Exodus 12
Staten Vertaling
© Lutherse Vertaling
Vamvas
Louis Segond
Staten Vertaling
1 De HEERE nu had tot Mozes en tot Aaron in Egypteland gesproken, zeggende: 1 En de Heer sprak tot Mozes en Aäron in Egypteland: 1 Και είπε Κύριος προς τον Μωϋσήν και προς τον Ααρών εν τη γη της Αιγύπτου, λέγων, 1 L'Eternel dit à Moïse et à Aaron dans le pays d'Egypte: 1 De HEERE nu had tot Mozes en tot Aaron in Egypteland gesproken, zeggende:
2 Deze zelfde maand zal ulieden het hoofd der maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden des jaars zijn. 2 Deze maand zal bij u de eerste maand zijn, en van haar zult gij de maanden des jaars beginnen. 2 Ο μην ούτος θέλει είσθαι εις εσάς αρχή μηνών· θέλει είσθαι εις εσάς πρώτος των μηνών του ενιαυτού. 2 Ce mois-ci sera pour vous le premier des mois; il sera pour vous le premier des mois de l'année. 2 Deze zelfde maand zal ulieden het hoofd der maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden des jaars zijn.
3 Spreekt tot de ganse vergadering van Israel, zeggende: Aan den tienden dezer maand neme een iegelijk een lam, naar de huizen der vaderen, een lam voor een huis. 3 Spreekt tot de gehele gemeente van Israël, zeggende: Op den tienden dag dezer maand neme elk een lam, waar een huisvader is, een lam voor elk huis; 3 Λαλήσατε προς πάσαν την συναγωγήν του Ισραήλ, λέγοντες, Την δεκάτην τούτου του μηνός ας λάβωσιν εις εαυτούς έκαστος εν αρνίον κατά τους οίκους των πατριών αυτών, εν αρνίον δι' έκαστον οίκον. 3 Parlez à toute l'assemblée d'Israël, et dites: Le dixième jour de ce mois, on prendra un agneau pour chaque famille, un agneau pour chaque maison. 3 Spreekt tot de ganse vergadering van Israel, zeggende: Aan den tienden dezer maand neme een iegelijk een lam, naar de huizen der vaderen, een lam voor een huis.
4 Maar indien een huis te klein is voor een lam, zo neme hij het en zijn nabuur, de naaste aan zijn huis, naar het getal der zielen, een iegelijk naar dat hij eten kan; gij zult rekening maken naar het lam. 4 maar indien er in een huis te weinig voor een lam zijn, dan neme men het met zijnen gebuur, den naaste aan zijn huis, te zamen; totdat gij zovelen wordt, dat men het lam kan opeten. 4 Εάν όμως ήναι οι εν τω οίκω ολιγοστοί διά το αρνίον, αυτός και ο γείτων αυτού ο πλησιέστερος της οικίας αυτού ας λάβωσιν αυτό κατά τον αριθμόν των ψυχών· έκαστος θέλει συναριθμείσθαι διά το αρνίον αναλόγως με το αρκετόν εις αυτόν να φάγη. 4 Si la maison est trop peu nombreuse pour un agneau, on le prendra avec son plus proche voisin, selon le nombre des personnes; vous compterez pour cet agneau d'après ce que chacun peut manger. 4 Maar indien een huis te klein is voor een lam, zo neme hij het en zijn nabuur, de naaste aan zijn huis, naar het getal der zielen, een iegelijk naar dat hij eten kan; gij zult rekening maken naar het lam.
5 Gij zult een volkomen lam hebben, een manneken, een jaar oud; van de schapen of van de geitenbokken zult gij het nemen. 5 Doch gij zult zulk een lam nemen, aan hetwelk geen gebrek is, een mannetje, een jaar oud; gij zult het nemen van de lammeren of geitebokken, 5 Το δε αρνίον σας θέλει είσθαι τέλειον, αρσενικόν ενιαύσιον· εκ των προβάτων ή εκ των αιγών θέλετε λάβει αυτό. 5 Ce sera un agneau sans défaut, mâle, âgé d'un an; vous pourrez prendre un agneau ou un chevreau. 5 Gij zult een volkomen lam hebben, een manneken, een jaar oud; van de schapen of van de geitenbokken zult gij het nemen.
6 En gij zult het in bewaring hebben tot den veertienden dag dezer maand; en de ganse gemeente der vergadering van Israel zal het slachten tussen twee avonden. 6 en zult het behouden tot op den veertienden dag der maand; en de ganse vergadering der gemeente van Israël zal het slachten tussen de twee avonden. 6 Και θέλετε φυλάττει αυτό μέχρι της δεκάτης τετάρτης του αυτού μηνός· και τότε άπαν το πλήθος της συναγωγής του Ισραήλ θέλει σφάξει αυτό προς το εσπέρας. 6 Vous le garderez jusqu'au quatorzième jour de ce mois; et toute l'assemblée d'Israël l'immolera entre les deux soirs. 6 En gij zult het in bewaring hebben tot den veertienden dag dezer maand; en de ganse gemeente der vergadering van Israel zal het slachten tussen twee avonden.
7 En zij zullen van het bloed nemen, en strijken het aan de beide zijposten, en aan den bovendorpel, aan de huizen, in welke zij het eten zullen. 7 En men zal van zijn bloed nemen en daarmede bestrijken de posten der deur, en den bovensten drempel der huizen, in welke zij eten. 7 Και θέλουσι λάβει εκ του αίματος και βάλει επί τους δύο παραστάτας και επί το ανώφλιον της θύρας των οικιών, όπου θέλουσι φάγει αυτό. 7 On prendra de son sang, et on en mettra sur les deux poteaux et sur le linteau de la porte des maisons où on le mangera. 7 En zij zullen van het bloed nemen, en strijken het aan de beide zijposten, en aan den bovendorpel, aan de huizen, in welke zij het eten zullen.
