2 Koningen 5
© Herziene Statenvertaling
© Leidse Vertaling
© NBG
New International Version
1 Naäman, de bevelhebber van het leger van de koning van Syrië, was een aanzienlijk man in de ogen van zijn heer en van hoog aanzien, want door hem had de HEERE de Syriërs verlossing gegeven. Deze man was een strijdbare held, maar hij was melaats. 1 Naaman, de leger overste van den koning van Aram, was een groot man bij zijn heer en in hooge gunst; want door hem had de Heer aan de Arameers overwinning geschonken. Maar de man was melaats. 1 Naaman, de legeroverste van de koning van Aram, was zeer gezien bij zijn heer en stond in hoge gunst, want door hem had de Here een overwinning aan Aram geschonken. Maar deze man, een krijgsheld, was melaats. 1 Now Naaman was commander of the army of the king of Aram. He was a great man in the sight of his master and highly regarded, because through him the Lord had given victory to Aram. He was a valiant soldier, but he had leprosy.
2 En er waren benden uit Syrië getrokken, die een klein meisje uit het land Israël als gevangene weggevoerd hadden. Zij was in dienst bij de vrouw van Naäman. 2 Eens waren Arameesche benden uitgetogen, die uit het land van Israel een jong meisje roofden. Dit was in dienst bij de vrouw van Naaman 2 De Arameeers nu waren eens in benden uitgetrokken en hadden een jong meisje uit het land van Israel gevangen meegevoerd; zij was in dienst van Naamans vrouw. 2 Now bands of raiders from Aram had gone out and had taken captive a young girl from Israel, and she served Naaman’s wife.
3 Zij zei tegen haar meesteres: Och, was mijn heer maar bij de profeet die in Samaria is; dan zou die zijn melaatsheid bij hem wegnemen. 3 en zeide tot haar meesteres: Was mijn heer maar bij den profeet te Samarie; dan zou die hem van zijn melaatsheid afhelpen. 3 En zij zeide tot haar meesteres: Och, was mijn heer maar bij de profeet in Samaria, dan zou deze hem wel van zijn melaatsheid verlossen. 3 She said to her mistress, “If only my master would see the prophet who is in Samaria! He would cure him of his leprosy.”
4 Toen ging Naäman zijn heer vertellen: Zo en zo heeft het meisje dat uit het land Israël komt, gesproken. 4 Toen kwam hij en deelde het aan zijn heer mede zegende: Zo en zo heeft het meisje uit het land van Israel gesproken. 4 Toen kwam hij en deelde het aan zijn heer mee: Zo en zo heeft het meisje uit het land van Israel gesproken. 4 Naaman went to his master and told him what the girl from Israel had said.
5 Daarop zei de koning van Syrië: Kom, ga op weg. Ik zal een brief aan de koning van Israël sturen. En hij ging heen en nam tien talent zilver, zesduizend sikkel goud en tien stel gewaden met zich mee. 5 Hierop zeide de koning van Aram: Ga dan, en laat ik een brief aan den koning van Israel zenden. Zo ging hij op reis, nam tien talenten zilver, zesduizend sikkelen goud en tien stel klederen mede, 5 De koning van Aram zeide: Welaan, ga heen, ik wil een brief aan de koning van Israel zenden. Zo ging hij heen en nam met zich mee tien talenten zilver, zesduizend sikkels goud en tien bovenklederen. 5 “By all means, go,” the king of Aram replied. “I will send a letter to the king of Israel.” So Naaman left, taking with him ten talents of silver, six thousand shekels of gold and ten sets of clothing.
6 En hij bracht de brief bij de koning van Israël, waarin stond: Nu dan, wanneer deze brief bij u aangekomen is, zie, heb ik mijn dienaar Naäman naar u toe gestuurd, opdat u zijn melaatsheid bij hem wegneemt. 6 en bracht aan den koning van Israel den brief, van dezen inhoud: Als deze brief tot u komt, weet dan dat ik mijn dienaar Naaman tot u zend, opdat gij hem van zijn melaatsheid afhelpt. 6 Hij bracht aan de koning van Israel de brief, waarin geschreven stond: Nu dan, zodra deze brief u bereikt, zie, ik zend mijn dienaar Naaman tot u, opdat gij hem verlost van zijn melaatsheid. 6 The letter that he took to the king of Israel read: “With this letter I am sending my servant Naaman to you so that you may cure him of his leprosy.”
