Psalmen 102
© Herziene Statenvertaling
© NBG
New International Version
1 Een gebed van een ellendige, wanneer hij bezweken is en zijn klacht uitstort voor het aangezicht van de HEERE. 1 Een gebed van een ellendige, wanneer hij bezwijkt en voor de Here zijn klacht uitstort. 1 Hear my prayer, Lord; let my cry for help come to you.
2 HEERE, luister naar mijn gebed, laat mijn hulpgeroep tot U komen. 2 Here, hoor mijn gebed, laat mijn hulpgeroep tot U komen; 2 Do not hide your face from me when I am in distress. Turn your ear to me; when I call, answer me quickly.
3 Verberg Uw aangezicht niet voor mij; neig Uw oor tot mij op de dag van mijn benauwdheid; op de dag dat ik roep, verhoor mij spoedig. 3 Verberg uw aangezicht niet voor mij ten dage dat het mij bang te moede is; neig uw oor tot mij; ten dage dat ik roep, antwoord mij haastelijk. 3 For my days vanish like smoke; my bones burn like glowing embers.
4 Want mijn dagen zijn als rook vervlogen, mijn beenderen zijn uitgebrand als een haard. 4 Want mijn dagen verdwijnen als rook, mijn gebeente gloeit als een vuurhaard; 4 My heart is blighted and withered like grass; I forget to eat my food.
5 Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten. 5 Mijn hart is verzengd en verdord als gras, want ik vergat mijn brood te eten. 5 In my distress I groan aloud and am reduced to skin and bones.
6 Mijn beenderen kleven aan mijn vlees door mijn luide zuchten. 6 Vanwege mijn luide zuchten kleeft mijn gebeente aan mijn vlees; 6 I am like a desert owl, like an owl among the ruins.
7 Ik lijk op een kauw in de woestijn, ik ben geworden als een steenuil te midden van de puinhopen. 7 Ik ben gelijk aan een pelikaan in de woestijn, ik ben als een steenuil te midden der puinhopen; 7 I lie awake; I have become like a bird alone on a roof.
8 Ik lig wakker, ik ben geworden als een eenzame mus op het dak. 8 Ik ben slapeloos, ik gelijk op een eenzame vogel op het dak. 8 All day long my enemies taunt me; those who rail against me use my name as a curse.
9 Mijn vijanden honen mij de hele dag; wie tegen mij razen, gebruiken mijn naam als een vloek. 9 Mijn vijanden smaden mij de ganse dag, wie tegen mij razen, gebruiken mijn naam als vloek; 9 For I eat ashes as my food and mingle my drink with tears
10 Want ik eet as als brood, wat ik drink, meng ik met tranen, 10 Want ik eet as als brood en vermeng mijn drank met tranen 10 because of your great wrath, for you have taken me up and thrown me aside.
11 vanwege Uw gramschap en Uw grote toorn, want U hebt mij opgetild en weer neergeworpen. 11 Vanwege uw toorn en uw verbolgenheid, omdat Gij mij hebt opgenomen en neergeworpen. 11 My days are like the evening shadow; I wither away like grass.
12 Mijn dagen zijn als een langer wordende schaduw en ík verdor als gras. 12 Mijn dagen zijn als een langgerekte schaduw, en ik verdor als gras. 12 But you, Lord , sit enthroned forever; your renown endures through all generations.
13 Maar U, HEERE, U blijft voor eeuwig, de gedachtenis aan U van generatie op generatie. 13 Maar Gij, o Here, troont voor eeuwig, uw naam blijft van geslacht tot geslacht. 13 You will arise and have compassion on Zion, for it is time to show favor to her; the appointed time has come.
14 Ú zult opstaan, U zult Zich ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de vastgestelde tijd is gekomen. 14 Gij zult opstaan, U over Sion erbarmen, want het is tijd haar genadig te zijn, want de bepaalde tijd is gekomen; 14 For her stones are dear to your servants; her very dust moves them to pity.
15 Want Uw dienaren zijn haar stenen goedgezind en hebben medelijden met haar gruis. 15 Want uw knechten hebben behagen in haar stenen, zij hebben deernis met haar puin. 15 The nations will fear the name of the Lord , all the kings of the earth will revere your glory.
