Daniël 7
© Herziene Statenvertaling
© Leidse Vertaling
© NBG
New International Version
1 In het eerste jaar van Belsazar, de koning van Babel, had Daniël op zijn bed een droom en kreeg hij visioenen voor ogen. Toen schreef hij de droom op. De kern van de zaken omschreef hij als volgt: 1 In het eerste jaar van Belsjassar, den koning van Babel, had Daniël op zijn legerstede een droom en gezichten die in zijn brein opstegen. Toen schreef hij den droom op, de hoofdzaak verhalend. 1 In het eerste jaar van Belsassar, de koning van Babel, zag Daniel een droom en gezichten die hem op zijn legerstede voor ogen kwamen. Toen schreef hij de droom op. 1 In the first year of Belshazzar king of Babylon, Daniel had a dream, and visions passed through his mind as he was lying in bed. He wrote down the substance of his dream.
2 Daniël nam het woord en zei: 's Nachts in mijn visioen keek ik toe, en zie, de vier winden van de hemel zweepten de grote zee op, 2 Daniël hief aan en zeide: Ik aanschouwde in mijn nachtgezicht: Zie, de vier winden des hemels brachten de grote zee in beroering, 2 Begin van het bericht. Daniel hief aan en zeide: Ik had in de nacht een gezicht en zie, de vier winden des hemels brachten de grote zee in beroering, 2 Daniel said: “In my vision at night I looked, and there before me were the four winds of heaven churning up the great sea.
3 en vier grote dieren stegen op uit de zee, die van elkaar verschilden. 3 en vier grote beesten, het een onderscheiden van het ander, stegen uit de zee op. 3 En vier grote dieren stegen uit de zee op, het ene verschillend van het andere. 3 Four great beasts, each different from the others, came up out of the sea.
4 Het eerste was als een leeuw, met vleugels van een arend. Ik keek toe totdat zijn vleugels uitgerukt werden. Het werd van de aarde opgeheven, het werd als een mens op zijn voeten gezet en het werd een mensenhart gegeven. 4 Het eerste was aan een leeuw gelijk en had arendsvleugelen; ik bleef er naar zien, totdat zijn vleugelen werden uitgerukt en het van den grond opgericht, als een mens op de voeten neergezet en hem een menschenhart gegeven werd. 4 Het eerste geleek op een leeuw, en het had adelaarsvleugels. Terwijl ik bleef toezien, werden het de vleugels uitgerukt, en werd het van de grond opgeheven en op twee voeten overeind gezet als een mens, en werd het een mensenhart gegeven. 4 “The first was like a lion, and it had the wings of an eagle. I watched until its wings were torn off and it was lifted from the ground so that it stood on two feet like a human being, and the mind of a human was given to it.
5 En zie, een ander dier, het tweede, leek op een beer. Het richtte zich op naar één kant. Het had drie ribben in zijn muil, tussen zijn tanden. Men zei het volgende tegen het dier: Sta op, eet veel vlees. 5 En zie, een ander beest, een tweede! Het geleek op een beer, was half opgericht en had drie ribben in den muil, tussen de tanden; en men zeide tot hem: Op, eet veel vlees! 5 En zie, een ander dier, het tweede, geleek op een beer; het richtte zich op de ene zijde op, en drie ribben waren in zijn muil tussen zijn tanden; en men sprak tegen hem aldus: sta op, eet veel vlees. 5 “And there before me was a second beast, which looked like a bear. It was raised up on one of its sides, and it had three ribs in its mouth between its teeth. It was told, ‘Get up and eat your fill of flesh!’
6 Daarna keek ik, en zie, er was nog een ander dier, als een luipaard. Het had vier vogelvleugels op zijn rug en het dier had vier koppen. En het werd heerschappij gegeven. 6 Daarna zag ik toe, en zie, een ander beest, aan een luipaard gelijk, met vier vogelvleugels op den rug; het had vier koppen, en hem werd heerschappij gegeven. 6 Daarna zag ik, en zie, een ander dier, gelijk een panter; het had vier vogelvleugels op zijn rug en vier koppen. En aan hem werd heerschappij gegeven. 6 “After that, I looked, and there before me was another beast, one that looked like a leopard. And on its back it had four wings like those of a bird. This beast had four heads, and it was given authority to rule.
