2 Koningen 23
Staten Vertaling
© Lutherse Vertaling
© Leidse Vertaling
© NBG
BasisBijbel
1 Toen zond de koning henen, en tot hem verzamelden al die oudsten van Juda en Jeruzalem. 1 En de koning zond heen en vergaderde tot zich al de oudsten in Juda en Jeruzalem. 1 Toen zond de koning boden en verzamelde tot zich al de oudsten van Juda en Jeruzalem. 1 Toen zond de koning een boodschap en men riep al de oudsten van Juda en Jeruzalem tot hem bijeen. 1 Toen liet koning Josia alle leiders van Juda en Jeruzalem bij zich komen.
2 En de koning ging op in het huis des HEEREN, en met hem alle man van Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, en de priesters en de profeten, en al het volk, van den minste tot den meeste; en hij las voor hun oren al de woorden van het boek des verbonds, dat in het huis des HEEREN gevonden was. 2 En de koning ging op in het huis des Heren, en alle mannen van Juda en alle inwoners van Jeruzalem met hem, priesters en profeten, en al het volk, zowel klein als groot; en men las voor hunne oren al de woorden van het boek des verbonds, dat in het huis des Heren gevonden was. 2 En de koning ging op naar het huis des Heeren, de mannen van Juda en al de inwoners van Jeruzalem met hem, alsmede de priesters en de profeten, en het ganse volk, van den kleinste af tot den grootste toe; en hij las hun al de woorden voor van het boek des verbonds, dat in den tempel gevonden was. 2 De koning ging naar het huis des Heren, en met hem al de mannen van Juda en al de inwoners van Jeruzalem, de priesters, de profeten en het gehele volk, van klein tot groot. Hij las te hunnen aanhoren al de woorden van het boek des verbonds dat in het huis des Heren gevonden was. 2 De koning ging naar de tempel van de Heer. Iedereen ging met hem mee: alle bewoners van Jeruzalem, de priesters, de profeten en het hele volk, van hoog tot laag. Hij las hun het hele boek van het verbond voor dat in de tempel van de Heer was gevonden.
3 De koning nu stond aan den pilaar, en maakte een verbond voor des HEEREN aangezicht, om den HEERE na te wandelen, en Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen met ganser harte en met ganser ziele te houden, bevestigende de woorden dezes verbonds, die in dit boek geschreven zijn. En het ganse volk stond in dit verbond. 3 En de koning trad aan een pilaar, en maakte een verbond voor den Heer, dat zij den Heer zouden nawandelen, en onderhouden zijne geboden, getuigenissen en rechten, met hun ganse hart en ziel, om te bevestigen de woorden van dit verbond, die geschreven stonden in dat boek. En het ganse volk trad in dit verbond. 3 Daarna ging de koning bij de zuil staan en sloot voor den Heer het verbond, dat zij den Heer zouden volgen en zijn geboden, voorschriften en inzettingen met hart en ziel onderhouden, om de woorden van het verbond die in dit boek geschreven stonden gestand te doen. En het ganse volk trad tot het verbond toe. 3 Toen ging de koning staan bij de zuil en sloot een verbond voor het aangezicht des Heren, dat men de Here zou volgen en van ganser harte en ganser ziele zijn geboden, getuigenissen en inzettingen zou houden en de woorden van dit verbond, die in dit boek geschreven waren, zou gestand doen. En het gehele volk trad tot het verbond toe. 3 Toen ging hij bij de pilaar staan en sloot een verbond met de Heer en met het volk. Ze beloofden dat ze voortaan met hun hele hart en hun hele ziel de Heer zouden dienen. Voortaan zouden ze gehoorzaam zijn aan de wetten en leefregels die in het boek waren opgeschreven. Het hele volk wilde meedoen met dat verbond.
4 En de koning gebood den hogepriester Hilkia, en den priesteren der tweede ordening, en den dorpelbewaarders, dat zij uit den tempel des HEEREN alle gereedschap, dat voor Baal, en voor het [beeld] [van] [het] bos, en voor al het heir des hemels gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden van Kidron, en liet het stof daarvan naar Beth-el dragen. 4 En de koning gebood den hogepriester Hilkía, en de priesters van de tweede orde, en de deurwachters, dat zij uit den tempel des Heren zouden doen al het gereedschap, dat voor Baäl en voor Aschera en voor al het heir des hemels gemaakt was; en zij verbrandden het buiten Jeruzalem in het dal Kidron, en het stof daarvan werd gedragen naar Beth-El. 4 Daarop gelastte de koning den hogepriester Hilkia, den plaatsvervanger van den hogepriester en den dorpelwachters al de voorwerpen, voor den Baal, voor den gewijden boomstam en voor het ganse heir des hemels gemaakt, uit den tempel des Heeren te verwijderen; waarna hij die buiten Jeruzalem in de velden van den Kidron verbrandde; en hij droeg het stof er van naar Bethel. 4 Toen gebood de koning de hogepriester Chilkia en de priesters van de tweede orde en de dorpelwachters om al het gerei dat voor de Baal, de Asjera en het gehele heer des hemels gemaakt was, uit de tempel des Heren naar buiten te brengen; en hij verbrandde die buiten Jeruzalem op de velden van de Kidron, en de as ervan bracht hij naar Betel. 4 Daarna zei de koning tegen de hogepriester Hilkia, de priesters die hem hielpen en de deurwachters: "Haal alles wat voor de afgoden is gemaakt, uit de tempel weg." Hij liet alles buiten Jeruzalem verbranden op de velden langs de beek Kidron. De as liet hij naar Bet-El brengen.
