Jesaja 9
© NBG
© Herziene Statenvertaling
© Leidse Vertaling
1 Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een licht. 1 Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien. Zij die wonen in het land van de schaduw van de dood, over hen zal een licht schijnen. 1 (8-23) Maar wie beangst is geweest is nu niet meer verjaagd. Evenals de vroegere tijd over Zebulons en Naftali's land smaad heeft gebracht, zo brengt de latere het in ere, den zeeweg, de overzijde van den Jordaan, de streek der heidenen.
2 Gij hebt het volk vermenigvuldigd, zijn vreugde groot gemaakt; het verheugt zich voor uw aangezicht als met de vreugde bij de oogst, zoals men juicht bij het verdelen van de buit. 2 U hebt dit volk talrijk gemaakt; hebt U niet de blijdschap groot gemaakt? Zij zullen blij zijn voor Uw aangezicht, zoals men zich verblijdt bij de oogst, zoals men zich verheugt wanneer men de buit verdeelt. 2 (9-1) Het volk dat in duisternis wandelde heeft een groot licht gezien; over hen die neerzaten in een somber oord is een helder licht opgegaan.
3 Want het juk dat het drukte, en de stang op zijn schouder, de roede van zijn drijver, hebt Gij verbroken als op Midjansdag. 3 Want het juk van hun last, de stok op hun schouders, en de knuppel van hun slavendrijver hebt U verbroken als eens op Midiansdag. 3 (9-2) Gij hebt zeer veel blijdschap geschonken, grote vreugde gewekt; zij verheugen zich voor uw aangezicht, zoals men zich verheugt in den oogst, zoals men blijde is bij het verdelen van buit.
4 Want elke schoen die dreunend stampt, en elke mantel, in bloed gewenteld, zal verbrand worden, een prooi van het vuur. 4 Ja, elke laars, stampend met gedreun, iedere soldatenmantel, gewenteld in bloed, zal verbrand worden, voedsel voor het vuur. 4 (9-3) Het juk toch dat zij torsten, de draagstang op hun schouders, den staf van hun drijvers hebt gij verbroken, als op den Midiansdag.
5 Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. 5 Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op Zijn schouder. En men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. 5 (9-4) Immers, alle rustingen, in het strijdgewoel gedragen, en mantels in bloed gewenteld, zullen tot brandstof zijn, het vuur tot spijze.
6 Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de Here der heerscharen zal dit doen. 6 Aan de uitbreiding van deze heerschappij en aan de vrede zal geen einde komen op de troon van David en over zijn koninkrijk, om het te grondvesten en het te ondersteunen door recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De na-ijver van de HEERE van de legermachten zal dit doen. 6 (9-5) Want een kind is ons geboren, een zoon ons gegeven; de heerschappij rust op zijn schouder; men noemt hem: Wonderbaar raadsman, goddelijk held, buitbehaler, vredevorst.
7 De Here heeft een woord gezonden in Jakob en het is gevallen in Israel. 7 De Heere heeft een woord gezonden in Jakob, en het is gevallen in Israël. 7 (9-6) Groot is die heerschappij en eindeloos de vrede op Davids troon en over zijn koninkrijk om het te bevestigen en te steunen door recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De naijver van den Heer der heirscharen zal dit doen.
8 En het ganse volk zal het ervaren, Efraim en de inwoners van Samaria, die in hoogmoed en grootsheid van hart zeggen: 8 En heel dit volk zal het weten, Efraïm en de inwoners van Samaria, die in hoogmoed en in trots zeggen: 8 (9-7) De Heer heeft een woord in Jakob gezonden, het zal vallen in Israel,
9 Tichelstenen zijn gevallen, maar met gehouwen stenen herbouwen wij; wilde vijgebomen zijn geveld, maar ceders zetten wij daarvoor in de plaats. 9 Bakstenen muren zijn gevallen, maar wij zullen ze weer opbouwen met gehouwen stenen. Wilde vijgenbomen zijn geveld, wij zullen er ceders voor in de plaats zetten. 9 (9-8) en het ganse volk zal het weten, Efraim en Samarie's bevolking, die in hoogmoed en grootschheid des harten spreekt:
10 Doch de Here verhief Resins tegenstanders tegen hen en Hij hitste hun vijanden op: 10 Want de HEERE zal de tegenstanders van Rezin tegen hem opzetten en Hij zal zijn vijanden ophitsen: 10 (9-9) Tichels zijn gevallen, met steenblokken herbouwen wij; wilde vijgebomen zijn geveld, ceders zetten wij in hun plaats!