16 De heidenvolken zullen de Naam van de HEERE vrezen, alle koningen van de aarde Uw heerlijkheid, 16 Dan zullen de volkeren de naam des Heren vrezen, alle koningen der aarde uw heerlijkheid, 16 For the Lord will rebuild Zion and appear in his glory.
17 wanneer de HEERE Sion heeft opgebouwd, in Zijn heerlijkheid verschenen is, 17 Wanneer de Here Sion heeft gebouwd, en verschenen is in zijn heerlijkheid, 17 He will respond to the prayer of the destitute; he will not despise their plea.
18 Zich gewend heeft tot het gebed van de allerarmsten, en hun gebed niet heeft veracht. 18 Zich heeft gewend tot het gebed van de berooid en hun gebed niet heeft veracht. 18 Let this be written for a future generation, that a people not yet created may praise the Lord :
19 Dit wordt beschreven voor de volgende generatie. Het volk dat geschapen wordt, zal de HEERE loven. 19 Dit worde opgeschreven voor een volgend geslacht, en het volk dat geschapen zal worden, zal de Here loven; 19 “The Lord looked down from his sanctuary on high, from heaven he viewed the earth,
20 Want Hij heeft uit Zijn heilige hoogte neergezien, de HEERE heeft uit de hemel op de aarde neergekeken, 20 Want Hij heeft uit zijn heilige hoogte neergezien, de Here heeft uit de hemel op aarde geschouwd, 20 to hear the groans of the prisoners and release those condemned to death.”
21 om het gekerm van de gevangenen te horen, om los te maken wie ten dode zijn opgeschreven, 21 Om het zuchten der gevangenen te horen, om de ten dode gedoemden te bevrijden; 21 So the name of the Lord will be declared in Zion and his praise in Jerusalem
22 zodat men van de Naam van de HEERE zal vertellen te Sion en Zijn lof in Jeruzalem, 22 Opdat men de naam des Heren in Sion vertelle, en zijn lof in Jeruzalem, 22 when the peoples and the kingdoms assemble to worship the Lord.
23 wanneer de volken tezamen bijeen zullen komen, en de koninkrijken, om de HEERE te dienen. 23 Wanneer de volken altegader en de koninkrijken zich zullen verzamelen om de Here te dienen. 23 In the course of my life he broke my strength; he cut short my days.
24 Hij heeft mijn kracht op de weg neergedrukt, mijn dagen heeft Hij verkort. 24 Hij heeft op de weg mijn kracht gebroken, mijn dagen verkort. 24 So I said: “Do not take me away, my God, in the midst of my days; your years go on through all generations.
25 Mijn God, zei ik, neem mij niet weg op de helft van mijn dagen, Uw jaren duren voort van generatie op generatie. 25 Ik zeg: Mijn God, neem mij niet weg op de helft mijner dagen, Gij, wiens jaren duren door alle geslachten heen. 25 In the beginning you laid the foundations of the earth, and the heavens are the work of your hands.
26 U hebt voorheen de aarde gegrondvest, de hemel is het werk van Uw handen. 26 Gij hebt voormaals de aarde gegrondvest, en de hemel is het werk uwer handen; 26 They will perish, but you remain; they will all wear out like a garment. Like clothing you will change them and they will be discarded.
27 Die zullen vergaan, maar Ú zult standhouden; zij alle zullen verslijten als een kleed. U zult ze verwisselen als een gewaad en zij zullen verdwijnen. 27 Die zullen vergaan, maar Gij houdt stand, zij alle zullen verslijten als een kleed, Gij verwisselt ze als een gewaad, en zij verdwijnen; 27 But you remain the same, and your years will never end.
28 Maar U blijft Dezelfde, aan Uw jaren zal geen einde komen. 28 Maar Gij blijft dezelfde, aan uw jaren komt geen einde. 28 The children of your servants will live in your presence; their descendants will be established before you.”
29 De kinderen van Uw dienaren zullen veilig wonen, hun nageslacht zal voor Uw aangezicht bevestigd worden. 29 De kinderen uwer knechten zullen veilig wonen, hun nageslacht zal voor uw aangezicht blijven bestaan.