5 Daartoe schafte hij de Chemarim af, die de koningen van Juda gesteld hadden, opdat men roken zou op de hoogten, in de steden van Juda, en rondom Jeruzalem, mitsgaders, die voor Baal, de zon, en de maan, en de [andere] planeten, en al het heir des hemels rookten. 5 En hij deed de afgodspriesters weg, die de koningen van Juda hadden aangesteld om te wieroken, op de hoogten, in de steden van Juda en rondom Jeruzalem; alsook die wierookten aan Baäl, aan de zon, aan de maan, aan de planeten, en aan al het heir des hemels. 5 En hij zette de altaardienaars af die de koningen van Juda hadden aangesteld om op de hoogten in de steden van Juda en den omtrek van Jeruzalem te offeren, mitsgaders hen die offerden voor den Baal, voor de zon, de maan, de sterrenbeelden en het ganse heir des hemels. 5 Ook schafte hij de afgodspriesters af, die de koningen van Juda hadden aangesteld om offers te ontsteken op de hoogten, in de steden van Juda en in de omgeving van Jeruzalem, benevens hen die voor de Baal, de zon, de maan, de sterrebeelden en het gehele heer des hemels offers ontstaken. 5 Ook ontsloeg hij alle afgodspriesters. Zij waren door de vorige koningen van Juda aangewezen om offers te brengen op de altaren die in de steden van Juda en in de omgeving van Jeruzalem stonden. Ook alle priesters die offers brachten aan de zon, de maan, de sterren en de sterrenbeelden stuurde hij weg.
6 Hij bracht ook het [beeld] [van] [het] bos uit het huis des HEEREN weg, buiten Jeruzalem, tot de beek Kidron, en verbrandde het aan de beek Kidron, en vergruisde het tot stof; en hij wierp het stof daarvan op de graven der kinderen des volks. 6 En hij liet het Ascherabeeld uit het huis des Heren uitvoeren buiten Jeruzalem naar de beek Kidron, en verbrandde het aan de beek Kidron, en maakte het tot stof, en wierp het stof op de graven des volks. 6 Hij verwijderde den gewijden boomstam uit het huis des Heeren naar buiten Jeruzalem, naar het dal Kidron, verbrandde hem in het dal Kidron, vergruisde hem tot stof, en wierp dat stof op de gemene begraafplaats. 6 Voorts bracht hij de gewijde paal uit het huis des Heren weg, buiten Jeruzalem naar de beek Kidron, en verbrandde hem bij de beek Kidron en verpulverde hem tot stof; daarna wierp hij het stof ervan op de begraafplaats van het gewone volk. 6 Hij haalde de heilige paal weg uit de tempel van de Heer. Hij verbrandde hem buiten Jeruzalem bij de beek Kidron. Wat ervan overbleef, verpulverde hij tot stof. Het stof wierp hij op de begraafplaats.
7 Daartoe brak hij de huizen der schandjongens af, die aan het huis des HEEREN waren, alwaar de vrouwen huisjes voor het [beeld] [van] [het] bos weefden. 7 Ook brak hij de hutten der hoereerders af, die in het huis des Heren waren, waarin de vrouwen de tenten voor Aschera weefden. 7 Hij brak de huizen af der gewijde mannen in het huis des Heeren, waar de vrouwen kleden weefden voor den gewijden boomstam. 7 Hij brak de verblijven af van de aan ontucht gewijde mannen, in het huis des Heren, waar de vrouwen hoezen voor de Asjera weefden. 7 Hij liet in de tempel van de Heer de kamers afbreken van de mannen die als tempelhoer werkten en van de vrouwen die kleren weefden voor het godenbeeld.
8 En hij bracht al de priesters uit de steden van Juda, en verontreinigde de hoogten, alwaar die priesters gerookt hadden, van Geba af tot Ber-seba toe; en hij brak de hoogten der poorten af, [ook] die aan de deur der poort van Jozua, den overste der stad, was, welke aan iemands linkerhand was, in de stadspoort [gaande]. 8 En hij liet al de priesters uit de steden van Juda komen, en verontreinigde de hoogten, waarop de priesters gewierookt hadden van Geba af tot Ber-Séba toe, en brak de hoogten der poorten af, die aan den ingang der poort van Jozua, den stadsvoogd, waren, en ter linkerzijde als men naar de poort der stad gaat. 8 Hij deed al de priesters uit de steden van Juda komen en verontreinigde de hoogten waar de priesters het offer hadden ontstoken, van Geba af tot Bersjeba toe. Ook brak hij de hoogte der portiers af, aan den ingang der poort van Jozua, den overste der stad, die gelegen was aan de linkerzijde van wie de stadspoort binnenkwam. 8 Hij liet al de priesters uit de steden van Juda komen en verontreinigde de hoogten, waar die priesters offers ontstoken hadden, van Geba tot Berseba. En hij slechtte de hoogten bij de poorten, [zo] die bij de ingang van de poort van de stadsoverste Jehosua, en wel aan de linkerhand als men de stadspoort binnengaat. 8 Hij liet alle Levitische afgodspriesters uit de steden van Juda naar Jeruzalem komen. Hij zorgde ervoor dat de altaren waar zij offers hadden gebracht, van Geba tot Berseba, onrein gemaakt werden. De altaren bij het huis van de stadsbestuurder Jozua, links van de stadspoort als je de stad in kwam, liet hij ook afbreken.