7 En het gebeurde, toen de koning van Israël de brief gelezen had, dat hij zijn kleren scheurde en zei: Ben ik dan God, om te doden en om levend te maken, dat deze man iemand naar mij toe stuurt om bij een man zijn melaatsheid weg te nemen? Want, voorwaar, besef toch en zie in dat hij een voorwendsel tegen mij zoekt. 7 Zodra nu de koning van Israel den brief had gelezen, scheurde hij zijn klederen en zeide: Ben ik een god die kan doden en levend maken dat deze tot mij zendt om iemand van zijn melaatsheid af te helpen? Merk toch en ziet dat hij slechts een voorwendsel tegen mij zoekt. 7 Zodra de koning van Israel de brief gelezen had, scheurde hij zijn klederen en zeide: Ben ik God, om te kunnen doden en levend maken, dat deze man een boodschap tot mij zendt om een man van zijn melaatsheid te verlossen? Voorzeker, let op, ziet: hij zoekt een voorwendsel tegen mij. 7 As soon as the king of Israel read the letter, he tore his robes and said, “Am I God? Can I kill and bring back to life? Why does this fellow send someone to me to be cured of his leprosy? See how he is trying to pick a quarrel with me!”
8 Maar het gebeurde, toen Elisa, de man Gods, hoorde dat de koning van Israël zijn kleren gescheurd had, dat hij een boodschap naar de koning stuurde: Waarom hebt u uw kleren gescheurd? Laat hem toch naar mij toe komen. Dan zal hij weten dat er een profeet in Israël is. 8 Maar toen de godsman Eliza hoorde dat de koning van Israel zijn klederen gescheurd had, zond hij den koning de boodschap: Waarom hebt gij uw klederen gescheurd? Laat hem bij mij komen; opdat hij gewaarworde dat er een profeet in Israel is. 8 Zodra Elisa, de man Gods, gehoord had, dat de koning van Israel zijn klederen gescheurd had, zond hij tot de koning de boodschap: Waarom hebt gij uw klederen gescheurd? Laat hij toch tot mij komen, opdat hij wete, dat er een profeet in Israel is. 8 When Elisha the man of God heard that the king of Israel had torn his robes, he sent him this message: “Why have you torn your robes? Have the man come to me and he will know that there is a prophet in Israel.”
9 Zo kwam Naäman met zijn paarden en met zijn wagen, en hij bleef voor de deur van het huis van Elisa staan. 9 En Naaman kwam met zijn paarden en zijn wagen hield stil aan den ingang van Eliza's huis, 9 En Naaman kwam met zijn paarden en met zijn wagens en hield stil bij de ingang van het huis van Elisa. 9 So Naaman went with his horses and chariots and stopped at the door of Elisha’s house.
10 Toen stuurde Elisa een bode naar hem toe om te zeggen: Ga heen en was u zevenmaal in de Jordaan; dan zal uw vlees weer gezond worden en zult u rein zijn. 10 en Eliza zond hem een bode, met den last: Ga heen, baad u zevenmaal in den Jordaan, opdat uw vlees herstelle en gij rein wordt. 10 Elisa zond een bode tot hem met de opdracht: Ga heen en baad u zevenmaal in de Jordaan, dan zal uw lichaam weer gezond worden en gij zult rein zijn. 10 Elisha sent a messenger to say to him, “Go, wash yourself seven times in the Jordan, and your flesh will be restored and you will be cleansed.”
11 Maar Naäman werd erg kwaad en ging weg; hij zei: Zie, ik zei bij mijzelf: Hij zal vast en zeker naar buiten komen, voor mij gaan staan, de Naam van de HEERE, zijn God, aanroepen, zijn hand over de plaats strijken en de melaatsheid wegnemen. 11 Maar Naaman ging verstoord heen en zeide: Zie ik had gedacht: Hij zal stellig naar buiten komen, bij mij gaan staan, den naam van den Heer, zijn god aanroepen, zijn hand strijken over de plek, en zo het melaatse wegnemen. 11 Toen werd Naaman toornig en ging heen, terwijl hij zeide: Zie, ik dacht bij mijzelf: hij zal zeker naar buiten komen en daar gaan staan en de naam van de Here, zijn God, aanroepen en zijn hand over de plek heen en weer bewegen en zo de melaatsheid wegnemen. 11 But Naaman went away angry and said, “I thought that he would surely come out to me and stand and call on the name of the Lord his God, wave his hand over the spot and cure me of my leprosy.
