Hosea 6
© Herziene Statenvertaling
© Lutherse Vertaling
© Leidse Vertaling
© NBG
New International Version
1 Kom, laten wij terugkeren naar de HEERE, want Hij heeft verscheurd, maar Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, maar Hij zal ons verbinden. 1 Komt, wij willen wederkeren tot den Heer; want Hij heeft ons verscheurd, Hij zal ons ook genezen; Hij heeft ons geslagen, Hij zal ons ook verbinden. 1 "Komt, laat ons weerkeren tot den Heer; want hij heeft verscheurd, maar zal ons genezen; heeft geslagen, maar zal ons verbinden; 1 Komt, laat ons wederkeren tot de Here! Want Hij heeft verscheurd, en zal ons helen; Hij heeft geslagen, en zal ons verbinden. 1 “Come, let us return to the Lord. He has torn us to pieces but he will heal us; he has injured us but he will bind up our wounds.
2 Na twee dagen zal Hij ons levend maken, op de derde dag zal Hij ons doen opstaan. Dan zullen wij voor Zijn aangezicht leven. 2 Hij zal ons doen herleven na twee dagen, op den derden dag zal Hij ons oprichten, dat wij voor Hem zullen leven. 2 over twee dagen zal hij ons doen herleven, ten derden dage ons doen verrijzen; opdat wij leven voor zijn aangezicht. 2 Hij zal ons na twee dagen doen herleven, ten derden dage zal Hij ons oprichten, en wij zullen leven voor zijn aangezicht. 2 After two days he will revive us; on the third day he will restore us, that we may live in his presence.
3 Dan zullen wij kennen, wij zullen ernaar jagen de HEERE te kennen! Zijn verschijning staat vast als de dageraad. Ja, Hij komt naar ons toe als de regen, als late regen, die het land natmaakt. 3 Dan zullen wij verstandig zijn en ons bevlijtigen om den Heer te kennen; want Hij zal voor ons aanbreken als de schone dageraad en zal tot ons komen als een regen, als een spade regen, die het land besproeit. 3 Laat ons den Heer kennen, ja, jagen om hem te kennen! Zodra wij hem zoeken zullen wij hem vinden, en zal hij tot ons komen als een milde regen, als een voorjaarsregen die het land drenkt." 3 Ja, wij willen de Here kennen, ernaar jagen Hem te kennen. Zo zeker als de dageraad is zijn opgang. Dan komt Hij tot ons als de regen, als de late regen, die het land besproeit. 3 Let us acknowledge the Lord; let us press on to acknowledge him. As surely as the sun rises, he will appear; he will come to us like the winter rains, like the spring rains that water the earth.”
4 Wat zal Ik u doen, Efraïm? Wat zal Ik u doen, Juda? Uw goedertierenheid is als een morgenwolk, als dauw die vroeg optrekt en weggaat. 4 Wat zal Ik u doen, o Efraïm, wat zal Ik u doen, o Juda? Want uwe vroomheid is als ene morgenwolk en als de vroege dauw, die verdwijnt. 4 Wat zal ik doen met u, Efraim? wat met u, Juda? daar uw vroomheid is als een morgenwolk, als de dauw, die in de vroegte verdwijnt. 4 Wat zal Ik u aandoen, o Efraim? Wat zal Ik u aandoen, o Juda? Immers uw liefde is als een morgenwolk, en als een dauw die in de vroegte vergaat. 4 “What can I do with you, Ephraim? What can I do with you, Judah? Your love is like the morning mist, like the early dew that disappears.
5 Daarom heb Ik op hen ingehakt door de profeten, Ik heb hen gedood met de woorden van Mijn mond; en de oordelen over u zullen voor de dag komen als het licht. 5 Daarom, sla Ik hen door de profeten en dood hen door de redenen mijns monds, opdat uw oordeel aan het licht kome. 5 Daarom heb ik er op ingehouwen door de profeten, gedood door de reden van mijn mond, en zal mijn gericht tevoorschijntreden als het licht. 5 Daarom heb Ik er door de profeten op ingehouwen, heb Ik hen gedood door de woorden mijns monds. De oordelen over u waren een doorbrekend licht. 5 Therefore I cut you in pieces with my prophets, I killed you with the words of my mouth— then my judgments go forth like the sun.
6 Want Ik vind vreugde in goedertierenheid en niet in offer, in kennis van God meer dan in brandoffers! 6 Want Ik heb lust aan vroomheid en niet aan offer, en aan kennis van God meer dan aan brandoffers; 6 Want in vroomheid heb ik lust, niet in offeranden, in kennis van God meer dan in brandoffers. 6 Want in liefde heb Ik behagen en niet in slachtoffer, in kennis van God en niet in brandoffers. 6 For I desire mercy, not sacrifice, and acknowledgment of God rather than burnt offerings.
7 Zíj hebben echter als Adam het verbond overtreden. Daar hebben zij trouweloos gehandeld tegenover Mij. 7 maar zij overtreden het verbond als Adam, daarmede verachten zij Mij, 7 Maar zij hebben in Adma mijn verbond overtreden, daar trouweloos tegen mij gehandeld; 7 Maar zij hebben als Adam het verbond overtreden; daar hebben zij Mij trouweloos bejegend. 7 As at Adam, they have broken the covenant; they were unfaithful to me there.
8 Gilead is een oord van bedrijvers van onrecht, het is vol bloedsporen. 8 Gilead is ene stad vol van afgoderij en bloedschulden. 8 Gilead is een veste van boosdoeners, bevlekt met bloed. 8 Gilead is een stad van misdadigers, vol bloedsporen. 8 Gilead is a city of evildoers, stained with footprints of blood.
9 Zoals roversbenden op iemand wachten, zo is het gezelschap van priesters. Zij moorden op de weg naar Sichem, werkelijk, zij gedragen zich schandelijk. 9 En de priesters zijn als de straatrovers, die op de mensen loeren; zij moorden op den weg, die naar Sichem gaat, want zij plegen schandelijke daden. 9 Op een roversbende gelijkt de schaar van priesters; op den weg naar Sichem moorden zij; want boze aanslagen hebben zij gesmeed. 9 Gelijk een troep bandieten ligt een priesterschare op de loer; zij moorden op de weg naar Sichem. Waarlijk, wandaden bedrijven zij. 9 As marauders lie in ambush for a victim, so do bands of priests; they murder on the road to Shechem, carrying out their wicked schemes.
10 In het huis van Israël zie Ik afschuwelijke dingen: daar is de hoererij van Efraïm, Israël heeft zich verontreinigd. 10 Ik zie afgrijselijkheden in het huis van Israël; want Efraïm hoereert en Israël verontreinigt zich. 10 In Bethel heb ik huiveringwekkende dingen gezien: aldaar is Efraim tot hoer geworden, Israel verontreinigd. 10 In het huis Israels heb Ik afschuwelijke dingen gezien: daar is Efraims ontucht; Israel heeft zich verontreinigd. 10 I have seen a horrible thing in Israel: There Ephraim is given to prostitution, Israel is defiled.
11 Ook voor u, Juda, is een oogst weggelegd, wanneer Ik een omkeer breng in de gevangenschap van Mijn volk. 11 Maar Juda zal nog een oogst voor zich hebben, als Ik die gevangenschap mijns volks zal wenden. 11 Hij heeft ook voor u, Juda, een oogst weggelegd, wanneer ik het lot van mijn volk wend 11 Ook voor u, Juda, is een oogst weggelegd, wanneer Ik in het lot van mijn volk een keer brengen zal. 11 “Also for you, Judah, a harvest is appointed. “Whenever I would restore the fortunes of my people,