8 En zij zullen het vlees eten in denzelfden nacht, aan het vuur gebraden, met ongezuurde broden; zij zullen het met bittere saus eten. 8 En men zal alzo dat vlees eten in denzelfden nacht, aan het vuur gebraden, met ongezuurde broden; en men zal het met bittere saus eten. 8 Και θέλουσι φάγει το κρέας την νύκτα εκείνην, οπτόν εν πυρί· με άζυμα, και με χόρτα πικρά θέλουσι φάγει αυτό· 8 Cette même nuit, on en mangera la chair, rôtie au feu; on la mangera avec des pains sans levain et des herbes amères. 8 En zij zullen het vlees eten in denzelfden nacht, aan het vuur gebraden, met ongezuurde broden; zij zullen het met bittere saus eten.
9 Gij zult daarvan niet rauw eten, ook geenszins in water gezoden; maar aan het vuur gebraden, zijn hoofd met zijn schenkelen en met zijn ingewand. 9 Gij zult het niet rauw eten, noch in water gezoden, maar aan het vuur gebraden, zijn hoofd met zijne schenkels en met zijn ingewand. 9 μη φάγητε απ' αυτού ωμόν, μηδέ βραστόν εν ύδατι, αλλά οπτόν εν πυρί· την κεφαλήν αυτού μετά των ποδών αυτού και μετά των εντοσθίων αυτού· 9 Vous ne le mangerez point à demi cuit et bouilli dans l'eau; mais il sera rôti au feu, avec la tête, les jambes et l'intérieur. 9 Gij zult daarvan niet rauw eten, ook geenszins in water gezoden; maar aan het vuur gebraden, zijn hoofd met zijn schenkelen en met zijn ingewand.
10 Gij zult daarvan ook niet laten overblijven tot den morgen; maar hetgeen daarvan overblijft tot den morgen, zult gij met vuur verbranden. 10 En gij zult er niets van laten overblijven tot den morgen, maar indien iets daarvan overblijft tot den morgen, zult gij het met vuur verbranden. 10 και μη αφήσητε υπόλοιπον απ' αυτού έως το πρωΐ· ό,τι δε περισσεύση απ' αυτού έως το πρωΐ, καύσατε εν πυρί. 10 Vous n'en laisserez rien jusqu'au matin; et, s'il en reste quelque chose le matin, vous le brûlerez au feu. 10 Gij zult daarvan ook niet laten overblijven tot den morgen; maar hetgeen daarvan overblijft tot den morgen, zult gij met vuur verbranden.
11 Aldus nu zult gij het eten: uw lenden zullen opgeschort zijn, uw schoenen aan uw voeten, en uw staf in uw hand; en gij zult het met haast eten; het is des HEEREN pascha. 11 En aldus zult gij het eten: gij zult om uwe lendenen omgord zijn, en schoenen aan uwe voeten hebben, en staven in uwe handen; en gij zult het eten met haast; want dit is het Pascha des Heren. 11 Και ούτω θέλετε φάγει αυτό· Εζωσμένοι τας οσφύας σας, έχοντες τα υποδήματά σας εις τους πόδας σας και την ράβδον σας εις την χείρα σας· και θέλετε φάγει αυτό μετά σπουδής· είναι πάσχα του Κυρίου. 11 Quand vous le mangerez, vous aurez vos reins ceints, vos souliers aux pieds, et votre bâton à la main; et vous le mangerez à la hâte. C'est la Pâque de l'Eternel. 11 Aldus nu zult gij het eten: uw lenden zullen opgeschort zijn, uw schoenen aan uw voeten, en uw staf in uw hand; en gij zult het met haast eten; het is des HEEREN pascha.
12 Want Ik zal in dezen nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan al de goden der Egyptenaren, Ik, de HEERE! 12 Want Ik zal in dienzelfden nacht door Egypteland gaan, en slaan alle eerstgeborenen in Egypteland, beide onder mensen en vee, en Ik zal mijne straf betonen aan alle goden der Egyptenaren, Ik de Heer. 12 Διότι την νύκτα ταύτην θέλω περάσει διά μέσου της γης της Αιγύπτου και θέλω πατάξει παν πρωτότοκον εν τη γη της Αιγύπτου, από ανθρώπου έως κτήνους· και θέλω κάμει κρίσεις εναντίον πάντων των θεών της Αιγύπτου. Εγώ ο Κύριος. 12 Cette nuit-là, je passerai dans le pays d'Egypte, et je frapperai tous les premiers-nés du pays d'Egypte, depuis les hommes jusqu'aux animaux, et j'exercerai des jugements contre tous les dieux de l'Egypte. Je suis l'Eternel. 12 Want Ik zal in dezen nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan al de goden der Egyptenaren, Ik, de HEERE!
13 En dat bloed zal ulieden tot een teken zijn aan de huizen, waarin gij zijt; wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbijgaan; en er zal geen plaag onder ulieden ten verderve zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal. 13 En dat bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen, in welke gij zijt; opdat Ik, het bloed ziende, u voorbijga, en opdat u niet wedervare de plaag, die verderft, als Ik Egypteland sla. 13 Και το αίμα θέλει είσθαι εις εσάς διά σημείον επί των οικιών, εις τας οποίας κατοικείτε· και όταν ίδω το αίμα, θέλω σας παρατρέξει, και η πληγή δεν θέλει είσθαι εις εσάς διά να σας εξολοθρεύση, όταν πατάξω την γην της Αιγύπτου. 13 Le sang vous servira de signe sur les maisons où vous serez; je verrai le sang, et je passerai par-dessus vous, et il n'y aura point de plaie qui vous détruise, quand je frapperai le pays d'Egypte. 13 En dat bloed zal ulieden tot een teken zijn aan de huizen, waarin gij zijt; wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbijgaan; en er zal geen plaag onder ulieden ten verderve zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal.