12 Zijn niet de Abana en de Farpar, de rivieren van Damascus, beter dan alle wateren van Israël? Zou ik mij daar niet in kunnen wassen en rein worden? Zo keerde hij zich om en vertrok in woede. 12 Zijn niet de rivieren van Damaskus, de Abana en de Parpar, beter dan al de wateren van Israel? Kan ik mij dan niet daarin baden en rein worden? En hij keerde om en ging in gramschap heen. 12 Zijn de Abana en de Parpar, de rivieren van Damascus, niet beter dan alle wateren van Israel? Zou ik mij daarin niet kunnen baden en rein worden? Daarop wendde hij zich om en ging heen in grimmigheid. 12 Are not Abana and Pharpar, the rivers of Damascus, better than all the waters of Israel? Couldn’t I wash in them and be cleansed?” So he turned and went off in a rage.
13 Toen kwamen zijn dienaren naar voren, spraken tot hem en zeiden: Mijn vader, als die profeet u iets moeilijks opgedragen had, zou u dat niet gedaan hebben? Hoeveel te meer, nu hij tegen u gezegd heeft: Was u en u zult rein zijn! 13 Maar zijn knechten traden toe en spraken tot hem en zeiden: Indien de profeet u iets moeilijks voorgeschreven had, zoudt gij het dan niet doen? Hoeveel te meer, nu hij u gezegd heeft: Baad u, en gij zult rein worden! 13 Toen traden echter zijn dienaren nader, spraken hem aan en zeiden: Mijn vader, had de profeet u iets moeilijks opgedragen, zoudt gij dat dan niet doen? Hoeveel te meer, nu hij tot u gezegd heeft: Baad u en gij zult rein worden? 13 Naaman’s servants went to him and said, “My father, if the prophet had told you to do some great thing, would you not have done it? How much more, then, when he tells you, ‘Wash and be cleansed’!”
14 Daarom daalde hij af en dompelde zich zevenmaal onder in de Jordaan, overeenkomstig het woord van de man Gods. Zijn lichaam werd weer gezond, als het vlees van een kleine jongen, en hij werd rein. 14 Zo daalde hij af, dompelde zich zevenmaal in den Jordaan, naar het woord van den godsman, en zijn vlees werd weer als het vlees van een jongen knaap, en hij werd rein. 14 Dus daalde hij af en dompelde zich zevenmaal onder in de Jordaan, naar het woord van de man Gods; en zijn lichaam werd weer gezond als het lichaam van een kleine jongen, en hij was rein. 14 So he went down and dipped himself in the Jordan seven times, as the man of God had told him, and his flesh was restored and became clean like that of a young boy.
15 Toen keerde hij terug naar de man Gods, hij en zijn hele gevolg. Hij kwam en ging voor hem staan en zei: Zie toch, nu weet ik dat er op de hele aarde geen God is dan in Israël. Nu dan, neem toch een geschenk aan van uw dienaar. 15 Toen keerde hij met zijn ganse gevolg naar den godsman terug, kwam binnen, ging voor hem staan en zeide: Zie, ik weet nu dat er geen god is op de ganse aarde behalve onder Israel; nu dan, neem toch een huldeblijk van uw dienaar aan. 15 Daarop keerde hij terug tot de man Gods, hijzelf met zijn gehele gevolg; en bij hem gekomen, ging hij voor hem staan en zeide: Zie, nu weet ik, dat er op de gehele aarde geen God is behalve in Israel. Neem dan een geschenk aan van uw dienaar. 15 Then Naaman and all his attendants went back to the man of God. He stood before him and said, “Now I know that there is no God in all the world except in Israel. So please accept a gift from your servant.”
16 Maar hij zei: Zo waar de HEERE leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik wil het niet aannemen! En hij drong bij hem aan om het aan te nemen, maar hij weigerde het. 16 Maar hij zeide: Zo waar als de Heer leeft, voor wien ik sta, ik neem niets aan. En hoe hij hem ook drong iets aan te nemen, hij weigerde. 16 Maar hij zeide: Zo waar de Here leeft, in wiens dienst ik sta, ik neem niets aan. En, hoewel hij bij hem aandrong, dat hij iets zou aannemen, bleef hij weigeren. 16 The prophet answered, “As surely as the Lord lives, whom I serve, I will not accept a thing.” And even though Naaman urged him, he refused.
17 Naäman zei daarop: Zo niet, laat dan toch aan uw dienaar een last aarde gegeven worden, zoveel als een span muildieren dragen kan, want uw dienaar zal geen brandoffer of slachtoffer meer brengen aan andere goden, dan alleen aan de HEERE. 17 Toen zeide Naaman: Zo niet, worde dan toch aan uw dienaar een vracht aarde voor een koppel muilezels gegeven; want uw dienaar zal geen brandoffer of slachtoffer meer brengen aan andere goden dan aan den Heer. 17 Toen zeide Naaman: Indien dan niet, laat aan uw knecht een last aarde geven zoveel als een span muildieren kan dragen. Want uw knecht zal geen brandoffer of slachtoffer meer brengen aan andere goden dan aan de Here. 17 “If you will not,” said Naaman, “please let me, your servant, be given as much earth as a pair of mules can carry, for your servant will never again make burnt offerings and sacrifices to any other god but the Lord.