9 Doch de priesters der hoogten offerden niet op het altaar des HEEREN te Jeruzalem; maar zij aten ongezuurde [broden] in het midden van hun broederen. 9 Doch de priesters der hoogten mochten niet offeren op het altaar des Heren te Jeruzalem, maar zij aten het ongezuurde brood onder hunne broeders. 9 Doch de hoogtepriesters mochten het altaar des Heeren te Jeruzalem niet beklimmen; maar zij kregen hun deel van de spijzen in het midden hunner broederen. 9 Doch de priesters der hoogten mochten het altaar des Heren te Jeruzalem niet bestijgen, maar wel ongezuurde broden eten te midden van hun broederen. 9 De Levieten die priester waren geweest bij de altaren van de afgoden, mochten geen dienst doen bij het altaar van de Heer in Jeruzalem. Maar ze mochten wel samen met de andere Levieten mee-eten van de ongegiste broden.
10 Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal der kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor den Molech door het vuur deed gaan. 10 Ook verontreinigde hij Tofeth in het dal der kinderen Hinnoms, opdat niemand zijnen zoon of zijne dochter meer voor Molech door het vuur zou laten gaan. 10 En hij heeft het tofeth in het dal van den zoon Hinnoms verontreinigd; opdat niemand zijn zoon en dochter den Moloch door vuur zou overgeven. 10 En hij verontreinigde Tofet, dat in het dal Ben-hinnom lag, opdat niemand meer zijn zoon of zijn dochter voor de Moloch door het vuur zou doen gaan. 10 Hij maakte de offerplaats Tofet in het dal Ben-Hinnom onrein, zodat niemand meer zijn zoon of zijn dochter voor Moloch zou verbranden.
11 En hij schafte de paarden af, die de koningen van Juda voor de zon gesteld hadden, van den ingang van het huis des HEEREN, tot de kamer van Nathan-melech, den hoveling, die in Parvarim was; en de wagenen der zon verbrandde hij met vuur. 11 En hij deed de paarden weg, die de koningen van Juda ter ere van de zon hadden gesteld aan den ingang van het huis des Heren, naar den kant der kamer van Nathan-Mélech, den kamerdienaar, die in Parvarim was; en de wagens der zon verbrandde hij met vuur. 11 Voorts deed hij de paarden weg die de koningen van Juda ter ere van de zon hadden gezet aan den ingang van het huis des Heeren die voerde naar de kamer van den kamerling Nethanmelech, in de Parwars; en den zonnewagen verbrandde hij. 11 Hij verwijderde de paarden die de koningen van Juda aan de zon gewijd hadden, van de ingang van het huis des Heren bij de kamer van de hoveling Netanmelek in de bijgebouwen; en de zonnewagen verbrandde hij met vuur. 11 Hij haalde de paarden weg die de koningen van Juda voor de aanbidding van de zon hadden gegeven. Die paarden stonden bij de ingang van de tempel van de Heer, bij de kamer van de hoveling Natan-Melech in de bijgebouwen. De zonnewagen liet hij verbranden.
12 Verder de altaren die op het dak der opperzaal van Achaz waren, die de koningen van Juda gemaakt hadden, mitsgaders de altaren, die Manasse in de twee voorhoven van het huis des HEEREN gemaakt had, brak de koning af; en hij verbrijzelde ze van daar, en wierp het stof daarvan in de beek Kidron. 12 En de altaren op het dak der zaal van Achaz, die de koningen van Juda gemaakt hadden, en de altaren, die Manasse gemaakt had in de twee voorhoven van het huis des Heren, brak de koning af, en ging van daar, en wierp het stof er van in de beek Kidron. 12 Ook de altaren op het dak der opperzaal van Ahaz, die de koningen van Juda gemaakt hadden, benevens de altaren die Manasse in de beide voorhoven des tempels had gemaakt, heeft de koning omvergeworpen en er af gehaald; en hij heeft het stof in het Kidrondal geworpen. 12 De altaren op het dak, bij de bovenzaal van Achaz, die de koningen van Juda gemaakt hadden, alsmede de altaren die Manasse gemaakt had in de twee voorhoven van het huis des Heren, haalde de koning omver; hij bracht het puin vandaar weg en wierp het in de beek Kidron. 12 Ook liet hij de altaren afbreken die op het dak van de bovenzaal van Achaz stonden. Die altaren waren gebouwd door koningen van Juda. De altaren die koning Manasse had neergezet op de twee pleinen van de tempel van de Heer, liet hij ook afbreken. Het puin stortte hij in de beek Kidron.