7 Daarna keek ik toe in de nachtvisioenen, en zie, het vierde dier was schrikwekkend, gruwelijk, en uitzonderlijk sterk. Het had grote ijzeren tanden. Het at en verbrijzelde, en de rest vertrapte het met zijn poten. Het verschilde van al de dieren die ervóór geweest waren. En het had tien horens. 7 Daarna zag ik in het nachtgezicht, hoe een vierde beest opkwam, vreselijk, schrikwekkend, buitengewoon sterk, met grote ijzeren tanden, waarmee het vrat en vermaalde, terwijl het de rest met de poten vertrapte; het verschilde van al de beesten die hem waren voorgegaan en had tien horens. 7 Daarna zag ik in de nachtgezichten en zie, een vierde dier, vreselijk, schrikwekkend en geweldig sterk; het had grote, ijzeren tanden: het at en vermaalde, en wat overbleef, vertrad het met zijn poten; en dit dier verschilde van alle vorige, en het had tien horens. 7 “After that, in my vision at night I looked, and there before me was a fourth beast—terrifying and frightening and very powerful. It had large iron teeth; it crushed and devoured its victims and trampled underfoot whatever was left. It was different from all the former beasts, and it had ten horns.
8 Terwijl ik op de horens bleef letten, zie, een andere, kleine, horen rees daartussen op. Drie van de eerdere horens werden voor hem uitgerukt. En zie, in die horen waren ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak. 8 Terwijl ik op die horens lette, zie, een andere horen, een kleine, groeide daartussen op, en drie der vorige horens werden daardoor ontworteld; en zie, in dien horen waren ogen als van een mens, en een mond die een hogen toon voerde. 8 Terwijl ik op die horens lette, zie, daartussen verhief zich een andere kleine horen, en drie van de vorige horens werden daarvoor uitgerukt; en zie, in die horen waren ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak. 8 “While I was thinking about the horns, there before me was another horn, a little one, which came up among them; and three of the first horns were uprooted before it. This horn had eyes like the eyes of a human being and a mouth that spoke boastfully.
9 Ik keek toe totdat er tronen werden geplaatst, en de Oude van dagen Zich neerzette. Zijn gewaad was wit als de sneeuw en het haar van Zijn hoofd als zuivere wol. Zijn troon waren vuurvlammen en de wielen ervan waren laaiend vuur. 9 Ik zag toe, totdat tronen geplaatst werden en een Hoogbedaagde zich neerzette; zijn gewaad was wit als sneeuw, zijn hoofdhaar glanzend als wol, zijn troon vuurvlammen, het raderwerk er van een brandend vuur; 9 Terwijl ik bleef toekijken, werden tronen opgesteld, en een Oude van dagen zette Zich neder; zijn kleed was wit als sneeuw en zijn hoofdhaar blank als wol; zijn troon bestond uit vuurvlammen, de raderen daarvan uit laaiend vuur; 9 “As I looked, “thrones were set in place, and the Ancient of Days took his seat. His clothing was as white as snow; the hair of his head was white like wool. His throne was flaming with fire, and its wheels were all ablaze.
10 Een rivier van vuur stroomde en ging voor Zijn aangezicht uit. Duizendmaal duizenden dienden Hem en tienduizendmaal tienduizenden stonden voor Zijn aangezicht. Het gerechtshof hield zitting en de boeken werden geopend. 10 een vuurstroom golfde en vloeide voor hem uit; duizend duizendtallen dienden hem, tienduizend tienduizendtallen stonden voor hem. Het gericht zette zich, en de boeken werden geopend. 10 En een stroom van vuur welde op en vloeide voor hem uit; duizendmaal duizenden dienden hem en tienduizend maal tienduizenden stonden voor hem. De vierschaar zette zich neder en de boeken werden geopend. 10 A river of fire was flowing, coming out from before him. Thousands upon thousands attended him; ten thousand times ten thousand stood before him. The court was seated, and the books were opened.