14 En deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis, en gij zult hem den HEERE tot een feest vieren; gij zult hem vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting. 14 En gij zult dezen dag hebben ter gedachtenis, en zult dien vieren den Heer tot een feest, gij en al uwe nakomelingen, tot ene eeuwige inzetting. 14 Και η ημέρα αύτη θέλει είσθαι εις εσάς εις μνημόσυνον· και θέλετε εορτάζει αυτήν εορτήν εις τον Κύριον εις τας γενεάς σας· κατά νόμον παντοτεινόν θέλετε εορτάζει αυτήν. 14 Vous conserverez le souvenir de ce jour, et vous le célébrerez par une fête en l'honneur de l'Eternel; vous le célébrerez comme une loi perpétuelle pour vos descendants. 14 En deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis, en gij zult hem den HEERE tot een feest vieren; gij zult hem vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting.
15 Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde broden eten; maar aan den eersten dag zult gij het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van den eersten dag af tot op den zevenden dag, diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit Israel. 15 Zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten, namelijk op den eersten dag zult gij doen ophouden het gezuurde brood in uwe huizen; want wie gezuurd brood eet van den eersten dag af tot op den zevenden, diens ziel zal uitgeroeid worden uit Israël. 15 Επτά ημέρας θέλετε τρώγει άζυμα· από της πρώτης ημέρας θέλετε σηκώσει το προζύμιον εκ των οικιών σας· διότι όστις φάγη ένζυμα από της πρώτης έως της εβδόμης ημέρας, η ψυχή εκείνη θέλει εξολοθρευθή εκ του Ισραήλ. 15 Pendant sept jours, vous mangerez des pains sans levain. Dès le premier jour, il n'y aura plus de levain dans vos maisons; car toute personne qui mangera du pain levé, du premier jour au septième jour, sera retranchée d'Israël. 15 Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde broden eten; maar aan den eersten dag zult gij het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van den eersten dag af tot op den zevenden dag, diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit Israel.
16 En op den eersten dag zal er een heilige verzameling zijn; ook zult gij een heilige verzameling hebben op den zevenden dag; er zal geen werk op denzelven gedaan worden; maar wat van iedere ziel gegeten zal worden, datzelve alleen mag van ulieden toegemaakt worden. 16 De eerste dag zal heilig zijn, dat gij tezamen komt, en de zevende zal ook heilig zijn, dat gij tezamen komt: gij zult daarop geen arbeid doen, behalve wat tot de spijs behoort voor allerlei zielen; dit alleen moogt gij voor u doen. 16 Και εν τη πρώτη ημέρα θέλει είσθαι σύναξις αγία· και εν τη εβδόμη ημέρα σύναξις αγία θέλει είσθαι εις εσάς· ουδεμία εργασία θέλει γίνεσθαι εν αυταίς, εκτός ό,τι χρειάζεται εις έκαστον άνθρωπον διά να φάγη· τούτο μόνον θέλετε κάμει. 16 Le premier jour, vous aurez une sainte convocation; et le septième jour, vous aurez une sainte convocation. On ne fera aucun travail ces jours-là; vous pourrez seulement préparer la nourriture de chaque personne. 16 En op den eersten dag zal er een heilige verzameling zijn; ook zult gij een heilige verzameling hebben op den zevenden dag; er zal geen werk op denzelven gedaan worden; maar wat van iedere ziel gegeten zal worden, datzelve alleen mag van ulieden toegemaakt worden.
17 Zo onderhoudt dan de ongezuurde broden, dewijl Ik even aan denzelfden dag ulieder heiren uit Egypteland geleid zal hebben; daarom zult gij dezen dag houden, onder uw geslachten, tot een eeuwige inzetting. 17 En houdt u bij de ongezuurde broden, want Ik heb op dezen zelfden dag uwe heiren uit Egypteland gevoerd; daarom zult gij dezen dag houden, en al uwe nakomelingen, tot ene eeuwige inzetting. 17 Θέλετε φυλάξει λοιπόν την εορτήν των αζύμων· διότι την αυτήν ταύτην ημέραν θέλω εξαγάγει τα τάγματά σας εκ της γης της Αιγύπτου· όθεν κατά νόμον παντοτεινόν θέλετε φυλάττει την ημέραν ταύτην εις τας γενεάς σας· 17 Vous observerez la fête des pains sans levain, car c'est en ce jour même que j'aurai fait sortir vos armées du pays d'Egypte; vous observerez ce jour comme une loi perpétuelle pour vos descendants. 17 Zo onderhoudt dan de ongezuurde broden, dewijl Ik even aan denzelfden dag ulieder heiren uit Egypteland geleid zal hebben; daarom zult gij dezen dag houden, onder uw geslachten, tot een eeuwige inzetting.
18 In de eerste [maand], aan den veertienden dag der maand, in den avond, zult gij ongezuurde broden eten, tot den een en twintigsten dag der maand, in den avond. 18 Van den veertienden dag der eerste maand, des avonds, zult gij ongezuurde broden eten, tot op den één en twintigsten dag der maand aan den avond. 18 αρχόμενοι από της δεκάτης τετάρτης ημέρας του μηνός αφ' εσπέρας, θέλετε τρώγει άζυμα έως της εικοστής πρώτης ημέρας του μηνός την εσπέραν· 18 Le premier mois, le quatorzième jour du mois, au soir, vous mangerez des pains sans levain jusqu'au soir du vingt et unième jour. 18 In de eerste [maand], aan den veertienden dag der maand, in den avond, zult gij ongezuurde broden eten, tot den een en twintigsten dag der maand, in den avond.