13 De hoogten ook, die vooraan Jeruzalem waren, dewelke waren ter rechterhand van den berg Mashith, die Salomo, de koning van Israel, voor Astoreth, het verfoeisel der Sidoniers, en voor Kamos, het verfoeisel der Moabieten, en voor Milchom, den gruwel der kinderen Ammons, gebouwd had, verontreinigde de koning. 13 Ook de hoogten, die Vóór Jeruzalem waren, ter rechterzijde van den berg Mashith, die Salomo, de koning van Israël, gebouwd had voor Astóreth, den gruwel van Sidon, en voor Kamos, den gruwel van Moab, en voor Milkom, den gruwel der kinderen Ammons, verontreinigde de koning. 13 De hoogten tegenover Jeruzalem aan de zuidzijde van den Olijfberg, die Salomo, de koning van Israel, had gebouwd voor Astarte, den gruwel der Sidoniers, voor Kamos, den gruwel van Moab, en voor Milkom, het verfoeisel der Ammonieten, verontreinigde de koning. 13 De hoogten ten oosten van Jeruzalem, ten zuiden van de berg der Verwoesting, welke Salomo, de koning van Israel, gebouwd had voor Astoret, de gruwel der Sidoniers, voor Kemos, de gruwel van Moab, en voor Milkom, de afschuw der Ammonieten, ook die verontreinigde de koning. 13 Ook de altaren aan de oostkant van Jeruzalem, ten zuiden van de berg Mashit, liet hij onrein maken. Die altaren waren nog door koning Salomo gebouwd. Hij had ze laten neerzetten voor Astoret, de god van de Sidoniërs, voor Kamos, de god van Moab, en voor Milkom, de god van de Ammonieten.
14 Insgelijks brak hij de opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij vervulde hun plaats met mensenbeenderen. 14 En hij verbrak de beeldzuilen, en roeide de Ascherabeelden uit, en vervulde hunne plaatsen met mensenbeenderen. 14 Hij heeft de wij-steenen verbrijzeld en de gewijde boomstammen uitgeroeid; en hij strooide de plaats vol menschenbeenderen. 14 Hij verbrijzelde de gewijde stenen, hieuw de gewijde palen om en wierp die plaats vol met mensenbeenderen. 14 Koning Josia sloeg de godenbeelden stuk, hakte de heilige palen om en gooide er mensenbotten neer.
15 Daartoe ook het altaar, dat te Beth-el was, [en] de hoogte, die Jerobeam, de zoon van Nebat, dewelke Israel zondigen deed, gemaakt had; te zamen dat altaar en die hoogte brak hij af; ja, hij verbrandde de hoogte, hij vergruisde ze tot stof, en hij verbrandde het bos. 15 Ook het altaar te Beth-El, de hoogte welke Jerobeam, Nebats zoon, die Israël deed zondigen, gemaakt had, ook dit altaar brak hij af, benevens die hoogte; en hij verbrandde de hoogte, en maakte ze tot stof, en verbrandde het Ascherabeeld. 15 Ook het altaar te Bethel en de hoogte welke Jerobeam, de zoon van Nebat, had gemaakt, waarmede deze Israel had doen zondigen, ook dat altaar en de hoogte wierp hij omver en verbrijzelde de stenen, ze vergruizende tot stof; en hij verbrandde een gewijden boomstam. 15 Ook het altaar te Betel (de offerhoogte welke Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israel deed zondigen, gemaakt had) ook dat altaar, die hoogte, haalde hij omver; hij verbrandde de hoogte, verpulverde ze tot stof en verbrandde de gewijde paal. 15 Ook het altaar in Bet-El dat Jerobeam, de zoon van Nebat, had gemaakt, brak hij af. Hij stak het in brand en wat ervan overbleef verpulverde hij tot stof. De heilige paal liet hij verbranden.
16 En als Josia zich omkeerde, zag hij de graven, die daar op den berg waren, en zond henen, en nam de beenderen uit de graven, en verbrandde ze op dat altaar, en verontreinigde dat; naar het woord des HEEREN, dat de man Gods uitgeroepen had, die deze woorden uitriep. 16 En Josía keerde zich om en zag de graven, die op den berg waren, en hij zond heen en liet de beenderen uit de graven halen, en verbrandde ze op dat altaar, en verontreinigde dat naar het woord des Heren, hetwelk de man Gods uitgeroepen had, die deze dingen uitriep. 16 Jozia nu wendde zich om, en toen hij de graven die daar in den berg waren zag, liet hij de beenderen uit de graven halen, verbrandde ze op het altaar en verontreinigde dit, naar het woord des Heeren dat de godsman had verkondigd, toen Jerobeam op het feest bij het altaar stond. En Jozia, zich omwendende en de ogen opheffende naar het graf van den godsman die deze dingen verkondigd had, 16 En toen Josia zich omkeerde en de graven zag, die daar op de berg waren, liet hij de beenderen uit de graven halen, verbrandde die op het altaar en verontreinigde dit, naar het woord des Heren, dat de man Gods verkondigd had, die deze dingen aangekondigd heeft. 16 Toen zag hij de graven op de berg. Hij liet de botten eruit halen. Hij verbrandde ze op het altaar, om zo het altaar onrein te maken. Zo gebeurde wat de profeet had gezegd in de tijd van koning Jerobeam.
