|
| 1 Nu dan, tot u komt dit gebod, priesters! |
1 Nu dan, u geldt, o priesters, deze aanzegging: |
1 “And now, you priests, this warning is for you. |
| 2 Als u niet luistert en als u het niet ter harte neemt om Mijn Naam eer te geven, zegt de HEERE van de legermachten, zal Ik de vloek onder u zenden en uw zegeningen vervloeken. Ja, Ik heb ze al vervloekt, want u neemt het niet ter harte. |
2 Indien gij niet hoort, en indien gij het niet ter harte neemt mijn naam eer te geven, zegt de Here der heerscharen, dan zal Ik onder u een vloek zenden en uw zegeningen in vloek verkeren; ja, Ik heb ze reeds in vloek verkeerd, omdat gij het niet ter harte genomen hebt. |
2 If you do not listen, and if you do not resolve to honor my name,” says the Lord Almighty, “I will send a curse on you, and I will curse your blessings. Yes, I have already cursed them, because you have not resolved to honor me. |
| 3 Zie, Ik ga uw nageslacht bestraffen: Ik zal mest op uw gezicht strooien, de mest van uw feesten, en daarmee zal men u wegdragen. |
3 Zie, Ik zal uw nakroost bedreigen en vuil op uw gelaat werpen, het vuil uwer feesten, ja, men zal u daarheen slepen. |
3 “Because of you I will rebuke your descendants; I will smear on your faces the dung from your festival sacrifices, and you will be carried off with it. |
| 4 Dan zult u weten dat Ik dit gebod tot u gezonden heb, opdat Mijn verbond met Levi blijven zou, zegt de HEERE van de legermachten. |
4 Dan zult gij inzien, dat Ik u deze aanzegging gezonden heb, opdat mijn verbond met Levi besta, zegt de Here der heerscharen. |
4 And you will know that I have sent you this warning so that my covenant with Levi may continue,” says the Lord Almighty. |
| 5 Mijn verbond met hem was: het leven en de vrede. Die gaf Ik hem, tot vrees voor Mij, en hij vreesde Mij en in de tegenwoordigheid van Mijn Naam was hij verschrikt. |
5 Mijn verbond met hem was: leven en vrede; Ik heb ze hem gegeven tot godsvrucht, opdat hij Mij zou vrezen en voor mijn naam beven. |
5 “My covenant was with him, a covenant of life and peace, and I gave them to him; this called for reverence and he revered me and stood in awe of my name. |
| 6 Betrouwbaar onderwijs in de wet was in zijn mond, geen ongerechtigheid werd op zijn lippen gevonden. In vrede en oprechtheid wandelde hij met Mij en velen bekeerde hij van ongerechtigheid. |
6 Betrouwbaar onderricht in de wet was in zijn mond en ongerechtigheid werd op zijn lippen niet gevonden. In vrede en in oprechtheid wandelde hij met Mij en velen bracht hij van ongerechtigheid terug. |
6 True instruction was in his mouth and nothing false was found on his lips. He walked with me in peace and uprightness, and turned many from sin. |
| 7 Voorzeker, de lippen van een priester moeten kennis bewaren, uit zijn mond moet men onderwijs in de wet zoeken, want hij is een gezant van de HEERE van de legermachten. |
7 Want de lippen van de priester bewaren kennis en uit zijn mond zoekt men onderricht in de wet, want een bode van de Here der heerscharen is hij. |
7 “For the lips of a priest ought to preserve knowledge, because he is the messenger of the Lord Almighty and people seek instruction from his mouth. |
| 8 U echter, u bent afgeweken van de weg: velen hebt u door uw onderwijs in de wet doen struikelen. U hebt het verbond met Levi tenietgedaan, zegt de HEERE van de legermachten. |
8 Gij evenwel zijt van de weg afgeweken; gij hebt door het onderricht in de wet velen doen struikelen; gij hebt het verbond met Levi verdorven, zegt de Here der heerscharen. |
8 But you have turned from the way and by your teaching have caused many to stumble; you have violated the covenant with Levi,” says the Lord Almighty. |
| 9 Daarom heb Ik ook u verachtelijk gemaakt en onbeduidend voor heel het volk, want U neemt Mijn wegen niet in acht en ziet bij uw onderwijs in de wet de persoon aan. |
9 Zo maak Ik u ook tot verachten en vernederden voor het gehele volk, omdat gij mijn wegen niet onderhoudt en bij het onderricht in de wet de persoon aanziet. |
9 “So I have caused you to be despised and humiliated before all the people, because you have not followed my ways but have shown partiality in matters of the law.” |
| 10 Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen wij dan trouweloos, eenieder tegen zijn broeder, door het verbond met onze vaderen te ontheiligen? |
