Jona 2
Staten Vertaling
© Lutherse Vertaling
© Leidse Vertaling
© NBG
New International Version
1 En Jona bad tot den HEERE, zijn God, uit het ingewand van den vis. 1 En Jona bad in den buik van den vis tot den Heer, zijnen God, en sprak: 1 En Jona bad in den buik van den vis tot den Heer, zijn god, 1 En Jona bad tot de Here, zijn God, uit het ingewand van de vis. 1 From inside the fish Jonah prayed to the Lord his God.
2 En hij zeide: Ik riep uit mijn benauwdheid tot den HEERE, en Hij antwoordde mij; uit den buik des grafs schreide ik, [en] Gij hoordet mijn stem. 2 Ik riep in mijnen angst tot den Heer en Hij antwoordde mij; ik kermde uit den schoot der onderwereld, en Gij hoordet mijne stem; 2 aldus: Toen het mij bange was, heb ik tot den Heer geroepen en heeft hij mij geantwoord; toen ik uit den schoot der onderwereld een kreet slaakte, hebt gij mij verhoord. 2 Hij zeide: Ik riep uit mijn nood tot de Here en Hij antwoordde mij; uit de schoot van het dodenrijk schreeuwde ik, Gij hoordet mijn stem. 2 He said: “In my distress I called to the Lord , and he answered me. From deep in the realm of the dead I called for help, and you listened to my cry.
3 Want Gij hadt mij geworpen [in] de diepte, in het hart der zeeen, en de stroom omving mij; al Uw baren en Uw golven gingen over mij henen. 3 want Gij wierpt mij in de diepte, midden in de zee, dat de vloeden mij omgaven, al uwe baren en golven gingen over mij, 3 Gij hadt mij in een kolk, in het hart der zee, geworpen, stromen omvingen mij, al uw brandingen en golven gingen over mij heen. 3 Gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zee, en een waterstroom omving mij; al uw brandingen en uw golven gingen over mij heen. 3 You hurled me into the depths, into the very heart of the seas, and the currents swirled about me; all your waves and breakers swept over me.
4 En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen. 4 zodat ik dacht, dat ik van voor uw ogen was verstoten en dat ik uwen heiligen tempel niet meer zou zien. 4 Ik dacht: Verstoten ben ik uit uw oog; hoe zal ik ooit weer uw heilig paleis aanschouwen? 4 En ik, ik zeide: verstoten ben ik uit uw ogen, zou ik ooit weer uw heilige tempel aanschouwen? 4 I said, ‘I have been banished from your sight; yet I will look again toward your holy temple.’
5 De wateren hadden mij omgeven tot de ziel toe, de afgrond omving mij; het wier was aan mijn hoofd gebonden. 5 De wateren omgaven mij tot aan mijn leven, de diepte omringde mij; het zeewier bedekte mijn hoofd. 5 Wateren ombruisten mij en bedreigden mijn leven, de afgrond omving mij, zeewier wond zich om mijn hoofd. 5 Wateren omringden mij, zij bedreigden mijn leven, de diepte omving mij, met zeewier was mijn hoofd omwonden. 5 The engulfing waters threatened me, the deep surrounded me; seaweed was wrapped around my head.
6 Ik was nedergedaald tot de gronden der bergen; de grendelen der aarde waren om mij henen in eeuwigheid; maar Gij hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o HEERE, mijn God! 6 Ik zonk nederwaarts tot aan de grondvesten der bergen, de aarde had hare grendels voor eeuwig achter mij [toegesloten]; maar Gij hebt mijn leven uit het verderf gered, Heer, mijn God. 6 Tot de grondslagen der bergen was ik neergedaald, de grendelen der aarde hadden voorgoed mij ingesloten; maar gij hebt mij levend uit den kuil opgetrokken, Heer, mijn god. 6 Tot de grondvesten der bergen zonk ik neer; de grendelen der aarde waren voor altoos achter mij. Toen trokt Gij mijn leven uit de groeve omhoog, o, Here, mijn God! 6 To the roots of the mountains I sank down; the earth beneath barred me in forever. But you, Lord my God, brought my life up from the pit.
7 Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan den HEERE, en mijn gebed kwam tot U, in den tempel Uwer heiligheid. 7 Toen mijne ziel in mij versaagde, dacht ik aan den Heer en mijn gebed kwam tot U in uwen heiligen tempel. 7 Toen mijn ziel in mij omneveld werd, dacht ik aan den Heer, en mijn gebed drong tot u door in uw heilig paleis. 7 Toen mijn ziel in mij versmachtte, gedacht ik de Here, en mijn gebed kwam tot U in uw heilige tempel. 7 “When my life was ebbing away, I remembered you, Lord , and my prayer rose to you, to your holy temple.
8 Die de valse ijdelheden onderhouden, verlaten hunlieder weldadigheid. 8 Wie de nietige ijdelheden aankleven, stoten hun geluk van zich, 8 Die op ijdele nietigheden achtslaan stoten hun geluk van zich; 8 Zij die nietige afgoden dienen, geven Hem prijs, die hun goedertieren is. 8 “Those who cling to worthless idols turn away from God’s love for them.
9 Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des HEEREN. 9 maar ik zal U offeren met dankzegging, ik zal mijne geloften betalen. Want de hulp is des Heren. 9 maar ik wil u onder lofgezangen offers brengen, wat ik beloofd heb u betalen. De hulpe komt van den Heer. 9 Maar ik, met lofzegging wil ik aan U offeren; wat ik beloofd heb, wil ik betalen; de redding is des Heren. 9 But I, with shouts of grateful praise, will sacrifice to you. What I have vowed I will make good. I will say, ‘Salvation comes from the Lord.’ ”
10 De HEERE nu sprak tot den vis; en hij spuwde Jona uit op het droge. 10 En de Heer sprak tot den vis en hij spuwde Jona uit op het land. 10 Daarna spuwde de vis, op bevel van den Heer, Jona op het droge uit. 10 En de Here sprak tot de vis en deze spuwde Jona uit op het droge. 10 And the Lord commanded the fish, and it vomited Jonah onto dry land.