Ezechiël 36
© Herziene Statenvertaling
© Leidse Vertaling
© NBG
New International Version
1 En u, mensenkind, profeteer tegen de bergen van Israël, en zeg: Bergen van Israël, hoor het woord van de HEERE! 1 Maar gij, menschenkind, profeteer tot Israels bergen en zeg: Bergen van Israel, hoort het woord des Heeren! 1 Gij nu, mensenkind, profeteer over de bergen van Israel en zeg: Bergen van Israel, hoort het woord des Heren. 1 “Son of man, prophesy to the mountains of Israel and say, ‘Mountains of Israel, hear the word of the Lord.
2 Zo zegt de Heere HEERE: Omdat de vijand over u gezegd heeft: Haha! Zelfs de eeuwige hoogten zijn ons tot erfelijk bezit geworden, 2 Zo spreekt de Heere God: Dewijl de vijand van u zegt: Ha, ha! de eeuwige hoogten zijn in ons bezit gekomen-- 2 Zo zegt de Here Here: omdat de vijand van u gezegd heeft: ha, eeuwige hoogten zijn in ons bezit gekomen, 2 This is what the Sovereign Lord says: The enemy said of you, “Aha! The ancient heights have become our possession.” ’
3 profeteer daarom, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Daarom, omdat men u van rondom verwoest en opgeslokt heeft, zodat u een erfelijk bezit werd voor het overblijfsel van de heidenvolken, u over de tong ging en er kwaad gerucht bij het volk was 3 daarom profeteer en zeg: Zo spreekt de Heere God: Omdat en dewijl men in verwatenheid van alle kanten naar u grijpt, opdat het overschot der natien bezit van u neme, en gij in opspraak gekomen en het voorwerp van de kwaadsprekendheid der mensen geworden zijt, 3 Daarom profeteer en zeg: zo zegt de Here Here: juist omdat men u van alle kanten verwoest en vertreden heeft, opdat gij het bezit zoudt worden van het overblijfsel der volken, en omdat gij in opspraak gebracht en belasterd zijt door de mensen; 3 Therefore prophesy and say, ‘This is what the Sovereign Lord says: Because they ravaged and crushed you from every side so that you became the possession of the rest of the nations and the object of people’s malicious talk and slander,
4 – luister daarom, bergen van Israël, naar het woord van de Heere HEERE. Zo zegt de Heere HEERE tegen de bergen en tegen de heuvels, tegen de waterstromen en tegen de dalen, tegen de verwoeste puinhopen en tegen de verlaten steden, die tot buit en tot een voorwerp van spot geworden zijn voor het overblijfsel van de heidenvolken die rondom u zijn – 4 daarom, bergen van Israel, hoort het woord van den Heere God! Zo spreekt de Heere God tot de bergen en heuvelen, de kloven en dalen, de verwoeste puinhopen en verlaten steden, die ten buit en spot voor het overschot der rondom wonende natien zijn geworden: 4 Daarom, bergen van Israel, hoort het woord van de Here Here. Zo zegt de Here Here tot de bergen, de heuvels, de beekbeddingen en de dalen, tot de woeste puinhopen en de ontvolkte steden, die voor het overblijfsel der omwonende volken tot buit en tot een voorwerp van spot geworden zijn, 4 therefore, mountains of Israel, hear the word of the Sovereign Lord : This is what the Sovereign Lord says to the mountains and hills, to the ravines and valleys, to the desolate ruins and the deserted towns that have been plundered and ridiculed by the rest of the nations around you—
5 daarom, zo zegt de Heere HEERE: Voorwaar, in het vuur van Mijn na-ijver heb Ik gesproken tot het overblijfsel van de heidenvolken en tot heel Edom, die zichzelf Mijn land tot erfelijk bezit hebben gegeven met de blijdschap van heel hun hart, met leedvermaak, zodat zijn weidegrond tot buit zou zijn. 5 In het vuur van mijn naijver spreek ik tot het overschot der natien en tot gans Edom, die in volle vreugde des harten en verwatenheid der ziel mijn land tot een bezitting bestemd hebben; waardoor zij zich aan mij vergrepen. 5 Daarom, zo zegt de Here Here, voorwaar, in het vuur van mijn naijver heb Ik gesproken tot het overblijfsel der volken en tot geheel Edom, die met hartgrondige vreugde en diepe minachting mijn land voor zichzelf ten erfdeel hadden bestemd om het volkomen uit te plunderen; 5 this is what the Sovereign Lord says: In my burning zeal I have spoken against the rest of the nations, and against all Edom, for with glee and with malice in their hearts they made my land their own possession so that they might plunder its pastureland.’