18 In deze zaak moge de HEERE uw dienaar vergeven: Wanneer mijn heer het huis van Rimmon zal binnengaan om zich daar neer te buigen, en hij op mijn hand zal leunen, moet ik mij in het huis van Rimmon ook neerbuigen. Als ik mij zo zal neerbuigen in het huis van Rimmon, laat de HEERE uw dienaar in deze zaak dan toch vergeven. 18 Deze zaak vergeve de Heer uw dienaar: als mijn heer het huis van Rimmon binnentreedt om aldaar zich neer te werpen, terwijl hij leunt op mijn arm, en ik mij dus in het huis van Rimmon nederwerp, zo moge de Heer uw dienaar in deze zaak vergeving schenken. 18 Maar moge de Here dit aan uw knecht vergeven: wanneer mijn heer in de tempel van Rimmon komt om zich aldaar neer te buigen, terwijl hij op mijn arm leunt, zodat ik mij in de tempel van Rimmon moet neerbuigen; als ik mij dan neerbuig in de tempel van Rimmon, moge de Here deze zaak aan uw knecht vergeven. 18 But may the Lord forgive your servant for this one thing: When my master enters the temple of Rimmon to bow down and he is leaning on my arm and I have to bow there also—when I bow down in the temple of Rimmon, may the Lord forgive your servant for this.”
19 Toen zei hij tegen hem: Ga in vrede. Toen Naäman op enige afstand van Elisa gekomen was, 19 Hij zeide tot hem: Ga in vrede. Toen hij hem verlaten en een eind weegs afgelegd had, 19 En hij zeide tot hem: Ga in vrede. Toen hij een eindweegs van hem was weggegaan, 19 “Go in peace,” Elisha said. After Naaman had traveled some distance,
20 zei Gehazi, de knecht van Elisa, de man Gods: Zie, mijn heer heeft Naäman, die Syriër, tegengehouden; hij heeft uit zijn hand niets aangenomen van wat hij meegebracht had. Maar zo waar de HEERE leeft, ik zal hem achterna rennen en wel iets van hem aannemen. 20 zeide Gehazi, de knecht van den godsman Eliza: Zie, mijn heer heeft dezen Arameer Naaman gespaard, door niet van hem aan te nemen wat hij had meegebracht; doch zo waar als de Heer leeft, ik loop hem achterna en neem wat van hem! 20 Dacht Gechazi, de knecht van Elisa, de man Gods: Zie, daar heeft mijn heer deze Arameeer Naaman ontzien door niets van hem aan te nemen van wat hij had meegebracht! Zo waar de Here leeft, ik snel hem achterna en neem iets van hem aan. 20 Gehazi, the servant of Elisha the man of God, said to himself, “My master was too easy on Naaman, this Aramean, by not accepting from him what he brought. As surely as the Lord lives, I will run after him and get something from him.”
21 Dus volgde Gehazi Naäman. En toen Naäman zag dat hij hem achterna rende, liet hij zich van de wagen zakken, ging hem tegemoet en zei: Is alles goed? 21 Zo ging Gehazi Naaman achterna. En Naaman zag hoe hij hem volgde, sprong van zijn wagen, hem tegemoet, en zeide: Is alles wel? 21 Dus ging Gechazi Naaman achterna. Toen Naaman zag, dat iemand hem achterna snelde, sprong hij van de wagen af hem tegemoet en zeide: Is het wel? 21 So Gehazi hurried after Naaman. When Naaman saw him running toward him, he got down from the chariot to meet him. “Is everything all right?” he asked.