11 Aram in het oosten en de Filistijnen in het westen, zodat zij Israel gulzig verslonden. Ondanks dit alles keert zijn toorn zich niet af en blijft zijn hand uitgestrekt. 11 de Syriërs vanuit het oosten en de Filistijnen vanuit het westen, zodat zij Israël verslinden met heel hun mond. Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af; nog is Zijn hand tegen hen uitgestrekt. 11 (9-10) Maar de Heer hitst hun tegenstanders tegen hen op, brengt hun vijanden in de wapenen,
12 Doch het volk heeft zich niet bekeerd tot Hem die het sloeg, en het heeft de Here der heerscharen niet gezocht. 12 Want het volk bekeert zich niet tot Hem Die het slaat, en de HEERE van de legermachten zoeken zij niet. 12 (9-11) de Arameers ten oosten, de Filistijnen ten westen; zij verslinden Israel met gulzigen mond. Met dat al is zijn toorn niet afgewend, zijn hand nog steeds uitgestrekt.
13 Toen sneed de Here op een dag van Israel kop en staart, palmtak en riet af. 13 Daarom zal de HEERE van Israël kop en staart, palmtak en riet, op één dag afsnijden. 13 (9-12) Doch het volk heeft zich niet bekeerd tot hem die het sloeg, en naar den Heer der heirscharen niet gevraagd.
14 De oude en aanzienlijke, die is de kop, en de profeet die leugen onderwijst, die is de staart. 14 De oudste en aanzienlijke: zij zijn de kop, en de leugen onderwijzende profeet: hij is de staart. 14 (9-13) Dies snijdt de Heer van Israel kop en staart af, boomkruin en twijg, op een dag.
15 De leiders van dit volk waren verleiders en wie zich leiden lieten, werden op een doolweg gebracht. 15 Want de leiders van dit volk zijn misleiders: wie door hen worden geleid, worden in verwarring gebracht. 15 (9-14) --De oudste en de gunsteling, dat is de kop, de profeet die leugens spreekt, dat is de staart. --
16 Daarom verheugt de Here Zich niet over de jonge mannen en ontfermt Hij Zich niet over de wezen en weduwen, want elkeen is een godvergetene en een booswicht en elke mond spreekt dwaasheid. Ondanks dit alles keert zijn toorn zich niet af en blijft zijn hand uitgestrekt. 16 Daarom zal de Heere Zich niet verblijden over hun jongemannen, en zal Hij Zich niet ontfermen over hun wezen en hun weduwen, want zij zijn allen huichelaars en kwaaddoeners en elke mond spreekt dwaasheid. Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af; nog is Zijn hand tegen hen uitgestrekt. 16 (9-15) De leidslieden van dit volk zijn verleiders, en zij die geleid worden zijn op een doolweg gebracht.
17 Want goddeloosheid brandt als een vuur, dat dorens en distels verteert en de dichte takken van het woud aansteekt, zodat zij in rookwolken opgaan. 17 Want de goddeloosheid brandt als vuur, verteert doornen en distels, steekt het struikgewas in het woud aan, en ze gaan op in een wolk van rook. 17 (9-16) Daarom spaart de Heer hun jongelingen niet, en erbarmt hij zich niet over hun wezen en weduwen; want allen zijn goddeloos en misdadig, en elke mond spreekt dwaasheid. Met dat al is zijn toorn niet afgewend, zijn hand nog steeds uitgestrekt.
18 Door de verbolgenheid van de Here der heerscharen wordt het land in brand gezet, zodat het volk tot een prooi van het vuur wordt; de ene mens spaart de ander niet, 18 Door de verbolgenheid van de HEERE van de legermachten zal het land zwartgeblakerd worden en het volk zal als voedsel worden voor het vuur. De een zal de ander niet sparen. 18 (9-17) Want de snoodheid brandt als een vuur dat doornen en distelen verteert, het kreupelhout des wouds in vlam zet; zodat de dalen in rook gehuld worden.
19 Men bijt naar rechts en toch hongert men, en men verslindt naar links en toch wordt men niet verzadigd, ieder verslindt het vlees van zijn eigen arm: 19 Hapt men naar rechts, toch lijdt men honger; eet men naar links, toch wordt men niet verzadigd. Eenieder zal het vlees van zijn eigen arm eten: 19 (9-18) Door de verbolgenheid van den Heer der heirscharen is het land in vlam gezet, en het volk tot voedsel voor het vuur geworden. Niemand spaart zijn broeder;
20 Manasse Efraim en Efraim Manasse, en samen keren zij zich tegen Juda. Ondanks dit alles keert zijn toorn zich niet af en blijft zijn hand uitgestrekt. 20 Manasse van Efraïm, Efraïm van Manasse; en die samen zijn tegen Juda. Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af; nog is Zijn hand tegen hen uitgestrekt. 20 (9-19) men bijt naar rechts, en blijft hongerig, vreet naar links en wordt niet verzadigd; ieder verslindt zijn naaste:
    21 (9-20) Manasse Efraim en Efraim Manasse, beiden tezamen tegen Juda. Met dat al is zijn toorn niet afgewend, zijn hand nog steeds uitgestrekt.