6 Profeteer daarom over het land van Israël, en zeg tegen de bergen en tegen de heuvels, tegen de waterstromen en tegen de dalen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, in Mijn na-ijver en in Mijn grimmigheid heb Ik gesproken, omdat u de smaad van de heidenvolken gedragen hebt. 6 Daarom, profeteer over Israels land en zeg tot de bergen en heuvelen, kloven en dalen: Zo spreekt de Heere God: In mijn naijver en gramschap spreek ik: Omdat gij den smaad der natien gedragen hebt; 6 Daarom, profeteer over het land van Israel en zeg tot de bergen en de heuvels, tot de beekbeddingen en de dalen: zo zegt de Here Here: zie, Ik spreek in mijn naijver en in mijn grimmigheid: omdat gij de smaad der volken gedragen hebt, 6 Therefore prophesy concerning the land of Israel and say to the mountains and hills, to the ravines and valleys: ‘This is what the Sovereign Lord says: I speak in my jealous wrath because you have suffered the scorn of the nations.
7 Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Ík heb gezworen: Voorwaar, de heidenvolken die rondom u zijn, zullen zelf hun schande dragen! 7 daarom steek ik, zo spreekt de Heere God, mijn hand op, dat de natien die rondom u wonen zelf haar smaad zullen dragen. 7 Daarom, zo zegt de Here Here, zweer Ik: voorwaar, de volken die rondom u wonen, zullen zelf hun smaad dragen. 7 Therefore this is what the Sovereign Lord says: I swear with uplifted hand that the nations around you will also suffer scorn.
8 En u, bergen van Israël, u zult uw takken weer voortbrengen en uw vruchten voor Mijn volk Israël dragen, want zij komen naderbij. 8 Gij daarentegen, bergen van Israel, zult uw loten schieten en uw vruchten dragen voor mijn volk Israel; daar zijn komst nabij is. 8 Maar gij, bergen van Israel, zult uw takken voortbrengen en uw vruchten dragen voor mijn volk Israel, want nabij is zijn komst. 8 “ ‘But you, mountains of Israel, will produce branches and fruit for my people Israel, for they will soon come home.
9 Want zie, Ik kom naar u toe, Ik zal Mij naar u toewenden, en u zult bewerkt en bezaaid worden. 9 Want zie, ik kom tot u en wend mij weder tot u, en gij zult weer bearbeid en bezaaid worden. 9 Want zie, Ik kom bij u en keer Mij tot u, gij zult bewerkt en bezaaid worden. 9 I am concerned for you and will look on you with favor; you will be plowed and sown,
10 Ik zal de mensen op u talrijk maken, heel het huis van Israël, in zijn geheel. De steden zullen bewoond en de puinhopen zullen herbouwd worden. 10 Ik maak dat gij dicht bevolkt zijt, door het gehele huis Israel; de steden worden weer bewoond en de puinhopen herbouwd. 10 Ik zal de mensen op u talrijk maken: het ganse huis Israels; de steden zullen weer bewoond en de puinhopen herbouwd worden. 10 and I will cause many people to live on you—yes, all of Israel. The towns will be inhabited and the ruins rebuilt.
11 Ik zal mens en dier op u talrijk maken, zij zullen talrijk worden en vruchtbaar zijn. Ik zal u doen bewonen als in uw vroegere tijden, ja, Ik zal u meer goeddoen dan in uw begin. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben. 11 Ja, ik maak mens en dier talrijk op u; zij zullen zich vermenigvuldigen en vruchtbaar zijn; ik zal u bevolken als in uw vroegeren tijd en u weldoen meer dan weleer. Zo zult gij weten dat ik de Heer ben. 11 Ja, Ik zal mensen en dieren op u talrijk maken, zij zullen zich vermenigvuldigen en vruchtbaar zijn; Ik zal u bevolken als vanouds en u weldoen meer dan vroeger; en gij zult weten, dat Ik de Here ben. 11 I will increase the number of people and animals living on you, and they will be fruitful and become numerous. I will settle people on you as in the past and will make you prosper more than before. Then you will know that I am the Lord.
