 Het moet genoeg zijn voor de discipel dat hij wordt zoals zijn meester, en dat de slaaf wordt zoals zijn heer. Als ze de Heere van het huis Beëlzebul genoemd hebben, hoeveel te meer Zijn huisgenoten! |
25 Het zij den jonger genoeg, dat hij gelijk zijn meester, en den knecht, dat hij gelijk zijn heer is. Hebben zij den huisvader Beëlzebub geheten, hoeveel temeerzullen zij zijne huisgenoten zo noemen! |
25 voor een leerling is het genoeg dat het hem gaat als zijn leermeester, en voor een slaaf als zijn heer. Noemden zij den heer des huizes Beelzebul, hoeveel te meer zijn huisgenoten! |
25 Het is genoeg voor de discipel te worden als zijn meester, en voor de slaaf als zijn heer. Indien men aan de heer des huizes de naam Beelzebul heeft gegeven, hoeveel te meer aan zijn huisgenoten! |
25 It is enough for students to be like their teachers, and servants like their masters. If the head of the house has been called Beelzebul, how much more the members of his household! |
| 26 Wees dus niet bevreesd voor hen, want er is niets bedekt wat niet geopenbaard zal worden, en er is niets verborgen wat niet bekend zal worden. |
26 Daarom, vreest niet voor hen; want er is niets verborgen, dat niet openbaar zal worden, en niets geheim, dat men niet weten zal. |
26 Vreest hen dan niet; want er is niets bedekt dat niet ontdekt zal worden, niets verborgen dat niet zal worden geweten. |
26 Vreest hen dan niet, want er is niets bedekt, of het zal geopenbaard worden en verborgen, of het zal bekend worden. |
26 “So do not be afraid of them, for there is nothing concealed that will not be disclosed, or hidden that will not be made known. |
| 27 Wat Ik u zeg in het duister, zeg het in het licht; en wat u hoort in het oor, predik dat op de daken. |
27 Hetgeen ik u zeg in de duisternis, zegt dat in het licht; en wat gij hoort in het oor, predikt dat op de daken. |
27 Wat ik u in de duisternis zeg, spreekt dat uit in het licht; wat u in het oor toegefluisterd wordt, verkondigt dat op de daken. |
27 Wat Ik u zeg in het donker, zegt het in het licht; wat gij u in het oor hoort fluisteren, predikt het van de daken. |
27 What I tell you in the dark, speak in the daylight; what is whispered in your ear, proclaim from the roofs. |
| 28 En wees niet bevreesd voor hen die het lichaam doden en de ziel niet kunnen doden, maar wees veeleer bevreesd voor Hem Die zowel ziel als lichaam te gronde kan richten in de hel. |
28 En vreest niet voor degenen die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veelmeer voor hem, die beide, lichaam en ziel, verderven kan in de hel. |
28 Vreest niet voor hen die het lichaam doden maar de ziel niet kunnen doden; vreest veeleer Hem die ziel en lichaam kan verderven in de hel. |
28 En weest niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel. |
28 Do not be afraid of those who kill the body but cannot kill the soul. Rather, be afraid of the One who can destroy both soul and body in hell. |
| 29 Worden niet twee musjes voor een penninkje verkocht? En niet een van die zal op de aarde vallen buiten uw Vader om. |
29 Worden niet twee mussen voor één penning verkocht? Nochtans valt er geen van deze op de aarde zonder uwen Vader. |
29 Worden niet twee muschjes voor een penning verkocht? En niet een van deze zal ter aarde vallen buiten uw Vader om. |
29 Worden niet twee mussen te koop aangeboden voor een duit? En niet een daarvan zal ter aarde vallen zonder uw Vader. |
29 Are not two sparrows sold for a penny? Yet not one of them will fall to the ground outside your Father’s care. |
| 30 En ook de haren van uw hoofd zijn alle geteld. |
30 Maar zelfs uwe haren op het hoofd zijn alle geteld. |
30 En van u zijn zelfs alle hoofdharen geteld. |
30 En de haren van uw hoofd zijn ook alle geteld. |
30 And even the very hairs of your head are all numbered. |
| 31 Wees dus niet bevreesd, u gaat veel musjes te boven. |
31 Daarom, vreest niet! Gij zijt meer dan vele mussen. |
31 Vreest dan niet; gij zijt meer waard dan een groot aantal muschjes. |
31 Weest dan niet bevreesd: gij gaat vele mussen te boven. |
31 So don’t be afraid; you are worth more than many sparrows. |
| 32 Ieder dan die Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is. |
32 Een ieder dan, die mij belijden zal voor de mensen, dien zal ik ook belijden voor mijnen hemelsen Vader; |
32 Alwie dan mij belijdt voor de mensen, dien zal ik ook belijden voor mijn Vader in de hemelen; |
32 Een ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen, hem zal ook Ik belijden voor mijn Vader, die in de hemelen is; |
32 “Whoever acknowledges me before others, I will also acknowledge before my Father in heaven. |
| 33 Maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is. |
33 maar wie mij verloochent voor de mensen, dien zal ik ook verloochenen voor mijnen hemelsen Vader. |
