Job 33
© NBG
© Herziene Statenvertaling
© Lutherse Vertaling
© Leidse Vertaling
1 Nu dan toch, Job, luister naar mijn rede, en neem al mijn woorden ter ore. 1 Maar luister nu toch naar mijn betoog, Job! en hoor al mijn woorden aan. 1 Hoor toch, Job, mijne redenen, en geef acht op al mijne woorden. 1 Maar hoor nu, Job, naar mijn toespraak, luister naar al mijn woorden.
2 Zie toch, ik heb mijn mond geopend, mijn tong onder mijn gehemelte spreekt. 2 Zie toch, ik heb mijn mond geopend; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte. 2 Zie, ik doe mijnen mond open, en mijne tong spreekt in mijnen mond. 2 Zie, ik heb den mond geopend, mijn tong onder mijn gehemelte spreekt.
3 Mijn woorden zijn oprechtheid des harten, en wat mijn lippen weten, geven zij zuiver weer. 3 Wat ik zeg, zal de oprechtheid van mijn hart uitspreken, en de kennis van mijn lippen dat wat zuiver is. 3 Mijn hart zal recht spreken, en mijne lippen zullen het reine verstand uiten. 3 Recht uit het hart komen mijn woorden, wat mijn lippen weten spreken zij zuiver uit.
4 De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen doet mij leven. 4 De Geest van God heeft mij gemaakt, en de adem van de Almachtige heeft mij levend gemaakt. 4 De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij het leven gegeven. 4 Gods geest heeft mij geschapen, de adem des Machtigen mij het leven ingeblazen.
5 Indien gij kunt, antwoord mij, maak u tegen mij op, stel u te weer. 5 Als je kunt, antwoord mij dan; stel je dan op vóór mij, ga staan. 5 Kunt gij, zo wederleg mij; schik u tegen mij, en wapen u. 5 Indien gij kunt, antwoord mij dan, breng uw bewijzen tegen mij in, stel u op.
6 Zie, voor God ben ik aan u gelijk, ook ik ben uit leem afgeknepen. 6 Zie, ik ben voor God net als jij; ook ik ben maar uit leem gevormd. 6 Zie, ik ben Gods evenals gij, en van leem ben ik óók gemaakt. 6 Zie, ik sta in dezelfde verhouding tot God als gij: ook ik ben uit leem gekneed.
7 Dus behoeft geen schrik voor mij u te overvallen, mijn druk zal niet zwaar op u zijn. 7 Zie, laat mijn bedreiging je geen angst aanjagen, en mijn hand zal niet zwaar op je drukken. 7 Doch gij behoeft voor mij niet te verschrikken, en mijne hand zal u niet te zwaar zijn. 7 Dus zal geen vrees voor mij u doen schrikken, en mijn hand op u niet drukken.
8 Maar te mijnen aanhoren hebt gij gezegd, en het geluid uwer woorden heb ik gehoord: 8 Zeker, je hebt ten aanhoren van mij gezegd, en ik heb de stem van je woorden gehoord: 8 Gij hebt gesproken voor mijne oren, de stem uwer redenen moest ik horen: 8 Gij hebt te mijnen aanhoren gezegd, ik heb uw woorden wel verstaan:
9 Ik ben rein, zonder overtreding, ik ben zuiver en zonder ongerechtigheid; 9 Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben onschuldig en heb geen misdaad begaan. 9 Ik ben rein zonder misdaad, onschuldig, en heb gene zonde. 9 Rein ben ik, door geen wanbedrijf bevlekt, zuiver ben ik en schuldeloos;
10 Maar zie, Hij weet reden tot vijandschap tegen mij te vinden, Hij beschouwt mij als zijn vijand; 10 Zie, Hij vindt gronden voor een aanklacht tegen mij, Hij beschouwt mij als Zijn vijand. 10 Zie, Hij heeft ene zaak tegen mij gevonden, daarom houdt Hij mij voor zijnen vijand: 10 maar hij vindt voorwendsels om zich van mij af te keren, houdt mij voor zijn vijand;
11 Hij legt mijn voeten in het blok, Hij bespiedt al mijn paden. 11 Hij legt mijn voeten in het blok, Hij let op al mijn paden. 11 Hij heeft mijnen voet in den stok gelegd, Hij heeft al mijne wegen bewaakt. 11 hij steekt mijn voeten in het blok, en bewaakt al mijn gangen.
12 Zie, daarin hebt gij ongelijk, antwoord ik u, want God is meerder dan een sterveling. 12 Maar zie, antwoord ik jou, hierin ben je niet rechtvaardig; want God is groter dan een sterveling. 12 Zie, juist daaruit besluit ik tegen u, dat gij niet rechtvaardig zijt; want God is meer dan een mens. 12 Zie, hierin hebt gij ongelijk, antwoord ik u; want God is meer dan een mens.