12 Ik zal mensen over u doen lopen, namelijk Mijn volk Israël. Zij zullen u in bezit nemen, u zult voor hen tot erfelijk bezit zijn en u zult hen voortaan niet meer van kinderen beroven. 12 Ik zal weer mensen, mijn volk Israel, op u doen verkeren, die van u bezit zullen nemen; gij zult hun ten erve zijn en hen voortaan niet meer kinderloos maken. 12 Ik zal mensen op u doen verkeren, en wel mijn volk Israel, die zullen u in bezit krijgen; gij zult hun tot een erfdeel zijn en hen niet langer van kinderen beroven. 12 I will cause people, my people Israel, to live on you. They will possess you, and you will be their inheritance; you will never again deprive them of their children.
13 Zo zegt de Heere HEERE: Omdat zij tegen u zeggen: U bent een mensenverslinder, en u bent een land dat uw volken van kinderen berooft, 13 Zo spreekt de Heere God: Dewijl men van u zegt dat gij mensen verteert en uw eigen natie kinderloos hebt gemaakt; 13 Zo zegt de Here Here: Omdat men van u zegt: een mensenverslinder zijt gij, [een] [land], dat zijn volk van kinderen berooft, 13 “ ‘This is what the Sovereign Lord says: Because some say to you, “You devour people and deprive your nation of its children,”
14 daarom zult u geen mens meer verslinden en uw volken niet meer van kinderen beroven, spreekt de Heere HEERE. 14 daarom, voortaan zult gij geen mensen meer verteren en uw natie niet meer kinderloos maken, spreekt de Heere God; 14 Daarom zult gij geen mensen meer verslinden en uw volk niet meer van kinderen beroven, luidt het woord van de Here Here. 14 therefore you will no longer devour people or make your nation childless, declares the Sovereign Lord.
15 Ik zal de smaad van de heidenvolken over u niet meer doen horen en u zult de schande van de volken niet langer dragen. U zult uw volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heere HEERE. 15 ik wil niet meer horen dat de natien u smaden, en gij zult de beschimping der volken niet meer dragen, spreekt de Heere God. 15 Ik zal u de hoon der volken niet meer doen horen, de smaad der natien zult gij niet meer dragen, en gij zult uw volk niet meer van kinderen beroven, luidt het woord van de Here Here. 15 No longer will I make you hear the taunts of the nations, and no longer will you suffer the scorn of the peoples or cause your nation to fall, declares the Sovereign Lord.’ ”
16 Het woord van de HEERE kwam tot mij: 16 Het woord des Heeren kwam aldus tot mij: 16 Het woord des Heren kwam tot mij: 16 Again the word of the Lord came to me:
17 Mensenkind, toen het huis van Israël in hun land woonde, toen verontreinigden zij dat met hun weg en met hun daden. Hun weg was voor Mijn aangezicht als de onreinheid van een afgezonderde vrouw. 17 Menschenkind, toen het huis Israel op zijn eigen grond woonde, hebben zij dien verontreinigd door hun wandel en gedrag; hun wandel voor mijn aangezicht was zo onrein als de maandstonden ener vrouw. 17 Mensenkind, toen het huis Israels nog in zijn land woonde, heeft het dat verontreinigd door zijn handel en wandel. Als de maandelijkse onreinheid, zo was hun wandel in mijn ogen. 17 “Son of man, when the people of Israel were living in their own land, they defiled it by their conduct and their actions. Their conduct was like a woman’s monthly uncleanness in my sight.
18 Toen stortte Ik Mijn grimmigheid over hen uit omwille van het bloed dat zij in het land vergoten hadden, en vanwege hun stinkgoden waarmee zij het verontreinigd hadden. 18 Daarom stortte ik mijn gramschap over hen uit--om het bloed dat zij op het land vergoten hadden, terwijl zij het tevens door hun schandgoden hadden verontreinigd-- 18 Daarom stortte Ik mijn grimmigheid over hen uit vanwege het bloed dat zij in het land vergoten hadden, en omdat zij het verontreinigd hadden door hun afgoden. 18 So I poured out my wrath on them because they had shed blood in the land and because they had defiled it with their idols.