10 Hebben wij niet allen een Vader? Heeft niet een God ons geschapen? Waarom zijn wij dan trouweloos tegenover elkander en ontheiligen het verbond onzer vaderen? |
10 Do we not all have one Father? Did not one God create us? Why do we profane the covenant of our ancestors by being unfaithful to one another? |
| 11 Juda handelt trouweloos en er wordt een gruweldaad begaan in Israël en in Jeruzalem. Want Juda ontheiligt het heilige van de HEERE, dat Hij liefheeft: hij is met de dochter van een vreemde god getrouwd. |
11 Juda is trouweloos geweest en een gruweldaad is bedreven in Israel en in Jeruzalem, want Juda heeft het heilige des Heren, dat Hij liefheeft, ontheiligd, en heeft de dochter van een vreemde god getrouwd. |
11 Judah has been unfaithful. A detestable thing has been committed in Israel and in Jerusalem: Judah has desecrated the sanctuary the Lord loves by marrying women who worship a foreign god. |
| 12 Moge de HEERE eenieder die dat doet, uitroeien uit de tenten van Jakob, wie waakt en wie antwoordt, zelfs wie een graanoffer brengt aan de HEERE van de legermachten. |
12 De Here roeie de man uit, die zulks doet, wie hij ook zij, uit de tenten van Jakob, ook al brengt hij offer aan de Here der heerscharen. |
12 As for the man who does this, whoever he may be, may the Lord remove him from the tents of Jacob —even though he brings an offering to the Lord Almighty. |
| 13 In de tweede plaats doet u dit: het altaar van de HEERE bedekken met tranen, met geween en gekerm, omdat Hij Zich niet langer tot het graanoffer wendt en dat in welgevallen uit uw hand aanneemt. |
13 In de tweede plaats doet gij dit: gij bedekt met tranen het altaar des Heren, onder geween en gezucht, omdat Hij Zich niet meer tot het offer wendt, noch het uit uw hand aanneemt als Hem welgevallig. |
13 Another thing you do: You flood the Lord ’s altar with tears. You weep and wail because he no longer looks with favor on your offerings or accepts them with pleasure from your hands. |
| 14 Dan zegt u: Waarom? Omdat de HEERE Getuige is tussen u en de vrouw van uw jeugd, tegen wie ú trouweloos handelt, terwijl zíj toch uw metgezellin en de vrouw van uw verbond is. |
14 En dan zegt gij: Waarom? Omdat de Here getuige geweest is tussen u en de vrouw uwer jeugd, aan wie gij ontrouw geworden zijt, terwijl zij toch uw gezellin en uw wettige vrouw is. |
14 You ask, “Why?” It is because the Lord is the witness between you and the wife of your youth. You have been unfaithful to her, though she is your partner, the wife of your marriage covenant. |
| 15 Heeft Hij er niet maar één gemaakt, hoewel Hij nog geest overhad? En waarom die ene? Hij zocht een goddelijk nageslacht. Daarom, wees op uw hoede met uw geest, en handel niet trouweloos tegen de vrouw van uw jeugd. |
15 Niet een doet zo, die voldoende geest bezit, want wat zoekt die ene? Het zaad Gods. Weest dan op uw hoede voor uw hartstocht, en dat men niet ontrouw worde aan de vrouw zijner jeugd. |
15 Has not the one God made you? You belong to him in body and spirit. And what does the one God seek? Godly offspring. So be on your guard, and do not be unfaithful to the wife of your youth. |
| 16 Want de HEERE, de God van Israël, zegt dat Hij het wegsturen van de eigen vrouw haat, hoewel men het geweld bedekt met zijn gewaad, zegt de HEERE van de legermachten. Wees dus op uw hoede met uw geest en handel niet trouweloos. |
16 Want Ik haat de echtscheiding, zegt de Here, de God van Israel, en dat men zijn gewaad met geweldpleging overdekt, zegt de Here der heerscharen. Daarom, weest op uw hoede voor uw hartstocht en weest niet ontrouw. |
16 “The man who hates and divorces his wife,” says the Lord , the God of Israel, “does violence to the one he should protect,” says the Lord Almighty. So be on your guard, and do not be unfaithful. |
| 17 U vermoeit de HEERE met uw woorden, toch zegt u: Waarmee vermoeien wij Hem? Doordat u zegt: Iedereen die kwaad doet, is in de ogen van de HEERE goed, Híj is hun genegen. Of: Waar is de God van het oordeel? |
17 Gij vermoeit de Here met uw woorden. En dan zegt gij: Waarmee vermoeien wij Hem? Doordat gij zegt: Ieder die kwaad doet, is goed in de ogen des Heren en aan hen heeft Hij een welgevallen; waar is anders de God van het recht? |
17 You have wearied the Lord with your words. “How have we wearied him?” you ask. By saying, “All who do evil are good in the eyes of the Lord , and he is pleased with them” or “Where is the God of justice?” |