17 Verder zeide hij: Wat is dat voor een grafteken, dat ik zie? En de lieden der stad zeiden tot hem: Het is het graf van den man Gods, die uit Juda kwam, en deze dingen, die gij tegen dit altaar van Beth-el gedaan hebt, uitgeroepen heeft. 17 En hij zeide: Wat is dat voor een grafteken, hetwelk ik zie? En de lieden in de stad spraken tot hem: Het is het graf van den man Gods, die van Juda kwam en uitriep hetgeen gij gedaan hebt tegen het altaar te Beth-El. 17 zeide: Wat is dat voor een grafsteen dien ik daar zie? Waarop de lieden der stad tot hem zeiden: Dat is het graf van den godsman die uit Juda kwam en tegen het altaar van Bethel heeft verkondigd wat gij nu hebt gedaan. 17 Voorts zeide hij: Wat is dat voor een grafteken, dat ik daar zie? En de lieden van de stad zeiden tot hem: Het is het graf van de man Gods, die uit Juda gekomen is en deze dingen tegen het altaar van Betel aangekondigd heeft, welke gij volbracht hebt. 17 Toen zag hij daar een grafsteen. Hij vroeg: "Wat is dat daar voor een graf?" De bewoners van de stad antwoordden hem: "Dat is het graf van de profeet die uit Juda kwam en tegen het altaar van Bet-El de dingen heeft geprofeteerd die u nu heeft gedaan."
18 En hij zeide: Laat hem liggen, dat niemand zijn beenderen verroere. Zo bevrijdden zij zijn beenderen, met de beenderen van den profeet, die uit Samaria gekomen was. 18 En hij zeide: Laat hem liggen, niemand bewege zijn gebeente. Alzo werden zijne beenderen gespaard, met de beenderen van den profeet, die van Samarië gekomen was. 18 Toen zeide hij: Laat hem met rust; niemand roere zijn gebeente aan. Zo ontkwam het gebeente van den ouden profeet die te Bethel woonde, met het gebeente van den godsman die uit Juda gekomen was en alwat Jozia gedaan heeft had verkondigd. 18 En hij zeide: Hem moet gij met rust laten, niemand store zijn gebeente. Zo liet men zijn gebeente onaangeroerd, samen met het gebeente van de profeet die uit Samaria gekomen was. 18 Toen zei de koning: "Dat graf moeten jullie met rust laten. Laat de botten van die profeet in het graf liggen." Zo lieten ze de botten van de profeet met rust, en ook de botten van de profeet die uit Samaria was gekomen en die bij hem was begraven.
19 Daartoe nam Josia ook weg al de huizen der hoogten, die in de steden van Samaria waren, die de koningen van Israel gemaakt hadden, om [den] HEERE tot toorn te verwekken; en hij deed dezelve naar al de daden, die hij te Beth-el gedaan had. 19 Ook deed hij al de huizen der hoogten weg in de steden van Samarië, die de koningen van Israël gemaakt hadden om te vertoornen; en hij deed met hen in alles, zoals hij te Beth-El gedaan had. 19 Ook al de hoogtetempels in de steden van Samarie, die de koningen van Israel hadden gemaakt, om den Heer te tergen, schafte Jozia af; hij handelde er mede geheel zoals hij te Bethel had gehandeld; 19 Ook al de tempels op de hoogten in de steden van Samaria, welke de koningen van Israel gemaakt hadden om [de] [Here] te krenken, verwijderde Josia en hij handelde daarmee geheel gelijk hij te Betel gedaan had. 19 Ook liet koning Josia alle tempels in de steden van Samaria afbreken. Die waren ook door de koningen van Israël gemaakt. Daarmee hadden ze de Heer erg kwaad gemaakt. Hij deed daar hetzelfde als hij in Bet-El had gedaan.
20 En hij slachtte al de priesteren der hoogten, die daar waren, op de altaren, en verbrandde mensenbeenderen op dezelve. Daarna keerde hij weder naar Jeruzalem. 20 En hij offerde al de priesters der hoogten, die aldaar waren, op de altaren, en verbrandde alzo mensenbeenderen daarop. En hij kwam weder te Jeruzalem. 20 en hij slachtte op de altaren al de hoogtepriesters die daar waren, en verbrandde er menschenbeenderen op. Toen keerde hij naar Jeruzalem terug. 20 Hij slachtte al de priesters der hoogten die daar waren, op de altaren, en verbrandde daarop mensenbeenderen. Daarna keerde hij naar Jeruzalem terug. 20 Hij doodde alle priesters van de afgoden op hun altaren. Daarna verbrandde hij hun botten op de altaren om de altaren onrein te maken. Toen ging hij naar Jeruzalem terug.