19 Ik verstrooide hen onder de heidenvolken en zij werden verspreid over de landen. Ik heb hen geoordeeld overeenkomstig hun weg en overeenkomstig hun daden. 19 en verstrooide hen onder de volken, zodat zij verspreid werden in de landen; overeenkomstig hun wandel en gedrag heb ik hen gevonnist. 19 Ik verstrooide hen onder de volken, zodat zij over de landen verspreid raakten; naar hun handel en wandel richtte Ik hen. 19 I dispersed them among the nations, and they were scattered through the countries; I judged them according to their conduct and their actions.
20 Toen zij aankwamen bij de heidenvolken waarheen zij gegaan waren, ontheiligden zij Mijn heilige Naam, omdat men van hen zei: Deze mensen zijn het volk van de HEERE en toch zijn zij uit Zijn land vertrokken. 20 Doch toen zij bij de volken tot welke zij kwamen gekomen waren, ontwijdden zij mijn heiligen naam, omdat men van hen zeide: Dat is 's Heeren volk; zij hebben zijn land moeten verlaten! 20 En bij alle volken waar zij kwamen, ontheiligden zij mijn heilige naam, doordat men van hen zeide: Dezen zijn het volk des Heren, maar toch moesten zij weg uit zijn land. 20 And wherever they went among the nations they profaned my holy name, for it was said of them, ‘These are the Lord ’s people, and yet they had to leave his land.’
21 Maar Ik spaarde hen vanwege Mijn heilige Naam. Het huis van Israël had die ontheiligd onder de heidenvolken waarheen zij gegaan waren. 21 Dat ging mij aan het hart om mijn heiligen naam, dien het huis Israel ontwijdde onder de volken tot wie zij gekomen waren. 21 Dit deed Mij leed om mijn heilige naam, die het huis Israels ontheiligd had onder de volken in wier gebied zij gekomen waren. 21 I had concern for my holy name, which the people of Israel profaned among the nations where they had gone.
22 Zeg daarom tegen het huis van Israël: Zo zegt de Heere HEERE: Ik doe het niet om u, huis van Israël, maar om Mijn heilige Naam, die u ontheiligd hebt onder de heidenvolken waarheen u gegaan bent. 22 Zeg daarom tot het huis Israel: Zo spreekt de Heere God: Niet om uwentwil handel ik, huis Israel, maar ter wille van mijn heiligen naam, dien gij ontwijd hebt onder de volken tot wie gij gekomen zijt. 22 Daarom, zeg tot het huis Israels: Zo zegt de Here Here: niet om uwentwil doe Ik het, o huis Israels, maar om mijn heilige naam, die gij ontheiligd hebt onder de volken in wier gebied gij gekomen zijt. 22 “Therefore say to the Israelites, ‘This is what the Sovereign Lord says: It is not for your sake, people of Israel, that I am going to do these things, but for the sake of my holy name, which you have profaned among the nations where you have gone.
23 Ik zal Mijn grote Naam heiligen, die onder de heidenvolken ontheiligd is, die u in hun midden ontheiligd hebt. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, spreekt de Heere HEERE, als Ik in u voor hun ogen geheiligd word. 23 Heiligen zal ik mijn groten naam, die ontwijd is onder de volken, dien gij in hun midden ontwijd hebt; en de volken zullen weten dat ik de Heer ben, spreekt de Heere God, wanneer ik mij in u voor hun ogen als den Heilige doe kennen. 23 Ik zal mijn grote naam die onder de volken ontheiligd is, die gij te midden van hen ontheiligd hebt, heiligen; en de volken zullen weten, dat Ik de Here ben, luidt het woord van de Here Here, wanneer Ik Mij voor hun ogen aan u de Heilige zal betonen. 23 I will show the holiness of my great name, which has been profaned among the nations, the name you have profaned among them. Then the nations will know that I am the Lord , declares the Sovereign Lord , when I am proved holy through you before their eyes.