11 Toen keek ik, vanwege het geluid van de grote woorden die de horen sprak. Ik keek toe totdat het dier gedood werd en zijn lichaam vernietigd werd, en aan het laaiend vuur werd prijsgegeven. 11 Ik zag dan toe vanwege den hogen toon dien de horen gevoerd had; ik zag toe, totdat het beest gedood, zijn lijk vernield en in den vuurpoel geworpen werd. 11 Toen keek ik toe vanwege het geluid der grote woorden welke de horen sprak; terwijl ik bleef toekijken, werd het dier gedood, zijn lichaam werd vernietigd en prijsgegeven aan de brand van het vuur. 11 “Then I continued to watch because of the boastful words the horn was speaking. I kept looking until the beast was slain and its body destroyed and thrown into the blazing fire.
12 Ook de rest van de dieren ontnam men hun heerschappij, want verlenging van het leven was hun gegeven tot een bepaald tijdstip en een bepaalde tijd. 12 Ook aan de overige beesten ontnam men de heerschappij, maar een levensverlenging werd hun gegeven tot tijd en wijle. 12 Ook aan de overige dieren werd de heerschappij ontnomen, en hun werd een levensduur gegeven tot tijd en wijle. 12 (The other beasts had been stripped of their authority, but were allowed to live for a period of time.)
13 Ik keek toe in de nachtvisioenen, en zie, er kwam met de wolken van de hemel Iemand als een Mensenzoon. Hij kwam tot de Oude van dagen en men deed Hem voor Zijn aangezicht naderbij komen. 13 Ik zag toe in het nachtgezicht, en zie, met de wolken des hemels kwam een die aan een mensenzoon gelijk was; hij ging naar den Hoogbedaagde, men deed hem tot dezen nadertreden. 13 Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde hem voor deze; 13 “In my vision at night I looked, and there before me was one like a son of man, coming with the clouds of heaven. He approached the Ancient of Days and was led into his presence.
14 Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap, en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden, en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan. 14 En hem werd gegeven heerschappij, eer en koningsschap; alle volken, stammen en talen dienden hem. Zijn heerschappij was een eeuwige, die niet vergaan zou, en zijn koninkrijk een dat niet omvergeworpen kon worden. 14 En hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natien en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap is een, dat onverderfelijk is. 14 He was given authority, glory and sovereign power; all nations and peoples of every language worshiped him. His dominion is an everlasting dominion that will not pass away, and his kingdom is one that will never be destroyed.
15 Ik, Daniël, was tot in het diepst van mijn geest geraakt, en de visioenen die mij voor ogen kwamen, verschrikten mij. 15 De geest van mij, Daniël, werd onrustig in het omhulsel, en de gezichten in mijn brein opgerezen ontroerden mij. 15 De geest van mij, Daniel, was ontroerd in mijn binnenste, en de gezichten die mij voor ogen waren gekomen, ontstelden mij. 15 “I, Daniel, was troubled in spirit, and the visions that passed through my mind disturbed me.
16 Ik kwam in de nabijheid van een van hen die daar stonden, en vroeg hem naar de juiste betekenis van dit alles. Hij vertelde die mij en liet mij de uitleg van deze zaken weten: 16 Ik trad toe op een dergenen die daar stonden en vroeg hem om inlichting omtrent dit alles; waarop hij tot mij sprak en mij de zaken uitlegde. 16 Ik naderde een van hen die daar stonden, en vroeg hem de ware zin van dit alles, en hij sprak tot mij en gaf mij de uitlegging daarvan te kennen: 16 I approached one of those standing there and asked him the meaning of all this. “So he told me and gave me the interpretation of these things:
17 Die grote dieren, die vier in getal zijn, zijn vier koningen, die uit de aarde zullen opstaan. 17 Wat deze grote beesten, die vier in getal zijn, betreft: vier koningen zullen uit de aarde opstaan; 17 Die grote dieren, die vier, zijn vier koningen die uit de aarde zullen opkomen; 17 ‘The four great beasts are four kings that will rise from the earth.
