Psalmen 104
© Herziene Statenvertaling
© NBG
New International Version
1 Loof de HEERE, mijn ziel. HEERE, mijn God, U bent zeer groot, U bent met majesteit en glorie bekleed. 1 Loof de Here, mijn ziel. Here, mijn God, Gij zijt zeer groot, Gij hebt U met majesteit en luister bekleed. 1 Praise the Lord , my soul. Lord my God, you are very great; you are clothed with splendor and majesty.
2 Hij hult Zich in het licht als in een mantel, Hij spant de hemel uit als een tentkleed. 2 Hij hult Zich in het licht als in een mantel, Hij spant de hemel uit als een tentkleed, 2 The Lord wraps himself in light as with a garment; he stretches out the heavens like a tent
3 Hij maakt de zoldering van Zijn hemelzalen op de wateren, maakt van de wolken Zijn wagen, wandelt op de vleugels van de wind. 3 Hij zoldert zijn opperzalen in de wateren, Hij maakt de wolken tot zijn wagen, Hij wandelt op de vleugelen van de wind. 3 and lays the beams of his upper chambers on their waters. He makes the clouds his chariot and rides on the wings of the wind.
4 Hij maakt Zijn engelen tot hulpvaardige geesten, Zijn dienaren tot vlammend vuur. 4 Hij maakt de winden tot zijn boden, laaiend vuur tot zijn dienaren. 4 He makes winds his messengers, flames of fire his servants.
5 Hij heeft de aarde gegrondvest op zijn fundamenten, die zal voor eeuwig en altijd niet wankelen. 5 Hij heeft de aarde op haar grondslagen gevestigd, zodat zij nimmermeer wankelt. 5 He set the earth on its foundations; it can never be moved.
6 U had hem met de watervloed als met een gewaad bedekt, het water stond tot boven de bergen. 6 De waterdiepte; Gij hebt haar als met een kleed bedekt, boven de bergen stonden de wateren; 6 You covered it with the watery depths as with a garment; the waters stood above the mountains.
7 Door Uw bestraffing vluchtten ze, ze haastten zich weg voor het geluid van Uw donder. 7 Zij vloden voor uw dreigen, zij haastten zich weg voor de stem van uw donder; 7 But at your rebuke the waters fled, at the sound of your thunder they took to flight;
8 De bergen rezen op, de dalen daalden neer op de plaats die U ervoor bestemd had. 8 Bergen rezen op, dalen zonken neer op de plaats waar Gij hun grondslag hebt gelegd. 8 they flowed over the mountains, they went down into the valleys, to the place you assigned for them.
9 U hebt een grens gesteld, die ze niet zullen overgaan, ze zullen de aarde nooit meer bedekken. 9 Gij hebt een grens gesteld, die zij niet overschrijden: zij zullen de aarde niet weer bedekken. 9 You set a boundary they cannot cross; never again will they cover the earth.
10 Hij wijst de bronnen hun loop naar de dalen, zodat ze tussen de bergen door stromen. 10 Hij zendt de bronnen naar de beken, tussen de bergen vloeien zij daarheen; 10 He makes springs pour water into the ravines; it flows between the mountains.
11 Ze geven alle dieren van het veld te drinken, de wilde ezels lessen er hun dorst. 11 Zij drenken alle dieren des velds, de wilde ezels lessen hun dorst. 11 They give water to all the beasts of the field; the wild donkeys quench their thirst.
12 Daarbij wonen de vogels in de lucht, hun stem klinkt tussen de takken. 12 Daarbij woont het gevogelte des hemels, van tussen de takken laat het zijn lied horen. 12 The birds of the sky nest by the waters; they sing among the branches.
13 Hij bevochtigt de bergen vanuit Zijn hemelzalen, de aarde wordt verzadigd door de vrucht van Uw werken. 13 Hij drenkt de bergen uit zijn opperzalen, van de vrucht uwer werken wordt de aarde verzadigd. 13 He waters the mountains from his upper chambers; the land is satisfied by the fruit of his work.
14 Hij doet het gras groeien voor de dieren, het gewas ten dienste van de mens. Hij brengt voedsel uit de aarde voort: 14 Hij doet het gras ontspruiten voor het vee, het groene kruid ter bewerking door de mens, brood uit de aarde voortbrengende 14 He makes grass grow for the cattle, and plants for people to cultivate— bringing forth food from the earth:
15 wijn, die het hart van de sterveling verblijdt, olie, die zijn gezicht doet glanzen, en brood, dat het hart van de sterveling versterkt. 15 En wijn, die het hart des mensen verheugt, het aangezicht doende glanzen van olie; ja, brood, dat het hart des mensen versterkt. 15 wine that gladdens human hearts, oil to make their faces shine, and bread that sustains their hearts.
16 De bomen van de HEERE worden verzadigd, de ceders van de Libanon, die Hij geplant heeft. 16 De bomen des Heren worden verzadigd, de ceders van de Libanon, die Hij heeft geplant, 16 The trees of the Lord are well watered, the cedars of Lebanon that he planted.
17 Daar nestelen de vogeltjes, de cipressen zijn het huis voor de ooievaar. 17 Waar de vogels nestelen. Des ooievaars huis zijn de cypressen, 17 There the birds make their nests; the stork has its home in the junipers.