19 Dat er zeven dagen lang geen zuurdesem in uw huizen gevonden worde, want al wie het gedesemde eten zal, dezelve ziel zal uit de vergadering van Israel uitgeroeid worden, hij zij een vreemdeling of een ingeborene des lands. 19 Dat men zeven dagen geen gezuurd brood vinde in uwe huizen; want wie gezuurd brood eet, diens ziel zal uitgeroeid worden uit de gemeente van Israël, hij zij een vreemdeling of een inboorling des lands. 19 επτά ημέρας δεν θέλει ευρίσκεσθαι προζύμιον εν ταις οικίαις υμών· διότι όστις φάγη ένζυμα, η ψυχή εκείνη θέλει εξολοθρευθή εκ της συναγωγής του Ισραήλ, είτε ξένος είναι είτε αυτόχθων· 19 Pendant sept jours, il ne se trouvera point de levain dans vos maisons; car toute personne qui mangera du pain levé sera retranchée de l'assemblée d'Israël, que ce soit un étranger ou un indigène. 19 Dat er zeven dagen lang geen zuurdesem in uw huizen gevonden worde, want al wie het gedesemde eten zal, dezelve ziel zal uit de vergadering van Israel uitgeroeid worden, hij zij een vreemdeling of een ingeborene des lands.
20 Gij zult niets eten, dat gedesemd is; in al uw woningen zult gij ongezuurde broden eten. 20 Daarom eet geen gezuurd brood, maar enkel ongezuurde broden, in al uwe woningen. 20 ουδέν ένζυμον θέλετε φάγει· εν πάσαις ταις κατοικίαις υμών άζυμα θέλετε τρώγει. 20 Vous ne mangerez point de pain levé; dans toutes vos demeures, vous mangerez des pains sans levain. 20 Gij zult niets eten, dat gedesemd is; in al uw woningen zult gij ongezuurde broden eten.
21 Mozes dan riep al de oudsten van Israel, en zeide tot hen: Leest uit, en neemt u lammeren voor uw huisgezinnen, en slacht het pascha. 21 En Mozes riep al de oudsten van Israël, en sprak tot hen: Kiest uit en neemt schapen, elk voor zijn huisgezin, en slacht het Pascha; 21 Τότε εκάλεσεν ο Μωϋσής πάντας τους πρεσβυτέρους του Ισραήλ και είπε προς αυτούς, Εκλέξατε και λάβετε εις εαυτούς εν αρνίον, κατά τας οικογενείας σας, και θύσατε το πάσχα· 21 Moïse appela tous les anciens d'Israël, et leur dit: Allez prendre du bétail pour vos familles, et immolez la Pâque. 21 Mozes dan riep al de oudsten van Israel, en zeide tot hen: Leest uit, en neemt u lammeren voor uw huisgezinnen, en slacht het pascha.
22 Neemt dan een bundelken hysop, en doopt het in het bloed, dat in een bekken zal wezen; en strijkt aan den bovendorpel, en aan de beide zijposten van dat bloed, hetwelk in het bekken zijn zal; doch u aangaande, niemand zal uitgaan uit de deur van zijn huis, tot aan den morgen. 22 en neemt een bundeltje hysop, en doopt het in het bloed in een bekken, en bestrijkt daarmede den bovendrempel en de twee posten; en niemand ga uit zijne huisdeur tot aan den morgen; 22 έπειτα θέλετε λάβει δέσμην υσσώπου και θέλετε εμβάψει αυτήν εις το αίμα, το οποίον θέλει είσθαι εις λεκάνην· και από του αίματος του εν τη λεκάνη θέλετε κτυπήσει το ανώφλιον και τους δύο παραστάτας των θυρών· και ουδείς από σας θέλει εξέλθει εκ της θύρας της οικίας αυτού έως το πρωΐ· 22 Vous prendrez ensuite un bouquet d'hysope, vous le tremperez dans le sang qui sera dans le bassin, et vous toucherez le linteau et les deux poteaux de la porte avec le sang qui sera dans le bassin. Nul de vous ne sortira de sa maison jusqu'au matin. 22 Neemt dan een bundelken hysop, en doopt het in het bloed, dat in een bekken zal wezen; en strijkt aan den bovendorpel, en aan de beide zijposten van dat bloed, hetwelk in het bekken zijn zal; doch u aangaande, niemand zal uitgaan uit de deur van zijn huis, tot aan den morgen.
23 Want de HEERE zal doorgaan, om de Egyptenaren te slaan; doch wanneer Hij het bloed zien zal aan den bovendorpel en aan de twee zijposten, zo zal de HEERE de deur voorbijgaan, en den verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan. 23 want de Heer zal omgaan en de Egyptenaars slaan; en als Hij het bloed zien zal aan den bovendrempel en aan de twee posten, zal Hij de deur voorbijgaan en den verderver niet in uwe huizen laten komen om te slaan. 23 διότι ο Κύριος θέλει περάσει διά να πατάξη τους Αιγυπτίους· και όταν ίδη το αίμα επί το ανώφλιον και επί τους δύο παραστάτας, ο Κύριος θέλει παρατρέξει την θύραν, και δεν θέλει αφήσει τον εξολοθρευτήν να εισέλθη εις τας οικίας σας, διά να πατάξη. 23 Quand l'Eternel passera pour frapper l'Egypte, et verra le sang sur le linteau et sur les deux poteaux, l'Eternel passera par-dessus la porte, et il ne permettra pas au destructeur d'entrer dans vos maisons pour frapper. 23 Want de HEERE zal doorgaan, om de Egyptenaren te slaan; doch wanneer Hij het bloed zien zal aan den bovendorpel en aan de twee zijposten, zo zal de HEERE de deur voorbijgaan, en den verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan.