18 De heiligen van de Allerhoogste zullen echter het koningschap ontvangen. Zij zullen het koningschap in bezit nemen tot in eeuwigheid, ja, tot in der eeuwen eeuwigheid. 18 maar dan zullen de heiligen des Allerhoogsten het koningsschap ontvangen en tot in eeuwigheid bezitten, ja in alle eeuwigheid. 18 Daarna zullen de heiligen des Allerhoogsten het koningschap ontvangen, en zij zullen het koningschap bezitten tot in eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden. 18 But the holy people of the Most High will receive the kingdom and will possess it forever—yes, for ever and ever.’
19 Toen wilde ik de ware betekenis weten van het vierde dier, dat verschilde van al de andere – uitzonderlijk schrikwekkend, zijn tanden waren van ijzer, zijn klauwen van brons, het at, verbrijzelde en de rest vertrapte het met zijn poten – 19 Toen verlangde ik inlichting te ontvangen omtrent het vierde dier, dat van alle andere onderscheiden was, zeer schrikwekkend, met ijzeren tanden en koperen klauwen, vretend, vermalend en de rest met de poten vertrappend; 19 Toen wilde ik de ware zin weten van het vierde dier, dat van die alle verschilde, dat buitengewoon vreselijk was met zijn ijzeren tanden en zijn koperen klauwen, dat at en vermaalde en wat overbleef met zijn poten vertrad, 19 “Then I wanted to know the meaning of the fourth beast, which was different from all the others and most terrifying, with its iron teeth and bronze claws—the beast that crushed and devoured its victims and trampled underfoot whatever was left.
20 en van de tien horens die op zijn kop zaten en van die andere, die oprees en waarvoor er drie afgevallen waren, namelijk die horen die ogen had en een mond vol grootspraak en waarvan de verschijning groter was dan die van zijn metgezellen. 20 ook omtrent de tien horens die het op den kop had, en den anderen die opkwam en waarvoor drie vielen; welke horen en ogen had en een mond die een hogen toon voerde, terwijl hij groter werd dan de overige. 20 En van de tien horens, welke op zijn kop waren, en van die andere, die zich verhief en waarvoor er drie uitvielen, terwijl deze horen met ogen en een mond vol grootspraak, er groter uitzag dan de andere. 20 I also wanted to know about the ten horns on its head and about the other horn that came up, before which three of them fell—the horn that looked more imposing than the others and that had eyes and a mouth that spoke boastfully.
21 Ik had namelijk toegekeken en gezien dat die horen oorlog voerde tegen de heiligen en dat hij hen overwon, 21 Ik had gezien, hoe die horen krijgvoerde tegen de heiligen en hen overmocht; 21 Ik zag, dat die horen strijd voerde tegen de heiligen en hen overmocht, 21 As I watched, this horn was waging war against the holy people and defeating them,
22 totdat de Oude van dagen kwam, de heiligen van de Allerhoogste recht verschaft werd en het tijdstip was bereikt dat de heiligen het koningschap in bezit namen. 22 totdat de Hoogbedaagde kwam en aan de heiligen des Allerhoogsten recht verschaft werd, en de tijd aanbrak waarop de heiligen het koningsschap aanvaardden. 22 Totdat de Oude van dagen kwam en recht verschaft werd aan de heiligen des Allerhoogsten en de tijd naderde, dat de heiligen het koningschap in bezit kregen. 22 until the Ancient of Days came and pronounced judgment in favor of the holy people of the Most High, and the time came when they possessed the kingdom.
23 Hij zei het volgende: Het vierde dier zal het vierde koninkrijk op aarde zijn, dat verschillen zal van al de andere koninkrijken. Het zal heel de aarde verslinden, het zal haar vertrappen en haar verbrijzelen. 23 Aldus sprak hij: Wat het vierde beest aangaat: er zal een vierde koninkrijk op aarde zijn, dat verschillen zal van alle andere koninkrijken en de ganse aarde verslinden, vertreden en vermalen. 23 Hij sprak aldus: Dat vierde dier is het vierde koninkrijk, dat op aarde zal zijn, dat verschillen zal van alle [andere] koninkrijken, en dat de gehele aarde zal verslinden en haar zal vertreden en vermorzelen. 23 “He gave me this explanation: ‘The fourth beast is a fourth kingdom that will appear on earth. It will be different from all the other kingdoms and will devour the whole earth, trampling it down and crushing it.