21 En de koning gebood het ganse volk, zeggende: Houdt den HEERE, uw God, pascha, gelijk in dit boek des verbonds geschreven is. 21 En de koning gebood aan het volk, zeggende: Houdt den Heer, uwen God, het Pascha, zoals geschreven staat in het boek dezes verbonds. 21 Daarop gelastte de koning het ganse volk: Viert pascha voor den Heer, uw god, naar hetgeen in dit boek des verbonds geschreven staat. 21 Toen gebood de koning het gehele volk: Viert de Here, uw God, het Pascha, gelijk geschreven is in dit boek des verbonds. 21 De koning beval het hele volk. "Ga nu voor jullie Heer God het Paasfeest vieren. Doe dat op de manier die staat in het boek van het verbond."
22 Want gelijk dit pascha was er geen gehouden, van de dagen der richteren af, die Israel gericht hadden, noch in al de dagen der koningen van Israel, noch der koningen van Juda. 22 Want er was geen Pascha zo gehouden als dit, van den tijd der richters af, die Israël gericht hebben, en in alle tijden der koningen van Israël en der koningen van Juda. 22 Immers zulk een pascha was niet gevierd van den tijd der richters af die Israel hadden bestuurd, en gedurende al den tijd der koningen van Israel en van Juda. 22 Want zulk een Pascha was er niet gevierd van de dagen der richters af, die Israel richtten, en gedurende al de dagen der koningen van Israel en Juda. 22 Want het Paasfeest was nooit meer op die manier gevierd sinds de tijd van de leiders die Israël leidden toen er nog geen koning was. Want ook in de tijd van de koningen van Israël en van Juda was dat nooit meer gedaan.
23 Maar in het achttiende jaar van den koning Josia, werd dit pascha den HEERE te Jeruzalem gehouden. 23 In het achttiende jaar van koning Josía werd dit Pascha den Heer gehouden te Jeruzalem. 23 Maar in het achttiende jaar van koning Jozia is dit pascha ter ere van den Heer te Jeruzalem gevierd. 23 Maar in het achttiende jaar van koning Josia werd dit Pascha de Here te Jeruzalem gevierd. 23 Maar toen Josia 18 jaar koning was van Juda, werd dit Paasfeest voor de Heer weer in Jeruzalem gevierd.
24 En ook deed Josia weg de waarzeggers, en de duivelskunstenaars, en de terafim, en de drekgoden, en alle verfoeiselen, die in het land van Juda en in Jeruzalem gezien werden; opdat hij bevestigde de woorden der wet, die geschreven waren in het boek, dat de priester Hilkia in het huis des HEEREN gevonden had. 24 Ook verdelgde Josía alle waarzeggers, wichelaars, beelden en afgoden, en al de gruwelen, die in het land van Juda en in Jeruzalem gezien werden; opdat hij bevestigde de woorden der wet, die geschreven stonden in het boek, hetwelk Hilkía de priester gevonden had in het huis des Heren. 24 Ook hen die onderaardsche geesten en die demonen ondervraag den, de huisgoden en de schandgoden, en al de gruwelijke voorwerpen die in het land Juda en te Jeruzalem gezien werden, heeft Jozia weggevaagd, om de woorden der wet, geschreven in het boek dat de priester Hilkia in den tempel gevonden had, gestand te doen. 24 Ook de dodenbezweerders, de waarzeggers, en de terafim, de afgodsbeelden en al de gruwelen die in het land van Juda en te Jeruzalem aangetroffen werden, deed Josia weg, teneinde de woorden van de wet gestand te doen, welke geschreven waren in het boek dat de priester Chilkia in het huis des Heren gevonden had. 24 Josia deed ook alle mensen uit het land weg die doden om raad vroegen, en alle waarzeggers. Ook verbrandde hij alle grote en kleine afgodsbeelden en alle andere vreselijke dingen die in Juda en Jeruzalem werden gevonden. Want hij wilde leven volgens alle wetten en leefregels van het boek dat de priester Hilkia in de tempel van de Heer had gevonden.
25 En voor hem was geen koning zijns gelijke, die zich tot den HEERE, met zijn ganse hart, en met zijn ganse ziel, en met zijn ganse kracht, naar al de wet van Mozes, bekeerd had; en na hem stond zijns gelijke niet op. 25 En Vóór hem was er geen koning geweest gelijk hij, die Zó met zijn ganse hart en ziel en uit alle krachten zich tot den Heer bekeerde, naar de gehele wet van Mozes; en na hem kwam er niemand hem gelijk. 25 Gelijk hij was er geen koning voor hem geweest, die zich met zijn ganse hart en met zijn ganse ziel en met zijn ganse kracht tot den Heer had bekeerd, naar de ganse wet van Mozes, en na hem is zijns gelijke niet opgestaan. 25 Voor hem is er geen koning geweest, die zich zo tot de Here keerde met zijn ganse hart, zijn ganse ziel en zijn ganse kracht, naar de gehele wet van Mozes; en na hem stond zijns gelijke niet op. 25 Vóór hem is er geen enkele koning geweest, die op dezelfde manier met hart en ziel de Heer wilde dienen volgens alles wat er in de wet van Mozes stond. En na hem is er ook nooit meer zo iemand geweest.