24 Onderhoudt dan deze zaak, tot een inzetting voor u en voor uw kinderen, tot in eeuwigheid. 24 Daarom onderhoudt deze inzetting voor u en voor uwe kinderen eeuwiglijk. 24 Και θέλετε φυλάξει το πράγμα τούτο ως νόμον, εις σεαυτόν και εις τους υιούς σου, έως αιώνος. 24 Vous observerez cela comme une loi pour vous et pour vos enfants à perpétuité. 24 Onderhoudt dan deze zaak, tot een inzetting voor u en voor uw kinderen, tot in eeuwigheid.
25 En het zal geschieden, als gij in dat land komt, dat u de HEERE geven zal, gelijk Hij gesproken heeft, zo zult gij dezen dienst onderhouden. 25 En als gij komt in het land, hetwelk de Heer u geven zal, gelijk Hij gesproken heeft, zo zult gij dezen dienst onderhouden. 25 Και όταν εισέλθητε εις την γην, την οποίαν ο Κύριος θέλει σας δώσει καθώς ελάλησε, θέλετε φυλάξει την λατρείαν ταύτην. 25 Quand vous serez entrés dans le pays que l'Eternel vous donnera, selon sa promesse, vous observerez cet usage sacré. 25 En het zal geschieden, als gij in dat land komt, dat u de HEERE geven zal, gelijk Hij gesproken heeft, zo zult gij dezen dienst onderhouden.
26 En het zal geschieden, wanneer uw kinderen tot u zullen zeggen: Wat hebt gij daar voor een dienst? 26 En als uwe kinderen dan tot u zullen zeggen: Welk een dienst hebt gij daar?, 26 Και όταν σας λέγωσιν οι υιοί σας, Τι σημαίνει εις εσάς η λατρεία αύτη; 26 Et lorsque vos enfants vous diront: Que signifie pour vous cet usage? 26 En het zal geschieden, wanneer uw kinderen tot u zullen zeggen: Wat hebt gij daar voor een dienst?
27 Zo zult gij zeggen: Dit is den HEERE een paasoffer, Die voor de huizen der kinderen Israels voorbijging in Egypte, toen Hij de Egyptenaars sloeg, en onze huizen bevrijdde! Toen boog zich het volk en neigde zich. 27 zo zult gij zeggen: Dit is het Paaschoffer des Heren, die in Egypte de huizen der kinderen Israëls voorbijging, toen Hij de Egyptenaars sloeg, en onze huizen verschoonde. Toen neigde zich het volk en boog zich. 27 θέλετε αποκρίνεσθαι, Τούτο είναι θυσία του πάσχα εις τον Κύριον, διότι παρέτρεξε τας οικίας των υιών Ισραήλ εν Αιγύπτω, ότε επάταξε τους Αιγυπτίους και έσωσε τας οικίας ημών. Τότε ο λαός κύψας προσεκύνησε. 27 vous répondrez: C'est le sacrifice de Pâque en l'honneur de l'Eternel, qui a passé par-dessus les maisons des enfants d'Israël en Egypte, lorsqu'il frappa l'Egypte et qu'il sauva nos maisons. Le peuple s'inclina et se prosterna. 27 Zo zult gij zeggen: Dit is den HEERE een paasoffer, Die voor de huizen der kinderen Israels voorbijging in Egypte, toen Hij de Egyptenaars sloeg, en onze huizen bevrijdde! Toen boog zich het volk en neigde zich.
28 En de kinderen Israels gingen en deden het, gelijk als de HEERE Mozes en Aaron geboden had, alzo deden zij. 28 En de kinderen Israëls gingen heen, en deden, gelijk de Heer aan Mozes en Aäron geboden had. 28 Και αναχωρήσαντες οι υιοί Ισραήλ, έκαμον καθώς προσέταξεν ο Κύριος εις τον Μωϋσήν και τον Ααρών· ούτως έκαμον. 28 Et les enfants d'Israël s'en allèrent, et firent ce que l'Eternel avait ordonné à Moïse et à Aaron; ils firent ainsi. 28 En de kinderen Israels gingen en deden het, gelijk als de HEERE Mozes en Aaron geboden had, alzo deden zij.
29 En het geschiedde ter middernacht, dat de HEERE al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van den eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op den eerstgeborene van den gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen der beesten. 29 En te middernacht sloeg de Heer alle eerstgeborenen in Egypteland, van Farao's eersten zoon, die op zijnen troon zat, tot den eersten zoon des gevangenen in de gevangenis, en alle eerstgeborenen van het vee. 29 Κατά δε το μεσονύκτιον ο Κύριος επάταξε παν πρωτότοκον εν τη γη της Αιγύπτου· από του πρωτοτόκου του Φαραώ όστις κάθηται επί του θρόνου αυτού, έως του πρωτοτόκου του αιχμαλώτου του εν τω δεσμωτηρίω· και πάντα τα πρωτότοκα των κτηνών. 29 Au milieu de la nuit, l'Eternel frappa tous les premiers-nés dans le pays d'Egypte, depuis le premier-né de Pharaon assis sur son trône, jusqu'au premier-né du captif dans sa prison, et jusqu'à tous les premiers-nés des animaux. 29 En het geschiedde ter middernacht, dat de HEERE al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van den eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op den eerstgeborene van den gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen der beesten.