24 Ik zal u uit de heidenvolken halen en u uit alle landen bijeenbrengen. Dan zal Ik u naar uw land brengen. 24 Daarom zal ik u uit de volken nemen, herzamelen uit alle landen en brengen naar uw eigen grond. 24 Ik zal u weghalen uit de volken en u bijeenvergaderen uit alle landen, en Ik zal u brengen naar uw eigen land; 24 “ ‘For I will take you out of the nations; I will gather you from all the countries and bring you back into your own land.
25 Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen. 25 Dan zal ik rein water op u sprengen, zodat gij rein wordt; van al uw onreinheden en van al uw schandgoden zal ik u reinigen. 25 Ik zal rein water over u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw afgoden zal Ik u reinigen; 25 I will sprinkle clean water on you, and you will be clean; I will cleanse you from all your impurities and from all your idols.
26 Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven. 26 En ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwen geest in uw binnenste; ik zal het stenen hart uit uw lichaam verwijderen en u een hart van vlees geven; 26 Een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven. 26 I will give you a new heart and put a new spirit in you; I will remove from you your heart of stone and give you a heart of flesh.
27 Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven. Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en dat u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt. 27 mijn geest zal ik in uw binnenste geven, en maken dat gij in mijn inzettingen wandelt en mijn verordeningen inachtneemt en onderhoudt. 27 Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn inzettingen wandelt en naarstig mijn verordeningen onderhoudt. 27 And I will put my Spirit in you and move you to follow my decrees and be careful to keep my laws.
28 U zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb, u zult een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor u zijn. 28 Gij zult wonen in het land dat ik uw vaderen gegeven heb, en mij ten volk zijn, terwijl ik u ten God zal zijn. 28 Gij zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb; gij zult Mij tot een volk zijn en Ik zal u tot een God zijn. 28 Then you will live in the land I gave your ancestors; you will be my people, and I will be your God.
29 Ik zal u verlossen van al uw onreinheden. Ik zal roepen tegen het koren en Ik zal het veel doen worden: Ik zal u geen hongersnood opleggen. 29 Ik zal u redden uit al uw onreinheden, het koorn ontbieden en overvloedig maken en u geen hongersnood meer toezenden; 29 Ik zal u van al uw onreinheden verlossen, Ik zal het koren roepen en het vermeerderen, en geen hongersnood over u brengen. 29 I will save you from all your uncleanness. I will call for the grain and make it plentiful and will not bring famine upon you.
30 Ik zal de vrucht van de bomen en de opbrengst van het veld vermeerderen, zodat u onder de heidenvolken de smaad van de hongersnood niet meer ontvangt. 30 de boom [vruchten] en veldvruchten zal ik overvloedig maken, opdat gij den smaad van honger te lijden niet meer onder de volken te dragen moogt hebben. 30 Ja, Ik zal de vrucht van het geboomte en de opbrengst van het veld vermeerderen, opdat gij niet meer de smaad van hongersnood te dragen krijgt onder de volken. 30 I will increase the fruit of the trees and the crops of the field, so that you will no longer suffer disgrace among the nations because of famine.
31 U zult zich uw slechte wegen en uw daden die niet goed waren, herinneren. U zult walgen van uzelf om uw ongerechtigheden en om uw gruweldaden. 31 Dan zult gij uw bozen wandel en uw verkeerd gedrag herdenken en walgen van uzelf om uw overtredingen en afschuwelijkheden. 31 Dan zult gij terugdenken aan uw boze wandel en aan uw handelwijze, die niet goed was, en gij zult van uzelf walgen om uw ongerechtigheden en uw gruwelen. 31 Then you will remember your evil ways and wicked deeds, and you will loathe yourselves for your sins and detestable practices.
32 Ik doe het niet omwille van u, spreekt de Heere HEERE, laat dat u bekend zijn. Schaam u en word te schande vanwege uw wegen, huis van Israël. 32 Niet om uwentwil doe ik het, spreekt de Heere God. Weet dat wel! Schaamt u en staat verlegen over uw wandel, huis Israel. 32 Niet om uwentwil doe Ik het, luidt het woord van de Here Here; weet dat wel! Schaamt u en wordt schaamrood over uw wandel, huis Israels. 32 I want you to know that I am not doing this for your sake, declares the Sovereign Lord. Be ashamed and disgraced for your conduct, people of Israel!
