Job 27
© NBG
© Herziene Statenvertaling
© Lutherse Vertaling
© Leidse Vertaling
1 En Job ging voort zijn spreuk aan te heffen en zeide: 1 En Job hief opnieuw zijn spreuk aan en zei: 1 En Job ging voort en hief zijne spreuk op en zeide: 1 Job ging voort zijn spreuk aan te heffen en zeide:
2 Zo waar God leeft, die mij mijn recht onthoudt, en de Almachtige, die mijn ziel met bitterheid heeft vervuld; 2 Zo waar God leeft, Die mijn recht heeft weggenomen, en de Almachtige, Die mijn ziel bitterheid heeft aangedaan: 2 Zo waarachtig als God leeft, die mij geen recht laat geworden, en de Almachtige, die mijne ziel bedroeft, 2 Zo waar als God leeft, die van mij geweerd heeft wat mij toekwam, de Machtige, die mijn leven verbitterd heeft--
3 Zolang mijn adem nog ten volle in mij is, en de geest Gods in mijn neusgaten, 3 Voorzeker, zolang mijn adem nog in mij is, en het blazen van God in mijn neus, 3 zolang mijn leven nog in mij, en de adem Gods in mijne neusgaten is, 3 want in mij is nog ten volle mijn adem, in mijn neus de geest van God--
4 Zullen mijn lippen waarlijk geen onrecht spreken, en zal mijn tong geen bedrog uiten. 4 zullen mijn lippen geen onrecht spreken, en zal mijn tong geen bedrog uiten! 4 mijne lippen zullen geen onrecht spreken, en mijne tong zal geen bedrog zeggen. 4 mijn lippen spreken geen onrecht, over mijn tong komt geen bedrog.
5 Het zij verre van mij, dat ik u gelijk zou geven; totdat ik de geest geef, zal ik mijn onschuld niet prijsgeven. 5 Er is geen sprake van dat ik jullie gelijk zou geven; tot ik de geest geef, zal ik mijn oprechtheid niet van mij wegdoen. 5 Het zij verre van mij, dat ik u gelijk zou geven! Totdat mijn einde komt, zal ik niet afwijken van mijne vroomheid. 5 Verre zij het van mij, u gelijk te geven; eer sterf ik dan dat ik ophoud oprecht te zijn.
6 Aan mijn gerechtigheid houd ik vast en ik geef haar niet op; mijn hart veroordeelt niet een mijner dagen. 6 Ik zal aan mijn gerechtigheid vasthouden, en zal haar niet loslaten; mijn hart zal die in mijn dagen niet minachten. 6 Van mijne gerechtigheid, welke ik heb, zal ik niet aflaten; mijn geweten verwijt mij niets uit mijn gehele leven. 6 Ik heb volgehouden dat ik rechtschapen ben en geef het niet op, mijn hart verwijt mij nimmer iets
7 Het verga mijn vijand als de goddeloze, en mijn tegenstander als de verkeerde. 7 Laat mijn vijand zijn als een goddeloze, en mijn tegenstander als iemand die onrecht doet. 7 Maar mijn vijand zal een goddeloze bevonden worden; en die zich tegen mij opmaakt, een ondeugende. 7 Dat het lot van den boze mijn vijand treffe, mijn tegenstander dat van den onrechtpleger!
8 Want wat is de verwachting van de godvergetene, als God zijn leven afsnijdt, als Hij dat opeist? 8 Want wat is de hoop van de huichelaar, als God zijn leven afsnijdt, als God zijn ziel wegneemt? 8 Want wat is de hoop des huichelaars, als God met hem een einde maakt en zijne ziel wegrukt? 8 Want welke hoop heeft de goddeloze wanneer hij gefnuikt wordt, wanneer God zijn leven opeist?
9 Zal God zijn hulpgeroep horen, als benauwdheid hem overvalt? 9 Zal God zijn hulpgeroep horen als benauwdheid over hem komt? 9 Meent gij, dat God zijn roepen zal horen, als de doodsangst hem overvalt? 9 Zal God zijn geschrei horen, wanneer de nood over hem komt?
10 Kan hij zich in de Almachtige verlustigen, God aanroepen te allen tijde? 10 Zal hij vreugde scheppen in de Almachtige? Zal hij God te allen tijde aanroepen? 10 Hoe kan hij aan den Almachtige lust hebben, en God te allen tijde aanroepen? 10 Of kan hij zich in den Machtige verlustigen, God te allen tijde aanroepen?
11 Ik zal u onderrichten aangaande de hand Gods, wat de Almachtige voorheeft, zal ik niet verbergen. 11 Ik zal jullie onderwijzen aangaande de hand van God; wat bij de Almachtige is, zal ik niet verbergen. 11 Ik zal u leren omtrent Gods doen; en wat bij den Almachtige geldt, zal ik niet verbergen. 11 Ik zal u onderrichten in Gods handelwijze, wat de Machtige voorheeft niet verhelen.
12 Gij allen hebt het immers zelf gezien; waarom zijt gij dan door een ijdele waan bevangen? 12 Zie, jullie hebben het allen zelf gezien. Waarom blijven jullie dan aan vluchtigheid vasthouden? 12 Zie, gij houdt u allen voor verstandig: waarom spreekt gij dan zulke onnutte dingen? 12 Gij allen hebt het trouwens zelf gezien; waarom zijt gij zo lichtvaardig?