30 En Farao stond op bij nacht, hij en al zijn knechten, en al de Egyptenaars; en er was een groot geschrei in Egypte; want er was geen huis, waarin niet een dode was. 30 Toen stond Farao op in dien nacht, en al zijne dienaren, en alle Egyptenaars; en er was een groot geschrei in Egypte, want er was geen huis, waarin geen dode was. 30 Και εσηκώθη ο Φαραώ την νύκτα, αυτός και πάντες οι θεράποντες αυτού και πάντες οι Αιγύπτιοι· και έγεινε βοή μεγάλη εν τη Αιγύπτω· διότι δεν ήτο οικία εις την οποίαν δεν υπήρχε νεκρός. 30 Pharaon se leva de nuit, lui et tous ses serviteurs, et tous les Egyptiens; et il y eut de grands cris en Egypte, car il n'y avait point de maison où il n'y eût un mort. 30 En Farao stond op bij nacht, hij en al zijn knechten, en al de Egyptenaars; en er was een groot geschrei in Egypte; want er was geen huis, waarin niet een dode was.
31 Toen riep hij Mozes en Aaron in den nacht, en zeide: Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk, zo gijlieden als de kinderen van Israel; en gaat heen, dient den HEERE, gelijk gijlieden gesproken hebt. 31 En hij ontbood Mozes en Aäron in den nacht en sprak: Maakt u op en trekt uit van mijn volk, gij en de kinderen Israëls; gaat heen en dient den Heer gelijk gij gezegd hebt. 31 Και εκάλεσε τον Μωϋσήν και τον Ααρών διά νυκτός και είπε, Σηκώθητε, εξέλθετε εκ μέσου του λαού μου και σεις και οι υιοί του Ισραήλ· και υπάγετε, λατρεύσατε τον Κύριον, καθώς είπετε· 31 Dans la nuit même, Pharaon appela Moïse et Aaron, et leur dit: Levez-vous, sortez du milieu de mon peuple, vous et les enfants d'Israël. Allez, servez l'Eternel, comme vous l'avez dit. 31 Toen riep hij Mozes en Aaron in den nacht, en zeide: Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk, zo gijlieden als de kinderen van Israel; en gaat heen, dient den HEERE, gelijk gijlieden gesproken hebt.
32 Neemt ook met u uw schapen en uw runderen, zoals gijlieden gesproken hebt, en gaat heen, en zegent mij ook. 32 Neemt ook met u uwe schapen en uwe runderen, gelijk gij gezegd hebt; gaat heen en zegent mij ook. 32 και τα ποίμνιά σας και τας αγέλας σας λάβετε, καθώς είπετε, και απέλθετε· ευλογήσατε δε και εμέ. 32 Prenez vos brebis et vos boeufs, comme vous l'avez dit; allez, et bénissez-moi. 32 Neemt ook met u uw schapen en uw runderen, zoals gijlieden gesproken hebt, en gaat heen, en zegent mij ook.
33 En de Egyptenaars hielden sterk aan bij het volk, haastende, om die uit het land te drijven; want zij zeiden: Wij zijn allen dood! 33 En de Egyptenaars drongen het volk, dat zij hen schielijk uit het land dreven, want zij zeiden: Wij zijn anders altemaal lieden des doods. 33 Και εβίαζον οι Αιγύπτιοι τον λαόν διά να εκβάλωσιν αυτόν ταχέως εκ του τόπου· διότι είπον, Ημείς πάντες αποθνήσκομεν. 33 Les Egyptiens pressaient le peuple, et avaient hâte de le renvoyer du pays, car ils disaient: Nous périrons tous. 33 En de Egyptenaars hielden sterk aan bij het volk, haastende, om die uit het land te drijven; want zij zeiden: Wij zijn allen dood!
34 En het volk nam zijn deeg op, eer het gedesemd was, hun deegklompen, gebonden in hun klederen, op hun schouderen. 34 En het volk droeg zijn deeg, eer het gezuurd was, en zij hadden hunne spijs in hunne opperklederen gebonden op hun schouders. 34 Και εσήκωσεν ο λαός την ζύμην αυτού πριν αναβή, έχων έκαστος την σκάφην αυτού επί τους ώμους αυτού, εντετυλιγμένην εις τα φορέματα αυτού. 34 Le peuple emporta sa pâte avant qu'elle fût levée. Ils enveloppèrent les pétrins dans leurs vêtements, et les mirent sur leurs épaules. 34 En het volk nam zijn deeg op, eer het gedesemd was, hun deegklompen, gebonden in hun klederen, op hun schouderen.
35 De kinderen Israels nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyptenaren geeist zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen. 35 En de kinderen Israëls hadden gedaan, gelijk Mozes gezegd had, en van de Egyptenaars geëist zilveren en gouden vaten en klederen. 35 Και έκαμον οι υιοί του Ισραήλ κατά τον λόγον του Μωϋσέως και εζήτησαν παρά των Αιγυπτίων σκεύη αργυρά και σκεύη χρυσά, και ενδύματα· 35 Les enfants d'Israël firent ce que Moïse avait dit, et ils demandèrent aux Egyptiens des vases d'argent, des vases d'or et des vêtements. 35 De kinderen Israels nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyptenaren geeist zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen.
36 Daartoe had de HEERE het volk genade gegeven in de ogen der Egyptenaren, dat zij hun hun begeerte deden; en zij beroofden de Egyptenaren. 36 Daarenboven had de Heer aan het volk genade gegeven bij de Egyptenaars, zodat zij aan hunne begeerte voldeden; en zij ontnamen het den Egyptenaren. 36 και ο Κύριος έδωκεν εις τον λαόν χάριν ενώπιον των Αιγυπτίων, και εδάνεισαν εις αυτούς όσα εζήτησαν· και εγύμνωσαν τους Αιγυπτίους. 36 L'Eternel fit trouver grâce au peuple aux yeux des Egyptiens, qui se rendirent à leur demande. Et ils dépouillèrent les Egyptiens. 36 Daartoe had de HEERE het volk genade gegeven in de ogen der Egyptenaren, dat zij hun hun begeerte deden; en zij beroofden de Egyptenaren.