33 Zo zegt de Heere HEERE: Op de dag dat Ik u reinig van al uw ongerechtigheden, zal Ik de steden doen bewonen en zullen de puinhopen herbouwd worden. 33 Zo zegt de Heere God: Ten dage dat ik u reinig van al uw overtredingen zal ik ook weer de steden bevolken, en zullen de puinhopen herbouwd worden; 33 Zo spreekt de Here Here: Wanneer Ik u reinig van al uw ongerechtigheden, zal Ik de steden weer bevolken en zullen de puinhopen herbouwd worden; 33 “ ‘This is what the Sovereign Lord says: On the day I cleanse you from all your sins, I will resettle your towns, and the ruins will be rebuilt.
34 Het verwoeste land zal bewerkt worden, in plaats van een woestenij te zijn voor de ogen van ieder die erdoorheen trekt. 34 het land dat woest lag zal weer worden bearbeid, terwijl het vroeger een wildernis was ten aanschouwen van alle voorbijgangers, 34 Het verwoeste land zal weer worden bewerkt, in plaats van een woestenij te zijn voor het oog van iedere voorbijganger. 34 The desolate land will be cultivated instead of lying desolate in the sight of all who pass through it.
35 Zij zullen zeggen: Dit land, dat verwoest was, is als de hof van Eden geworden. De steden die verwoest lagen, verwoest en afgebroken, zijn versterkt en bewoond. 35 en men zal zeggen: Dit land, dat woest lag, is aan den hof van Eden gelijk geworden, en de steden die in puin lagen en verwoest en omvergehaald waren liggen daar als vestingen. 35 En men zal zeggen: Dit land dat verwoest was, is geworden als de hof van Eden; de steden die, verwoest en vernield, in puin lagen, zijn weer versterkt en bewoond. 35 They will say, “This land that was laid waste has become like the garden of Eden; the cities that were lying in ruins, desolate and destroyed, are now fortified and inhabited.”
36 Dan zullen de heidenvolken die om u heen overgebleven zijn, weten dat Ik, de HEERE, Zelf herbouw wat afgebroken is en beplant wat verwoest is. Ík, de HEERE, heb gesproken en Ik zal het doen. 36 Zo zullen de natien die rondom u overgebleven zijn weten dat ik, de Heer, het omvergehaalde herbouwd en het woest liggende beplant heb; ik; de Heer, heb gesproken en zal het doen. 36 Dan zullen de volken die om u heen overgebleven zijn, weten, dat Ik, de Here, herbouwd heb wat vernield was en beplant heb wat verwoest was. Ik, de Here, heb het gesproken en Ik zal het doen. 36 Then the nations around you that remain will know that I the Lord have rebuilt what was destroyed and have replanted what was desolate. I the Lord have spoken, and I will do it.’
37 Zo zegt de Heere HEERE: Opnieuw zal Ik hierom door het huis van Israël gevraagd worden om dit voor hen te doen. Ik zal hen even talrijk aan mensen maken als aan schapen. 37 Zo spreekt de Heere God: Ook hiertoe zal ik mij laten vinden door het huis Israel om naar hun wensen te doen: ik zal hen talrijk maken als schapen; 37 Zo zegt de Here Here: Ook dit zal Ik Mij door het huis Israels laten afsmeken om hun te doen: Ik zal hen zo talrijk aan mensen maken als een kudde schapen; 37 “This is what the Sovereign Lord says: Once again I will yield to Israel’s plea and do this for them: I will make their people as numerous as sheep,
38 Als met de geheiligde schapen, als met de schapen van Jeruzalem op hun vaste feestdagen, zo vol zullen de verwoeste steden worden met kudden mensen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben. 38 als offerschapen, als de schapen op Jeruzalems feesten, zo vol van menschenkudden zullen de in puin liggende steden worden. Zo zullen zij weten dat ik de Heer ben. 38 Zo vol als met een kudde offerschapen, als met de kudde schapen op Jeruzalems feesten, zo vol zullen de verwoeste steden zijn met mensenkudden. En zij zullen weten, dat Ik de Here ben. 38 as numerous as the flocks for offerings at Jerusalem during her appointed festivals. So will the ruined cities be filled with flocks of people. Then they will know that I am the Lord.”