13 Waarom hebt gij tegen Hem getwist, terwijl Hij toch niets van zijn doen verantwoordt? 13 Waarom heb je Hem ter verantwoording geroepen? Hij legt immers van geen van Zijn daden verantwoording af. 13 Waarom wilt gij tegen Hem twisten, omdat Hij u geen rekenschap geeft van al zijn doen? 13 Waarom klaagt gij over hem, dat hij op geen uwer woorden bescheid doet?
14 Want God spreekt op een wijze, of op twee, maar men let daar niet op. 14 Want God spreekt één of twee keer, maar men slaat er geen acht op: 14 Want God spreekt nu eens op ene wijze en dan op ene andere wijze, maar men let er niet op. 14 God toch spreekt wel op een manier, en op twee, zonderdat gij het merkt.
15 In een droom, in een nachtgezicht, wanneer diepe slaap op de mensen valt, in sluimering op de legerstede; 15 in een droom, een visioen in de nacht, als een diepe slaap op de mensen valt, in de sluimer op de slaapplaats. 15 In den droom, in het gezicht van den nacht, als de slaap op de lieden valt, als zij slapen op het bed, 15 In den droom, in het nachtgezicht, wanneer een diepe slaap op de mensen valt, in de sluimering op de legerstede,
16 Dan opent Hij het oor der mensen, en drukt het zegel op de vermaningen, tot hen gericht, 16 Dan openbaart Hij het voor het oor van de mensen, en Hij verzegelt hun tuchtiging, 16 dan opent Hij het oor der lieden, en verschrikt en kastijdt hen; 16 dan opent hij het oor der mensen en verschrikt hen door waarschuwingen;
17 Om de mens van zijn doen af te brengen, om hoogmoed van de man te weren, 17 om de mens van een verkeerde daad af te brengen. Hij verbergt de hoogmoed voor een man. 17 opdat Hij den mens van zijn voornemen afwende, en hem voor hoovaardij bescherme, 17 om den mens van iets af te houden, een man voor hoogmoed te behoeden;
18 Om zijn ziel van de groeve te redden, zijn leven, dat het niet omkome door de spies. 18 Hij houdt zijn ziel af van het verderf, en zijn leven van het omkomen door de werpspies. 18 en zijne ziel verschone van het verderf, en zijn leven, dat het niet in het zwaard valle. 18 dat hij zijn leven beware voor de groeve, zijn bestaan voor een gewelddadigen dood.
19 Ook wordt hij door smart op zijn sponde vermaand, terwijl er aanhoudende strijd in zijn gebeente is; 19 Hij wordt gestraft met pijn op zijn slaapplaats, en de strijd in zijn beenderen is er voortdurend. 19 Hij straft hem met smarten op zijn leger, en al zijn gebeente heftiglijk, 19 Of hij wordt op zijn legerstede getuchtigd door smarten, onophoudelijk woedt er strijd in zijn gebeente.
20 Dan gruwt zijn binnenste van brood, zijn ziel van begeerlijke spijze; 20 Zijn leven verfoeit zelfs het brood, en zijn ziel het begerenswaardige voedsel. 20 en richt hem zijn leven zo toe, dat hij van de spijs walgt, en zijne ziel, dat zij geen lust tot eten heeft. 20 Zijn bestaan doet hem walgen van brood, zijn leven van de keurigste spijs;
21 Zijn vlees slinkt weg, men ziet het niet meer, zijn beenderen, eens onzichtbaar, steken uit, 21 Zijn vlees vergaat, zodat het niet meer te zien is, en zijn beenderen, die niet te zien waren, steken nu uit. 21 Zijn vlees verdwijnt, dat het niet gezien kan worden, en zijne beenderen worden verslagen, dat men ze niet gaarne aanziet; 21 zijn vlees slinkt tot iets onzichtbaars weg, zijn gebeente, eens voor het oog verborgen, wordt ontbloot,
22 Zodat zijn ziel tot de groeve nadert, zijn leven tot de dodende machten. 22 Zijn ziel nadert het graf, en zijn leven nadert de dingen die doden. 22 zodat zijne ziel nadert tot het verderf, en zijn leven tot de doden. 22 en zijn leven komt der groeve nabij, zijn bestaan den doodsengelen.