37 Alzo reisden de kinderen Israels uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderkens. 37 Alzo trokken de kinderen Israëls uit van Raämses naar Sukkoth: zesmaal honderdduizend man te voet, behalve de kinderkens; 37 Ανεχώρησαν δε οι υιοί Ισραήλ από Ραμεσσή εις Σοκχώθ, περίπου εξακόσιαι χιλιάδες άνδρες πεζοί χωρίς των παιδίων. 37 Les enfants d'Israël partirent de Ramsès pour Succoth au nombre d'environ six cent mille hommes de pied, sans les enfants. 37 Alzo reisden de kinderen Israels uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderkens.
38 En veel vermengd volk trok ook met hen op, en schapen, en runderen, gans veel vee. 38 en een gemengde hoop van allerlei volk trok met hen, en schapen, runderen en zeer veel vee. 38 Μετ' αυτών συνανέβη και μέγα πλήθος σύμμικτον ανθρώπων και ποίμνια και αγέλαι, κτήνη πολλά σφόδρα. 38 Une multitude de gens de toute espèce montèrent avec eux; ils avaient aussi des troupeaux considérables de brebis et de boeufs. 38 En veel vermengd volk trok ook met hen op, en schapen, en runderen, gans veel vee.
39 En zij bakten van het deeg, dat zij uit Egypte gebracht hadden, ongezuurde koeken; want het was niet gedesemd; overmits zij uit Egypte uitgedreven werden, zodat zij niet vertoeven konden, noch ook tering voor zich bereiden. 39 En zij bakten van het deeg, hetwelk zij uit Egypte medevoerden, ongezuurde koeken; want het was niet gezuurd, dewijl zij uit Egypte gedreven werden en niet vertoeven konden, en geen anderen teerkost voor zich hadden kunnen bereiden. 39 Και εκ της ζύμης, την οποίαν έφεραν εξ Αιγύπτου, έψησαν εγκρυφίας αζύμους· διότι δεν ήτο προζύμιον, επειδή εδιώχθησαν εξ Αιγύπτου και δεν εδυνήθησαν να βραδύνωσιν, ουδέ εφόδιον προητοίμασαν εις εαυτούς. 39 Ils firent des gâteaux cuits sans levain avec la pâte qu'ils avaient emportée d'Egypte, et qui n'était pas levée; car ils avaient été chassés d'Egypte, sans pouvoir tarder, et sans prendre des provisions avec eux. 39 En zij bakten van het deeg, dat zij uit Egypte gebracht hadden, ongezuurde koeken; want het was niet gedesemd; overmits zij uit Egypte uitgedreven werden, zodat zij niet vertoeven konden, noch ook tering voor zich bereiden.
40 De [tijd] nu der woning, dien de kinderen Israels in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren. 40 De tijd nu, dien de kinderen Israëls in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd en dertig jaren. 40 Ο καιρός δε της παροικίας των υιών Ισραήλ, την οποίαν παρώκησαν εν Αιγύπτω, ήτο τετρακόσια και τριάκοντα έτη. 40 Le séjour des enfants d'Israël en Egypte fut de quatre cent trente ans. 40 De [tijd] nu der woning, dien de kinderen Israels in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren.
41 En het geschiedde ten einde van de vierhonderd en dertig jaren, zo is het even op denzelfden dag geschied, dat al de heiren des HEEREN uit Egypteland gegaan zijn. 41 Toen die om waren, ging het gehele heir des Heren op dezen zelfden dag uit Egypteland. 41 Και μετά τα τετρακόσια και τριάκοντα έτη, την αυτήν εκείνην ημέραν εξήλθον πάντα τα τάγματα του Κυρίου εκ γης Αιγύπτου. 41 Et au bout de quatre cent trente ans, le jour même, toutes les armées de l'Eternel sortirent du pays d'Egypte. 41 En het geschiedde ten einde van de vierhonderd en dertig jaren, zo is het even op denzelfden dag geschied, dat al de heiren des HEEREN uit Egypteland gegaan zijn.
42 Dezen nacht zal men den HEERE op het vlijtigst houden, omdat Hij hen uit Egypteland geleid heeft; deze is de nacht des HEEREN, die op het vlijtigst moet gehouden worden, van al de kinderen Israels, onder hun geslachten. 42 Daarom wordt deze nacht den Heer gehouden, omdat Hij hen uit Egypteland gevoerd heeft; en dien zullen de kinderen Israëls den Heer houden, zij en hunne nakomelingen. 42 Αύτη είναι νυξ, ήτις πρέπει να φυλάττηται εις τον Κύριον, διότι εξήγαγεν αυτούς εκ γης Αιγύπτου· αύτη είναι η νυξ εκείνη του Κυρίου, ήτις πρέπει να φυλάττηται παρά πάντων των υιών Ισραήλ εις τας γενεάς αυτών. 42 Cette nuit sera célébrée en l'honneur de l'Eternel, parce qu'il les fit sortir du pays d'Egypte; cette nuit sera célébrée en l'honneur de l'Eternel par tous les enfants d'Israël et par leurs descendants. 42 Dezen nacht zal men den HEERE op het vlijtigst houden, omdat Hij hen uit Egypteland geleid heeft; deze is de nacht des HEEREN, die op het vlijtigst moet gehouden worden, van al de kinderen Israels, onder hun geslachten.
