Psalmen 83
© Herziene Statenvertaling
© Lutherse Vertaling
© Leidse Vertaling
© NBG
New International Version
1 Een lied, een psalm van Asaf. 1 Een psalm, een lied van Asaf. (83-2) God, zwijg toch niet en wees niet stil; God, houd U niet als doof. 1 Een lied. Een psalm van Azaf. (83-2) God, houd u niet stil, zwijg niet en blijf niet werkeloos; 1 Een lied. Een psalm van Asaf. 1 O God, do not remain silent; do not turn a deaf ear, do not stand aloof, O God.
2 O God, zwijg niet, houd U niet doof, wees niet stil, o God! 2 (83-3) Want zie, uwe vijanden razen, en die U haten steken het hoofd omhoog. 2 (83-3) want zie, uw vijanden tieren, uw haters dragen het hoofd omhoog. 2 O God, houd U niet stil, zwijg niet en blijf niet werkeloos, o God. 2 See how your enemies growl, how your foes rear their heads.
3 Want zie, Uw vijanden tieren, wie U haten, steken hun hoofd omhoog. 3 (83-4) Zij smeden listige aanslagen tegen uw volk, en houden samen raad tegen uwe verborgenen. 3 (83-4) Tegen uw volk smeden zij een listigen aanslag, zij beraadslagen met elkaar tegen uw beschermelingen; 3 Want zie, uw vijanden tieren, uw haters steken het hoofd op; 3 With cunning they conspire against your people; they plot against those you cherish.
4 Zij beramen listig een heimelijke aanslag tegen Uw volk en beraadslagen tegen Uw beschermelingen. 4 (83-5) Welaan, zeggen zij, laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn, opdat aan Israëls naam niet meer gedacht worde. 4 (83-5) zij zeggen: Komt, laat ons hen uitroeien uit de rij der natien; zodat de naam van Israel niet meer vermeld wordt. -- 4 Zij smeden een listige aanslag tegen uw volk en beraadslagen tegen uw beschermelingen. 4 “Come,” they say, “let us destroy them as a nation, so that Israel’s name is remembered no more.”
5 Kom, zeiden zij, laten wij hen uitroeien, zodat zij geen volk meer zijn en aan de naam van Israël niet meer gedacht wordt. 5 (83-6) Want zij hebben zich met elkander verenigd, en een verbond tegen U gemaakt: 5 (83-6) Want een van zin hebben zij een plan gemaakt, en hebben tegen u een verbond gesloten, 5 Zij zeggen: Komt, laten wij hen als volk verdelgen, zodat aan de naam van Israel niet meer wordt gedacht. 5 With one mind they plot together; they form an alliance against you—
6 Want samen hebben zij in hun hart beraadslaagd; dezen hebben een verbond tegen U gesloten: 6 (83-7) de hutten der Edomieten en Ismaëlieten, der Moabieten en Hagarenen, 6 (83-7) de tenten van Edom en de Ismaelieten, Moab en de Hagarenen, 6 Want zij hebben eensgezind beraadslaagd, tegen U een verbond gesloten: 6 the tents of Edom and the Ishmaelites, of Moab and the Hagrites,
7 de tenten van Edom en de Ismaëlieten, Moab en de Hagrieten, 7 der Gebalieten, (83-8) Ammonieten en Amalekieten; de Filistijnen met de inwoners van Tyrus; 7 (83-8) Gebal, Ammon en Amalek, Filistea met de inwoners van Tyrus; 7 De tenten van Edom en de Ismaelieten, Moab en de Hagrieten, 7 Byblos, Ammon and Amalek, Philistia, with the people of Tyre.
8 Gebal, Ammon en Amalek, Filistea met de bewoners van Tyrus. 8 (83-9) Assur heeft zich ook bij hen gevoegd, en zij helpen de kinderen van Lot. Sela. 8 (83-9) ook Assur heeft zich bij hen aangesloten, is den zonen van Lot ten arm geworden. 8 Gebal, Ammon en Amalek, Filistea met de inwoners van Tyrus; 8 Even Assyria has joined them to reinforce Lot’s descendants.
9 Ook Assyrië heeft zich bij hen aangesloten, zij zijn voor de zonen van Lot een sterke arm geweest. 9 (83-10) Doe hun als den Midianieten, als Sisera, als Jabin aan de beek Kison; 9 (83-10) Doe met hen als met Midian, als met Sizera en Jabin aan de beek Kisjon, 9 Zelfs Assur heeft zich bij hen gevoegd, zij zijn de zonen van Lot tot steun. [sela] 9 Do to them as you did to Midian, as you did to Sisera and Jabin at the river Kishon,
10 Doe met hen als met Midian, als met Sisera, als met Jabin aan de beek Kison: 10 die verdelgd werden bij Endor, (83-11) en werden tot slijk op de aarde. 10 (83-11) die verdelgd zijn bij Endor, tot mest op den akker zijn geworden. 10 Doe hun als Midjan, als Sisera, als Jabin aan de beek Kison, 10 who perished at Endor and became like dung on the ground.