22 En hij zei: Alles is goed. Mijn heer heeft mij gestuurd om te zeggen: Zie, er zijn nu uit het bergland van Efraïm twee jongemannen van de leerling-profeten bij mij gekomen. Geef hun toch een talent zilver en twee stel gewaden. 22 Hij zeide: Alles wel. Mijn heer zendt mij met de boodschap: Zie, daareven zijn twee jongelingen uit het gebergte van Efraim tot mij gekomen, profetenzonen; wil hun een talent zilver en twee stel klederen geven. 22 En hij antwoordde: Ja. Mijn heer heeft mij gezonden met deze boodschap: Zie zojuist zijn twee jonge mannen uit de profeten tot mij gekomen van het gebergte Efraim. Geef hun toch een talent zilver en twee bovenklederen. 22 “Everything is all right,” Gehazi answered. “My master sent me to say, ‘Two young men from the company of the prophets have just come to me from the hill country of Ephraim. Please give them a talent of silver and two sets of clothing.’ ”
23 Naäman zei daarop: Neem alstublieft twee talent aan. Hij drong bij hem aan en bond twee talent zilver in twee buidels, met twee stel gewaden, en hij gaf ze aan twee van zijn knechten, die ze voor hem uit droegen. 23 Naaman zeide: Wees zo goed, neem twee talenten. Hij drong hem, pakte twee talenten zilver in twee geldbuidels, en gaf ze, met twee stel klederen, aan een paar knechten, die ze voor hem uit droegen. 23 En Naaman zeide: Wees zo goed en neem twee talenten. En hij drong bij hem aan. Daarop liet hij twee talenten zilver in twee buidels pakken, benevens twee bovenklederen en gaf die aan twee van zijn knechten, die ze voor hem uit droegen. 23 “By all means, take two talents,” said Naaman. He urged Gehazi to accept them, and then tied up the two talents of silver in two bags, with two sets of clothing. He gave them to two of his servants, and they carried them ahead of Gehazi.
24 Toen hij nu bij de heuvel kwam, nam hij alles van hen over en borg het op in een huis. Hij liet de mannen gaan en zij gingen weg. 24 Bij de hoogte gekomen, nam hij het hun af, bezorgde het in huis en zond de mannen weg, die heengingen. 24 Toen hij bij de heuvel gekomen was, nam hij ze van hen over, borg ze op in huis en liet die mannen heengaan. En zij gingen heen. 24 When Gehazi came to the hill, he took the things from the servants and put them away in the house. He sent the men away and they left.
25 Daarna keerde hijzelf terug en ging voor zijn heer staan. Elisa zei toen tegen hem: Waar kom je vandaan, Gehazi? Hij zei: Uw dienaar is niet hierheen of daarheen gegaan. 25 Zodra hij binnenkwam en bij zijn heer stond, zeide Eliza tot hem: Van waar, Gehazi? Hij zeide: uw knecht is her [waarts] noch derwaarts gegaan. 25 Nadat hij binnengekomen was en voor zijn heer was gaan staan, vroeg Elisa hem: Vanwaar Gechazi? En hij antwoordde: Uw knecht is nergens heen geweest. 25 When he went in and stood before his master, Elisha asked him, “Where have you been, Gehazi?” “Your servant didn’t go anywhere,” Gehazi answered.
26 Maar hij zei tegen hem: Ging mijn hart niet mee, toen die man zich vanaf zijn wagen omkeerde en je tegemoet ging? Was het tijd om dat zilver aan te nemen en gewaden aan te nemen, om olijfbomen en wijngaarden, schapen en runderen, dienaren en dienaressen te kunnen kopen? 26 Maar hij zeide tot hem: Was niet mijn hart bij u toen de man zich omkeerde, van zijn wagen af, u tegemoet? Nu hebt gij dan zilver aangenomen en zult daarvoor kopen tuinen, olijf [gaarden] en wijngaarden, kleinvee en runderen, slaven en slavinnen. 26 Maar hij zeide tot hem: Ben ik in de geest niet meegegaan, toen die man zich omkeerde van zijn wagen af u tegemoet? Was het de tijd om dat zilver aan te nemen of om klederen aan te nemen of olijfbomen en wijngaarden, schapen en runderen, slaven en slavinnen? 26 But Elisha said to him, “Was not my spirit with you when the man got down from his chariot to meet you? Is this the time to take money or to accept clothes—or olive groves and vineyards, or flocks and herds, or male and female slaves?
27 Daarom zal de melaatsheid van Naäman zich voor eeuwig aan jou en aan jouw nageslacht hechten. Toen ging hij bij hem weg, melaats, wit als de sneeuw. 27 Maar de melaatsheid van Naaman zal u en uw kroost aankleven voor eeuwig. En hij ging van hem weg, sneeuwwit van melaatsheid. 27 Daarom zal de melaatsheid van Naaman u en uw nakomelingen aankleven, voor altoos. Toen ging hij van hem weg, melaats als sneeuw. 27 Naaman’s leprosy will cling to you and to your descendants forever.” Then Gehazi went from Elisha’s presence and his skin was leprous—it had become as white as snow.