43 Voorts zeide de HEERE tot Mozes en Aaron: Dit is de inzetting van het pascha: geen zoon eens vreemdelings zal daarvan eten. 43 En de Heer sprak tot Mozes en Aäron: Dit is de wijze om het Pascha te houden: geen vreemdeling zal daarvan eten; 43 Είπε δε Κύριος προς τον Μωϋσήν και Ααρών, Ούτος είναι ο νόμος του πάσχα· ουδείς αλλογενής θέλει φάγει απ' αυτού· 43 L'Eternel dit à Moïse et à Aaron: Voici une ordonnance au sujet de la Pâque: Aucun étranger n'en mangera. 43 Voorts zeide de HEERE tot Mozes en Aaron: Dit is de inzetting van het pascha: geen zoon eens vreemdelings zal daarvan eten.
44 Doch alle knecht van iedereen, die voor geld gekocht is, nadat gij hem zult besneden hebben, dan zal hij daarvan eten. 44 doch wie een gekochte knecht is, dien besnijde men, en dan ete hij daarvan; 44 και έκαστος δούλος αργυρώνητος αφού περιτμηθή, τότε θέλει φάγει απ' αυτού· 44 Tu circonciras tout esclave acquis à prix d'argent; alors il en mangera. 44 Doch alle knecht van iedereen, die voor geld gekocht is, nadat gij hem zult besneden hebben, dan zal hij daarvan eten.
45 Geen uitlander noch huurling zal er van eten. 45 een huisgenoot, die een huurling is, zal er niet van eten. 45 ο ξένος δε και ο μισθωτός δεν θέλουσι φάγει απ' αυτού. 45 L'habitant et le mercenaire n'en mangeront point. 45 Geen uitlander noch huurling zal er van eten.
46 In een huis zal het gegeten worden; gij zult van het vlees niet buiten uit het huis dragen, en gij zult geen been daaraan breken. 46 In één huis zal men het eten; gij zult niets van het vlees buiten het huis dragen, en zult geen been daaraan breken. 46 Εν τη αυτή οικία θέλει φαγωθή· από του κρέατος δεν θέλετε φέρει έξω της οικίας, και οστούν δεν θέλετε συντρίψει απ' αυτού. 46 On ne la mangera que dans la maison; vous n'emporterez point de chair hors de la maison, et vous ne briserez aucun os. 46 In een huis zal het gegeten worden; gij zult van het vlees niet buiten uit het huis dragen, en gij zult geen been daaraan breken.
47 De ganse vergadering van Israel zal het doen. 47 De gehele gemeente van Israël zal dat doen. 47 Πάσα η συναγωγή του Ισραήλ θέλει κάμει τούτο. 47 Toute l'assemblée d'Israël fera la Pâque. 47 De ganse vergadering van Israel zal het doen.
48 Als nu een vreemdeling bij u verkeert, en den HEERE het pascha houden zal, dat alles, wat mannelijk is, bij hem besneden worde, en dan kome hij daartoe, om dat te houden, en hij zal wezen als een ingeborene des lands; maar geen onbesnedene zal daarvan eten. 48 Maar indien een vreemdeling bij u woont, en den Heer het Pascha houden wil, dat dan al wat mannelijk bij hem is, besneden worde; alsdan voege hij zich daarbij om dat te doen, en zij gelijk een inboorling des lands; want geen onbesnedene zal daarvan eten. 48 Και εάν τις ξένος, παροικών μετά σου, θέλη να κάμη το πάσχα εις τον Κύριον, ας περιτμηθώσι πάντα τα αρσενικά αυτού, και τότε ας πλησιάση διά να κάμη αυτό· και θέλει είσθαι ως ο αυτόχθων της γής· διότι ουδείς απερίτμητος θέλει φάγει απ' αυτού. 48 Si un étranger en séjour chez toi veut faire la Pâque de l'Eternel, tout mâle de sa maison devra être circoncis; alors il s'approchera pour la faire, et il sera comme l'indigène; mais aucun incirconcis n'en mangera. 48 Als nu een vreemdeling bij u verkeert, en den HEERE het pascha houden zal, dat alles, wat mannelijk is, bij hem besneden worde, en dan kome hij daartoe, om dat te houden, en hij zal wezen als een ingeborene des lands; maar geen onbesnedene zal daarvan eten.
49 Enerlei wet zij voor den ingeborene, en den vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert. 49 Enerlei wet zij den inboorling en den vreemdeling, die onder u woont. 49 Ο αυτός νόμος θέλει είσθαι διά τον αυτόχθονα και διά τον ξένον τον παροικούντα μεταξύ σας. 49 La même loi existera pour l'indigène comme pour l'étranger en séjour au milieu de vous. 49 Enerlei wet zij voor den ingeborene, en den vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert.
50 En alle kinderen Israels deden het; gelijk als de HEERE Mozes en Aaron geboden had, alzo deden zij. 50 En al de kinderen Israëls deden het, gelijk de Heer aan Mozes en Aäron geboden had. 50 Και έκαμον πάντες οι υιοί του Ισραήλ καθώς προσέταξεν ο Κύριος εις τον Μωϋσήν και τον Ααρών· ούτως έκαμον. 50 Tous les enfants d'Israël firent ce que l'Eternel avait ordonné à Moïse et à Aaron; ils firent ainsi. 50 En alle kinderen Israels deden het; gelijk als de HEERE Mozes en Aaron geboden had, alzo deden zij.
51 En het geschiedde even tenzelfden dage, dat de HEERE de kinderen Israels uit Egypteland leidde, naar hun heiren. 51 Alzo voerde de Heer op een en denzelfden dag de kinderen Israëls uit Egypteland, naar hunne heiren. 51 Και την αυτήν εκείνην ημέραν εξήγαγεν ο Κύριος τους υιούς Ισραήλ εκ γης Αιγύπτου κατά τα τάγματα αυτών. 51 Et ce même jour l'Eternel fit sortir du pays d'Egypte les enfants d'Israël, selon leurs armées. 51 En het geschiedde even tenzelfden dage, dat de HEERE de kinderen Israels uit Egypteland leidde, naar hun heiren.