23 Indien een engel hem terzijde staat, een voorspraak, een uit duizend, om een mens zijn onschuld te kennen te geven, 23 Als er dan een afgezant bij hem is, een bemiddelaar, één uit duizend, om de mens bekend te maken wat zijn recht is, 23 Is er dan bij hem een Engel, één uit duizend, een voorspraak, om den mens te verkondigen, dat hij zou recht doen, 23 Is er dan voor hem een engel-tolk, een uit duizend om den mens te leren wat hem betaamt,
24 Dan zal Hij Zich zijner erbarmen en zeggen: Bevrijd hem, dat hij niet in de groeve dale, de losprijs heb Ik verkregen. 24 dan zal Hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, zodat hij niet neerdaalt in het graf; Ik heb verzoening gevonden. 24 zo zal Hij hem genadig zijn en zeggen: Hij zal verlost worden, opdat hij niet nederwaarts vare in het verderf; want Ik heb ene verzoening gevonden. 24 en erbarmt die zich over hem en zegt: Red hem en laat hem niet neerdalen in de groeve; ik heb een losprijs gevonden--
25 Zijn lichaam wordt frisser dan in zijn jeugd, hij keert terug tot de dagen zijner jonkheid. 25 Zijn vlees zal frisser worden dan het was in zijn jeugd; hij zal terugkeren tot de dagen van zijn jeugd. 25 Zijn vlees groeit weder als in de jeugd, en hij zal weder jong worden. 25 dan wordt zijn vlees vetter dan in zijn jeugd, en keert hij terug tot zijn jonkheid;
26 Hij bidt tot God, en Deze neemt hem in welgevallen aan, zodat hij zijn aangezicht met gejubel aanschouwt en Hij de sterveling zijn gerechtigheid hergeeft. 26 Hij zal vurig tot God bidden, en Die zal hem goedgezind zijn en zijn aangezicht aanzien met gejuich, want Hij zal de sterveling zijn gerechtigheid teruggeven. 26 Hij zal God bidden, die zal hem genade bewijzen, en zal hem zijn aangezicht laten zien met vreugde, en zal den mens naar zijne gerechtigheid vergelden. 26 hij bidt tot God, en deze neemt hem welgevallig aan, doet hem zijn aangezicht met gejuich aanschouwen, en vergeldt den mens zijn deugd.
27 Dan zingt hij ten aanhoren van de mensen en zegt: Ik had gezondigd en het recht gebogen, maar het werd mij niet vergolden; 27 Hij zal de mensen aanschouwen en zeggen: Ik had gezondigd en wat recht is, krom gemaakt, maar Hij heeft het mij niet vergolden. 27 Hij zal voor de lieden bekennen en zeggen: Ik heb gezondigd en het recht verkeerd, maar het heeft mij niet gebaat. 27 Dan zingt hij zo dat allen hem horen en zegt: Ik had gezondigd en wat recht is verdraaid; maar mij is niet gelijk met gelijk betaald.
28 Hij heeft mijn ziel bevrijd van de gang naar de groeve, en mijn leven verlustigt zich in het licht. 28 Maar God heeft mijn ziel verlost, zodat zij niet in het graf kwam, en mijn leven nu in het licht ziet. 28 Hij heeft mijne ziel verlost, opdat zij niet in het verderf zou varen, maar dat mijn leven het licht zou zien. 28 Hij heeft mijn leven gered, het niet ter groeve doen nederdalen, en mijn bestaan verlustigt zich nog in het licht.
29 Zie, dit alles doet God tweemaal, driemaal met een mens: 29 Zie, dit alles doet God twee of drie keer met een man, 29 Zie, dit alles doet God twee of driemaal met een ieder, 29 Zie, dit alles doet God twee, drie keren met een mens:
30 Zijn ziel terugbrengen van de groeve, zodat hij bestraald wordt door het levenslicht. 30 om zijn ziel terug te brengen van het graf, opdat hij wordt verlicht met het licht van het leven. 30 opdat Hij zijne ziel terugtrekke uit het verderf, en hem verlichte met het licht der levenden. 30 zijn leven terugbrengen van de groeve, zodat hij bestraald wordt door het levenslicht.
31 Merk op, o Job, en luister naar mij, zwijg stil, opdat ik spreke. 31 Sla er acht op, Job! Luister naar mij; zwijg, dan zal ík spreken. 31 Merk op, Job, en hoor naar mij; zwijg, opdat ik spreke. 31 Luister, Job, hoor naar mij; zwijg en laat mij spreken.
32 Hebt gij iets te zeggen, antwoord mij; spreek, want ik zou u gaarne gelijk geven. 32 Als er tegenwerpingen zijn, antwoord mij dan; spreek, want ik verlang ernaar jou te rechtvaardigen. 32 Maar hebt gij wat te zeggen, zo antwoord mij; zeg op, zijt gij rechtvaardig, ik wil het gaarne horen. 32 Indien er iets te zeggen is, antwoord mij dan; want gaarne zou ik u gelijk willen geven;
33 Zo niet, luister gij dan naar mij; zwijg, opdat ik u wijsheid lere. 33 Zo niet, luister jíj dan naar mij; zwijg, en ik zal je wijsheid leren. 33 Maar hebt gij niets, zo hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren. 33 zo niet, hoor gij dan naar mij; zwijg, opdat ik u wijsheid lere.