Psalmen 86
© Herziene Statenvertaling
© NBG
New International Version
1 Een gebed van David. HEERE, neig Uw oor, verhoor mij, want ik ben ellendig en arm. 1 Een gebed van David. Neig uw oor, o Here, antwoord mij, want ik ben ellendig en arm; 1 Hear me, Lord , and answer me, for I am poor and needy.
2 Bewaar mijn ziel, want ik ben Uw gunsteling; U, mijn God, verlos Uw dienaar, die op U vertrouwt. 2 Behoed mijn ziel, want ik ben godvrezend; Gij, mijn God, verlos uw knecht die op U vertrouwt. 2 Guard my life, for I am faithful to you; save your servant who trusts in you. You are my God;
3 Wees mij genadig, Heere, want ik roep tot U de hele dag. 3 Wees mij genadig, o Here, want tot U roep ik de ganse dag. 3 have mercy on me, Lord, for I call to you all day long.
4 Verblijd de ziel van Uw dienaar, want tot U, Heere, hef ik mijn ziel op. 4 Verheug de ziel van uw knecht, want tot U, Here, hef ik mijn ziel op. 4 Bring joy to your servant, Lord, for I put my trust in you.
5 U, Heere, bent immers goed, mild om te vergeven en rijk aan goedertierenheid voor allen die U aanroepen. 5 Want Gij, o Here, zijt goed en gaarne vergevend, rijk in goedertierenheid voor allen die U aanroepen. 5 You, Lord, are forgiving and good, abounding in love to all who call to you.
6 HEERE, neem mijn gebed ter ore, sla acht op mijn luide smeekbeden. 6 O Here, neem mijn gebed ter ore, sla acht op mijn luide smekingen. 6 Hear my prayer, Lord; listen to my cry for mercy.
7 In de dag van mijn benauwdheid roep ik U aan, want U verhoort mij. 7 Ten dage mijner benauwdheid roep ik U aan, want Gij antwoordt mij. 7 When I am in distress, I call to you, because you answer me.
8 Onder de goden is niemand U gelijk, Heere; werken als de Uwe zijn er niet. 8 Onder de goden is niemand U gelijk, o Here, en niets is als uw werken. 8 Among the gods there is none like you, Lord; no deeds can compare with yours.
9 Al de heidenvolken, die U gemaakt hebt, Heere, zullen komen, zich voor Uw aangezicht neerbuigen en Uw Naam eren. 9 Alle volken, die Gij gemaakt hebt, zullen komen en zich voor U nederbuigen, o Here, en uw naam eren; 9 All the nations you have made will come and worship before you, Lord; they will bring glory to your name.
10 Want U bent groot en doet wonderen, U bent God, U alleen. 10 Want Gij zijt groot en doet wonderen, Gij, o God, alleen. 10 For you are great and do marvelous deeds; you alone are God.
11 Leer mij, HEERE, Uw weg, ik zal in Uw waarheid wandelen, maak mijn hart één om Uw Naam te vrezen. 11 Leer mij, Here, uw weg, opdat ik in uw waarheid wandele; verenig mijn hart om uw naam te vrezen. 11 Teach me your way, Lord , that I may rely on your faithfulness; give me an undivided heart, that I may fear your name.
12 Heere, mijn God, ik zal U loven met heel mijn hart, ik zal Uw Naam voor eeuwig eren. 12 Ik zal U loven, Here, mijn God, met mijn ganse hart, en uw naam eren voor altoos; 12 I will praise you, Lord my God, with all my heart; I will glorify your name forever.
13 Want Uw goedertierenheid is groot over mij, U hebt mijn ziel aan het diepst van het graf ontrukt. 13 Want uw goedertierenheid is groot jegens mij, Gij toch hebt mijn ziel gered uit het zeer diepe dodenrijk. 13 For great is your love toward me; you have delivered me from the depths, from the realm of the dead.
14 O God, hoogmoedigen staan tegen mij op, een horde geweldplegers staat mij naar het leven, zij houden U niet voor ogen. 14 O God, overmoedigen maken zich tegen mij op, een bende van geweldenaars staat mij naar het leven, zij stellen U niet voor hun ogen. 14 Arrogant foes are attacking me, O God; ruthless people are trying to kill me— they have no regard for you.
15 Maar U, Heere, bent een barmhartig en genadig God, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw. 15 Maar Gij, Here, zijt een barmhartig en genadig God, lankmoedig en rijk aan goedertierenheid en trouw. 15 But you, Lord, are a compassionate and gracious God, slow to anger, abounding in love and faithfulness.
16 Wend U tot mij en wees mij genadig, geef Uw dienaar Uw kracht, verlos de zoon van Uw dienares. 16 Wend U tot mij en wees mij genadig, verleen uw knecht uw sterkte, verlos de zoon van uw dienstmaagd. 16 Turn to me and have mercy on me; show your strength in behalf of your servant; save me, because I serve you just as my mother did.
17 Doe aan mij een teken ten goede; zodat wie mij haten het zien en beschaamd worden, wanneer Ú, HEERE, mij geholpen en getroost hebt. 17 Doe aan mij een teken ten goede, opdat mijn haters het zien en beschaamd staan, wanneer Gij, Here, mij geholpen en getroost hebt. 17 Give me a sign of your goodness, that my enemies may see it and be put to shame, for you, Lord , have helped me and comforted me.