24 En de tien horens duiden aan dat uit dat koninkrijk tien koningen zullen opstaan, en na hen zal een ander opstaan. Die zal verschillen van die er eerder geweest waren. Drie koningen zal hij vernederen. 24 Wat de tien horens aangaat: uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en na hen staat een andere op, die van de overige verschillen en drie koningen vernederen zal. 24 En de tien horens; uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en na hen zal een ander opstaan; die zal van de vorige verschillen en drie koningen ten val brengen. 24 The ten horns are ten kings who will come from this kingdom. After them another king will arise, different from the earlier ones; he will subdue three kings.
25 Woorden tegen de Allerhoogste zal hij spreken, de heiligen van de Allerhoogste zal hij te gronde richten. Hij zal erop uit zijn bepaalde tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in zijn hand worden overgegeven voor een tijd, tijden en een halve tijd. 25 Hij zal woorden tegen den Allerhoogste spreken, de heiligen des Allerhoogsten mishandelen en tijden en inzettingen pogen te veranderen, en zij zullen in zijn hand gegeven worden een tijdruimte, tijdruimten en een halve tijdruimte. 25 Hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en de heiligen des Allerhoogsten te gronde richten; hij zal er op uit zijn tijden en wet te veranderen, en zij zullen in zijn macht gegeven worden voor een tijd en tijden en een halve tijd; 25 He will speak against the Most High and oppress his holy people and try to change the set times and the laws. The holy people will be delivered into his hands for a time, times and half a time.
26 Daarna zal het gerechtshof zitting houden: men zal hem zijn heerschappij ontnemen, hem verdelgen en volledig vernietigen. 26 Maar het gericht zal zich neerzetten, en men zal zijn heerschappij wegnemen om haar voorgoed te verdelgen en te vernietigen. 26 Dan zal de vierschaar zich nederzetten, en men zal hem de heerschappij ontnemen en hem verdelgen en vernietigen tot het einde. 26 “ ‘But the court will sit, and his power will be taken away and completely destroyed forever.
27 Maar het koningschap en de heerschappij en de grootheid van de koninkrijken onder heel de hemel zullen gegeven worden aan het volk van de heiligen van de Allerhoogste. Zijn koninkrijk zal een eeuwig koninkrijk zijn, en alles wat heerschappij heeft, zal Hem eren en gehoorzamen. 27 Dan zal het koningsschap, de heerschappij en de macht over de koninkrijken onder den gansen hemel aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten gegeven worden; het rijk van dit volk zal een eeuwig rijk zijn, en alle heerschappijen zullen het dienen en gehoorzamen. 27 En het koningschap, de macht en de grootheid der koninkrijken onder de ganse hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten: zijn koningschap is een eeuwig koningschap, en alle machten zullen het dienen en gehoorzamen. 27 Then the sovereignty, power and greatness of all the kingdoms under heaven will be handed over to the holy people of the Most High. His kingdom will be an everlasting kingdom, and all rulers will worship and obey him.’
28 Hier is het einde van deze woorden. Wat mij, Daniël, betreft – mijn gedachten verschrikten mij zeer, en mijn gelaatskleur veranderde. Deze woorden bewaarde ik echter in mijn hart. 28 Hier is het einde der zaak. Wat mij, Daniël, aangaat, mijn gedachten verbijsterden mij zeer en mijn kleur verschoot, en ik bewaarde de zaak in mijn hart. 28 Hier eindigt het bericht. Wat mij, Daniel, betreft, mijn gedachten ontstelden mij zeer, zodat mijn gelaatskleur verschoot; en ik bewaarde deze woorden in mijn hart. 28 “This is the end of the matter. I, Daniel, was deeply troubled by my thoughts, and my face turned pale, but I kept the matter to myself.”