33 maar alwie mij verloochent voor de mensen, dien zal ik ook verloochenen voor mijn Vader in de hemelen. |
33 Maar al wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal ook Ik verloochenen voor mijn Vader, die in de hemelen is. |
33 But whoever disowns me before others, I will disown before my Father in heaven. |
| 34 Denk niet dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. |
34 Denkt niet dat ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. |
34 Meent niet dat ik gekomen ben om vrede op de aarde te brengen; ik ben gekomen niet om vrede te brengen maar het zwaard. |
34 Meent niet, dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. |
34 “Do not suppose that I have come to bring peace to the earth. I did not come to bring peace, but a sword. |
| 35 Want Ik ben gekomen om tweedracht te brengen tussen een man en zijn vader, en tussen een dochter en haar moeder, en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; |
35 Want ik ben gekomen om verdeeldheid te brengen tussen den mens en zijnen vader, en tussen de dochter en hare moeder, en tussen de schoondochter en hare schoonmoeder; |
35 Want ik ben gekomen om verdeeldheid te stichten tussen mens en zijn Vader, een dochter en haar moeder, een schoondochter en haar schoonmoeder, |
35 Want Ik ben gekomen om tweedracht te brengen tussen een man en zijn vader en tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; |
35 For I have come to turn “ ‘a man against his father, a daughter against her mother, a daughter-in-law against her mother-in-law— |
| 36 en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn. |
36 en des mensen vijanden zullen zijn eigen huisgenoten zijn. |
36 en 's mensen huisgenoten zullen zijn vijanden zijn. |
36 En iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn. |
36 a man’s enemies will be the members of his own household.’ |
| 37 Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waard; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waard. |
37 Wie vader of moeder meer liefheeft dan mij, die is mijns niet waardig; en wie zoon of dochter meer liefheeft dan mij, die is mijns niet waardig; |
37 Wie vader of moeder meer liefheeft dan mij is mijns niet waardig, en wie zoon of dochter meer liefheeft dan mij is mijns niet waardig; |
37 Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; |
|
| 38 En wie zijn kruis niet op zich neemt en Mij navolgt, is Mij niet waard. |
38 en wie zijn kruis niet op zich neemt en mij volgt, die is mijns niet waardig. |
38 wie niet zijn kruis opneemt en mij volgt is mijns niet waardig, |
38 En wie zijn kruis niet opneemt en achter Mij gaat, is Mij niet waardig. |
|
| 39 Wie zijn leven vindt, zal het verliezen; en wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden. |
39 Wie zijn leven vindt, die zal het verliezen; en wie zijn leven verliest om mijnentwil, die zal het vinden. |
39 Wie zijn leven gevonden heeft zal het verliezen, wie het verloren heeft om mijnentwil zal het vinden. |
39 Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden. |
|
| 40 Wie u ontvangt, ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij gezonden heeft. |
40 Wie u aanneemt, die neemt mij aan; en wie mij aanneemt, die neemt hem aan, die mij gezonden heeft. |
40 Wie u ontvangt ontvangt mij, en wie mij ontvangt ontvangt mijn Zender. |
40 Wie u ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft. |
|
| 41 Wie een profeet ontvangt omdat hij een profeet is, zal het loon van een profeet ontvangen; en wie een rechtvaardige ontvangt omdat hij een rechtvaardige is, zal het loon van een rechtvaardige ontvangen. |
41 Wie een profeet aanneemt om zijnen naam als profeet, die zal het loon eens profeten ontvangen; wie een rechtvaardige aanneemt om zijnen naam als rechtvaardige, die zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen. |
41 Wie een profeet ontvangt omdat hij profeet is zal het loon van een profeet ontvangen, en wie een rechtschapene ontvangt omdat hij rechtschapen is zal het loon van een rechtschapene ontvangen. |
41 Wie een profeet ontvangt als profeet, zal het loon van een profeet ontvangen; en wie een rechtvaardige ontvangt als rechtvaardige, zal het loon van een rechtvaardige ontvangen. |
|
| 42 En wie een van deze kleinen slechts een beker koud water te drinken geeft omdat hij een discipel is, voorwaar, Ik zeg u: hij zal zijn loon beslist niet verliezen. |
42 En al wie één van deze kleinen slechts een beker koud water te drinken geeft om zijnen naam als jonger, voorwaar, ik zeg u, het zal hem niet onbeloond blijven. |
42 En wie een dezer kleinen iets, al is het slechts een beker koud water, geeft omdat hij mijn leerling is, voorwaar, zeg ik u, hem zal zijn loon niet ontgaan. |
42 En wie een van deze kleinen, omdat hij een discipel is, ook maar een beker koud water te drinken geeft, voorwaar, Ik zeg u, zijn loon zal hem geenszins ontgaan. |
|