13 Dit is van Godswege het deel van de goddeloze mens, het erfdeel van de geweldenaars, dat zij van de Almachtige ontvangen: 13 Dit is het deel van de goddeloze mens bij God, en het erfelijk bezit van de geweldplegers, dat zij van de Almachtige ontvangen: 13 Dit is het lot van den goddelozen mens bij God, en het erfdeel der tyrannen, hetwelk zij van den Almachtige ontvangen zullen: 13 Dit is, naar Gods raad, het deel van den boosdoener, het erfdeel dat de geweldenaars van den Machtige verkrijgen:
14 Als zijn kinderen talrijk worden, het is voor het zwaard, en zijn spruiten worden niet met brood verzadigd; 14 als zijn kinderen talrijk worden, is het voor het zwaard, en zijn nakomelingen zullen niet met brood verzadigd worden. 14 indien hij vele kinderen zal hebben, zo zullen zij voor het zwaard zijn; en zijne nakomelingen zullen van brood niet verzadigd worden; 14 heeft hij veel zonen, zij zijn voor het zwaard bestemd, en zijn nakomelingen worden niet verzadigd met brood;
15 Wie van hem overblijven, worden door de pest ten grave gesleept, en hun weduwen wenen niet. 15 Wie van hem overgebleven zijn, zullen door de dood begraven worden, en zijn weduwen zullen niet wenen. 15 zijne overgeblevenen zullen in den dood begraven worden, en zijne weduwen zullen hem niet bewenen; 15 wie van hem overblijven worden door de pest begraven, en hun weduwen bewenen hen niet.
16 Al hoopt hij geld op als stof en verschaft zich kleding als leem, 16 Als hij zilver ophoopt als stof, en kleding vervaardigt als leem, 16 al brengt hij geld te zamen als stof, en vergadert klederen als leem, 16 Al hoopt hij geld op als stof en schaft hij zich klederen aan als leem,
17 Hij verschaft zich die, maar de rechtvaardige bekleedt er zich mee, en de onschuldigen verdelen het geld. 17 zal hij die vervaardigen, maar de rechtvaardige zal die aantrekken, en de onschuldige zal het zilver verdelen. 17 zo zal hij ze wel gereedmaken, maar de rechtvaardige zal ze aantrekken, en de onschuldige zal het geld uitdelen; 17 hij schaft aan, en de rechtschapene draagt ze, en het geld, den brave valt het ten deel.
18 Zijn huis bouwt hij als een mot, of een hut, zoals een wachter die maakt. 18 Hij heeft zijn huis als een mot gebouwd, en als een hut die een wachter gemaakt heeft. 18 hij bouwt zijn huis als ene spin, en gelijk een hoeder een schuilhut vervaardigt. 18 Hij heeft als een spin zijn huis gebouwd, aan een hut gelijk, door een wachter opgeslagen.
19 Rijk legt hij zich ter ruste, maar hij kan het niet weer doen, hij doet zijn ogen open en er is niets meer. 19 Rijk legt hij zich te slapen; hij wordt wel niet weggenomen, maar als hij zijn ogen opendoet, is het er niet meer. 19 De rijke, als hij zich nederlegt, zal het niet medenemen; hij zal zijne ogen opendoen er en zal niets zijn. 19 Rijk legt hij zich neer, maar dit herhaalt hij niet: hij doet zijn ogen open, en weg is het!
20 Verschrikkingen grijpen hem aan als waterstromen, bij nacht rukt de storm hem weg; 20 Verschrikkingen treffen hem als water; 's nachts zal een wervelwind hem wegnemen. 20 Verschrikking zal hem overvallen als water; bij nacht zal het onweder hem wegnemen. 20 Verschrikkingen overvallen hem als waterstromen; in den nacht heeft een stormwind hem gestolen;
21 De oostenwind neemt hem op, en daar gaat hij; die stormt hem weg van zijn plaats. 21 De oostenwind zal hem opnemen, en daar gaat hij; hij zal hem van zijn plaats wegvagen. 21 De Oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij heenvaart, en onstuimigheid zal hem van zijne plaats drijven. 21 de oostenwind tilt hem op, en daar gaat hij! Hij stormt hem weg van zijn plaats;
22 Zonder erbarmen werpt Hij [zijn] [pijlen] naar hem, en ijlings moet hij voor zijn hand vluchten. 22 God zal dit alles over hem werpen en hem niet sparen; voor Zijn hand zal hij snel wegvluchten. 22 Hij zal dat over hem brengen, en zal hem niet verschonen; het zal alles uit zijne handen ontvlieden. 22 werpt zonder erbarmen stenen naar hem; vluchten, vluchten moet hij voor hem.
23 Men klapt over hem in de handen en fluit uit zijn woonplaats hem na. 23 Men zal over hem zijn handen ineenslaan, en van afschuw over hem sissen vanuit zijn woonplaats. 23 Men zal over hem in de handen klappen, en hem uitfluiten, waar hij geweest is. 23 Men slaat over hem de handen ineen, men fluit uit zijn woonplaats hem na.