26 Nochtans keerde zich de HEERE van den brand Zijns groten toorns niet af, waarmede Zijn toorn brandde tegen Juda, om al de tergingen, waarmede Manasse Hem getergd had. 26 Nochtans keerde de Heer zich niet af van de hitte zijns groten toorns, met welke Hij over Juda vertoornd was, vanwege al de tergingen, waarmede Manasse Hem getergd had. 26 Nochtans kwam de Heer niet terug van de grote hitte zijns toorns, die blaakte tegen Juda, om al de tergingen waarmede hem Manasse getergd had; 26 Doch de Here keerde Zich niet af van zijn hevig brandende toorn, die ontvlamd was tegen Juda om al de krenkingen waarmee Manasse Hem gekrenkt had. 26 Maar de Heer was nog steeds woedend op Juda, omdat koning Manasse, de grootvader van Josia, Hem zo vreselijk kwaad had gemaakt met alles wat hij had gedaan.
27 En de HEERE zeide: Ik zal Juda ook van Mijn aangezicht wegdoen, gelijk als Ik Israel weggedaan heb; en Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die Ik verkoren heb, en het huis, waarvan Ik gezegd heb: Mijn Naam zal daar wezen. 27 En de Heer sprak: Ik zal Juda óók van mijn aangezicht wegdoen, zoals Ik Israël weggedaan heb; en Ik wil deze stad verwerpen, die Ik verkoren had, namelijk Jeruzalem, en het huis van hetwelk Ik gezegd heb: Mijn naam zal aldaar zijn. 27 en de Heer zeide: Ook Juda zal ik uit mijn ogen wegdoen, gelijk ik Israel heb weggedaan, en deze stad, die ik had uitverkoren, Jeruzalem, en het huis, waarvan ik gezegd had: Aldaar zal mijn naam zijn--zal ik versmaden. 27 En de Here zeide: Ook Juda zal Ik van mijn aangezicht wegdoen, zoals Ik Israel verwijderd heb; en versmaden zal Ik deze stad die Ik verkoren heb, Jeruzalem, en het huis waarvan Ik gezegd heb: Mijn naam zal daar zijn. 27 Daarom zei de Heer: "Ook met Juda wil Ik niets meer te maken hebben. Net zoals met Israël. Ik wil niet meer in Jeruzalem wonen, de stad die Ik had uitgekozen. Ik zal niet meer in de tempel wonen waarvan Ik gezegd had dat Ik daar zou wonen."
28 Het overige nu der geschiedenissen van Josia, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda? 28 Wat er nu meer van Josia te zeggen is, en al wat hij gedaan heeft, zie, dat is geschreven in de kronieken der koningen van Juda. 28 Het overige nu der geschiedenis van Jozia en alwat hij heeft gedaan is beschreven in het boek der kronieken van Juda's koningen. 28 Het overige van de geschiedenis van Josia en al wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken der koningen van Juda? 28 De rest van wat Josia allemaal heeft gedaan, staat opgeschreven in de boeken met de geschiedenis van de koningen van Juda.
29 In zijn dagen toog Farao Necho, de koning van Egypte, op tegen den koning van Assyrie, naar de rivier Frath; en de koning Josia toog hem tegemoet, en hij doodde hem te Megiddo, als hij hem gezien had. 29 In zijnen tijd trok Farao Necho, de koning van Egypte, tegen den koning van Assyrië op naar de rivier Frath; en koning Josía trok hem te gemoet; doch hij doodde hem te Megiddo, toen hij hem gezien had. 29 In zijn tijd trok Farao Necho, de koning van Egypte, op tegen den koning van Assyrie, naar de rivier den Eufraat. En toen koning Jozia hem tegemoettoog, doodde hij hem te Megiddo, zodra hij hem zag. 29 In zijn dagen trok Farao Neko, de koning van Egypte, naar de koning van Assur, naar de rivier de Eufraat. Koning Josia ging hem tegemoet; en deze doodde hem te Megiddo, zodra hij hem zag. 29 In de tijd dat Josia koning was, trok koning Necho van Egypte met zijn leger dwars door Juda naar de koning van Assur, bij de rivier de Eufraat. Koning Josia viel hem met zijn leger bij Megiddo aan omdat hij hem niet door Juda wilde laten trekken. Maar Necho doodde Josia zodra hij hem zag.