11 zij zijn weggevaagd te Endor, zij zijn geworden tot mest op de aardbodem. 11 (83-12) Maak hunne vorsten als Oreb en Zeëb, al hunne oversten als Zebah en Zalmunna, 11 (83-12) Maak hun edelen als Oreb en Zeeb, al hun machthebbers als Zebah en Salmunna, 11 Die bij Endor vernietigd werden, tot mest werden voor het land. 11 Make their nobles like Oreb and Zeeb, all their princes like Zebah and Zalmunna,
12 Maak hen en hun edelen als Oreb en als Zeëb, al hun vorsten als Zebah en als Zalmuna, 12 die zeiden: (83-13) Wij willen de huizen Gods bemachtigen. 12 (83-13) hen die zeggen: Laat ons in bezit nemen de woonsteden Gods! 12 Maak hen, hun edelen, als Oreb en Zeeb, als Zebach en Salmunna al hun vorsten, 12 who said, “Let us take possession of the pasturelands of God.”
13 die zeiden: Laten wij deze woningen van God voor onszelf in bezit nemen. 13 (83-14) God, maak hen gelijk het dwarrelend zand, gelijk stoppels voor den wind. 13 (83-14) Mijn God, maak hen als dorre bladeren, als kaf voor den wind. 13 Die zeiden: Wij willen in bezit nemen de woonsteden Gods. 13 Make them like tumbleweed, my God, like chaff before the wind.
14 Mijn God, maak hen als een werveldistel, als stoppels voor de wind. 14 (83-15) Gelijk een vuur het woud verbrandt, en gelijk ene vlam de bergen aansteekt, 14 (83-15) Als een vuur dat een bos verteert, en als een vlam die bergen in brand steekt, 14 Mijn God, maak hen als een werveldistel, als kaf voor de wind. 14 As fire consumes the forest or a flame sets the mountains ablaze,
15 Zoals vuur een woud verbrandt, zoals de vlam de bergen verzengt, 15 (83-16) vervolg hen alzo met uw onweder, en verschrik hen met uwen wervelwind. 15 (83-16) vervolg hen zo met uw storm, verbijster hen door uw wervelwind. 15 Gelijk een vuur dat het woud verbrandt, gelijk een vlam die de bergen in laaiende gloed zet, 15 so pursue them with your tempest and terrify them with your storm.
16 achtervolg hen zó met Uw storm, jaag hun schrik aan met Uw wervelwind. 16 (83-17) Bedek hun aangezicht met schaamte, opdat zij naar uwen naam mogen vragen. 16 (83-17) Bedek hun gelaat met schande; opdat zij uw naam zoeken, Heer. 16 Vervolg hen zo met uw storm, verschrik hen met uw wervelwind; 16 Cover their faces with shame, Lord , so that they will seek your name.
17 Bedek hun gezicht met schande, dan zullen zij, HEERE, Uw Naam zoeken. 17 (83-18) Mogen zij zich schamen en verschrikken, altoos meer en meer, en te schande worden en omkomen: 17 (83-18) Dat zij beschaamd en verbijsterd worden voor immer, schaamrood worden en omkomen; 17 Overdek hun aangezicht met schande, opdat zij uw naam zoeken, o Here. 17 May they ever be ashamed and dismayed; may they perish in disgrace.
18 Laten zij beschaamd en door schrik overmand zijn tot in eeuwigheid, laten zij rood van schaamte worden en omkomen. 18 zo zullen zij erkennen, (83-19) dat Gij alleen, wiens naam Heer is, de Allerhoogste zijt in de gehele wereld. 18 (83-19) opdat zij weten dat uw naam Heer is, en gij alleen de Allerhoogste zijt op geheel de aarde. 18 Laten zij voor immer beschaamd en verschrikt worden, schaamrood worden en te gronde gaan, 18 Let them know that you, whose name is the Lord — that you alone are the Most High over all the earth.
19 Dan zullen zij weten, dat U – Uw Naam is HEERE! – U alleen de Allerhoogste bent over de hele aarde.     19 Opdat zij weten, dat alleen uw naam is: Here, de allerhoogste over de ganse aarde.