18 De hoge bergen zijn voor de steenbokken, de rotsen zijn een toevluchtsoord voor de klipdassen. 18 De hoge bergen zijn voor de steenbokken, de rotsen een schuilplaats voor de klipdassen. 18 The high mountains belong to the wild goats; the crags are a refuge for the hyrax.
19 Hij heeft de maan gemaakt voor de vaste tijden, de zon weet wanneer hij ondergaat. 19 Hij heeft de maan gemaakt voor de vaste tijden, de zon kent de tijd van haar ondergang. 19 He made the moon to mark the seasons, and the sun knows when to go down.
20 U brengt de duisternis teweeg en het wordt nacht; daarin gaan alle dieren in het woud naar buiten. 20 Beschikt Gij duisternis, dan wordt het nacht, dan roert zich al het gedierte van het woud; 20 You bring darkness, it becomes night, and all the beasts of the forest prowl.
21 De jonge leeuwen brullen om een prooi en verlangen van God hun voedsel. 21 De jonge leeuwen brullen om roof en begeren hun spijze van God. 21 The lions roar for their prey and seek their food from God.
22 Wanneer de zon opgaat, trekken ze zich terug en leggen zich neer in hun holen. 22 Gaat de zon op, dan trekken zij zich terug en leggen zich neer in hun holen. 22 The sun rises, and they steal away; they return and lie down in their dens.
23 De mens gaat dan op weg naar zijn werk, naar zijn dienstwerk, tot de avond toe. 23 De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot de avond toe. 23 Then people go out to their work, to their labor until evening.
24 Hoe groot zijn Uw werken, HEERE, U hebt alles met wijsheid gemaakt, de aarde is vol van Uw rijkdommen. 24 Hoe talrijk zijn uw werken, o Here, Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; de aarde is vol van uw schepselen. 24 How many are your works, Lord! In wisdom you made them all; the earth is full of your creatures.
25 Daar ligt de zee, groot en wijd uitgestrekt; daar leeft krioelend gedierte, niet te tellen, kleine dieren en grote. 25 Daar is de zee, groot en wijd uitgestrekt, waarin gewemel is, zonder tal, kleine zowel als grote dieren; 25 There is the sea, vast and spacious, teeming with creatures beyond number— living things both large and small.
26 Daar varen de schepen, daar gaat de Leviathan, die U gevormd hebt om hem erin te laten spelen. 26 Daar gaan de schepen, de Leviatan, die Gij geformeerd hebt om ermee te spelen. 26 There the ships go to and fro, and Leviathan, which you formed to frolic there.
27 Zij allen wachten op U, dat U hun voedsel geeft op zijn tijd. 27 Zij alle wachten op U, dat Gij hun spijze geeft te rechter tijd; 27 All creatures look to you to give them their food at the proper time.
28 Geeft U het hun, zij verzamelen het, doet U Uw hand open, zij worden met het goede verzadigd. 28 Geeft Gij hun die, zij zamelen op, opent Gij uw hand, zij worden met goed verzadigd; 28 When you give it to them, they gather it up; when you open your hand, they are satisfied with good things.
29 Verbergt U Uw aangezicht, zij worden door schrik overmand, neemt U hun adem weg, zij geven de geest en keren terug tot hun stof. 29 Verbergt Gij uw aangezicht, zij worden verdelgd, neemt Gij hun adem weg, zij sterven en keren weder tot hun stof; 29 When you hide your face, they are terrified; when you take away their breath, they die and return to the dust.
30 Zendt U Uw Geest uit, dan worden zij geschapen en vernieuwt U het gelaat van de aardbodem. 30 Zendt Gij uw Geest uit, zij worden geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat van de aardbodem. 30 When you send your Spirit, they are created, and you renew the face of the ground.
31 De heerlijkheid van de HEERE zij voor eeuwig, laat de HEERE Zich verblijden in Zijn werken. 31 De heerlijkheid des Heren zij tot in eeuwigheid, de Here verheuge Zich over zijn werken. 31 May the glory of the Lord endure forever; may the Lord rejoice in his works—
32 Aanschouwt Hij de aarde, dan beeft hij, raakt Hij de bergen aan, dan roken zij. 32 Ziet Hij de aarde aan, dan beeft zij, raakt Hij de bergen aan, dan roken zij. 32 he who looks at the earth, and it trembles, who touches the mountains, and they smoke.
33 Ik zal voor de HEERE zingen in mijn leven, ik zal voor mijn God psalmen zingen, mijn leven lang. 33 Ik zal de Here zingen, zolang ik leef, ik zal mijn God psalmzingen, zolang ik ben; 33 I will sing to the Lord all my life; I will sing praise to my God as long as I live.
34 Mijn overdenking van Hem zal aangenaam zijn, ík zal mij in de HEERE verblijden. 34 Moge mijn overdenking Hem behagen. Ik zal mij in de Here verheugen. 34 May my meditation be pleasing to him, as I rejoice in the Lord.
35 De zondaars zullen van de aarde verdwijnen, de goddelozen zullen er niet meer zijn. Loof de HEERE, mijn ziel! Halleluja! 35 De zondaren zullen van de aarde vergaan, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof de Here, mijn ziel. Halleluja. 35 But may sinners vanish from the earth and the wicked be no more. Praise the Lord , my soul. Praise the Lord.