30 En zijn knechten voerden hem dood op een wagen van Megiddo, en brachten hem te Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf; en het volk des lands nam Joahaz, den zoon Josia, en zalfden hem, en maakten hem koning in zijns vaders plaats. 30 En zijne knechten vervoerden hem dood van Megiddo, en brachten hem te Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf; en het volk des lands nam Joahaz, den zoon van Josía, en zalfde hem en maakte hem koning in zijns vaders plaats. 30 Zijn dienaars vervoerden zijn lijk van Megiddo, brachten hem naar Jeruzalem en begroeven hem in zijn graf. Daarop nam het volk des lands Joahaz, den zoon van Jozia, zalfde hem en maakte hem koning in zijns vaders plaats. 30 Zijn dienaren vervoerden zijn lijk van Megiddo, op een wagen; zij brachten hem naar Jeruzalem en begroeven hem in zijn graf. Daarop nam het volk des lands Joachaz, de zoon van Josia; zij zalfden hem en maakten hem koning in de plaats van zijn vader. 30 Josia's dienaren brachten zijn lijk van Megiddo op een strijdwagen terug naar Jeruzalem. Daar begroeven ze hem in zijn graf. Toen kroonden de mensen Josia's zoon Joahaz tot koning van Juda.
31 Drie en twintig jaren was Joahaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, van Libna. 31 Drie en twintig jaar was Joahaz oud, toen hij koning werd, en regeerde drie maanden te Jeruzalem; en zijne moeder was Hamutal, de dochter van Jeremía, uit Libna. 31 Joahaz was drie en twintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem; zijn moeder heette Hamital, de dochter van Jeremia, uit Libna. 31 Joachaz was drieentwintig jaar oud, toen hij koning werd; hij regeerde drie maanden te Jeruzalem. Zijn moeder heette Chamutal; zij was een dochter van Jirmeja uit Libna. 31 Joahaz was 23 jaar toen hij koning werd. Hij regeerde drie maanden in Jeruzalem. Zijn moeder heette Hamutal. Ze was een dochter van Jeremia. Ze kwam uit Libna.
32 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vaderen gedaan hadden. 32 En hij deed hetgeen den Heer mishaagde, zoals zijne vaderen gedaan hadden. 32 Hij deed wat kwaad was in het oog des Heeren, geheel zoals zijn vaderen gedaan hadden. 32 Hij deed wat kwaad is in de ogen des Heren, geheel zoals zijn vaderen gedaan hadden. 32 Joahaz leefde niet zoals de Heer het wil, net zoals zijn voorvaders.
33 Doch Farao Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij leide het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds. 33 En Farao Necho hield hem gevangen te Ribla in het land van Hamath, opdat hij niet regeren zou te Jeruzalem, en legde ene schatting op het land, honderd talenten zilver en één talent goud. 33 Maar Farao Necho zette hem te Ribla in het land Hamath, als koning te Jeruzalem af en legde het land een geldboete op van honderd talenten zilver en tien talenten goud. 33 Farao Neko zette hem gevangen te Ribla in het land van Hamat, opdat hij te Jeruzalem niet zou regeren, en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilver en een talent goud. 33 Na drie maanden zette koning Necho van Egypte hem gevangen in de stad Ribla in Hamat, zodat hij niet meer over Juda zou regeren. Hij liet Juda een belasting betalen van 100 talenten (3000 kilo) zilver en 1 talent (30 kilo) goud.
34 Ook maakte Farao Necho Eljakim, den zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mede, en hij kwam in Egypte, en stierf aldaar. 34 En Farao Necho maakte Eljakim, den zoon van Josía, koning in de plaats van zijnen vader Josía, en veranderde zijnen naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mede en bracht hem naar Egypte, waar hij stierf. 34 Daarna maakte Farao Necho Eljakim, den zoon van Jozia, koning in de plaats van zijn vader Jozia en veranderde zijn naam in Jojakim, en Joahaz nam hij mede. Zo kwam deze in Egypte en stierf daar. 34 En Farao Neko maakte Eljakim, de zoon van Josia, koning in de plaats van zijn vader Josia en veranderde zijn naam in Jojakim. Maar hij nam Joachaz mee; en deze kwam in Egypte en stierf aldaar. 34 En hij maakte Eljakim, de broer van Joahaz, koning van Juda. Hij gaf Eljakim een andere naam: Jojakim. Maar Joahaz nam hij mee naar Egypte. Daar stierf hij.
35 En Jojakim gaf dat zilver en dat goud aan Farao; doch hij schatte het land, om dat geld naar het bevel van Farao te geven; een ieder naar zijn schatting eiste hij het zilver en goud af van het volk des lands, om aan Farao Necho te geven. 35 En Jojakim gaf dat zilver en goud aan Farao; doch hij schatte het land om dat zilver te geven naar het bevel van Farao; een ieder schatte hij naar zijn vermogen aan zilver en goud, onder het volk des lands, om het aan Farao Necho te geven. 35 Het zilver en goud nu gaf Jojakim aan Farao; doch hij schatte het land, om het geld volgens den eis van Farao te geven: van het volk des lands, van ieder naardat hij geschat werd, vorderde hij het zilver en goud, om het aan Farao Necho te geven. 35 Jojakim gaf het zilver en het goud aan Farao; doch hij legde het land een heffing op om dat geld te kunnen afdragen naar het bevel van Farao; naar dat ieder aangeslagen was, vorderde hij het zilver en goud van het volk des lands om het aan Farao Neko te geven. 35 Jojakim betaalde de gevraagde belasting aan koning Necho. Maar om dat te kunnen doen, liet hij al het goud en zilver dat daarvoor nodig was, betalen door het volk.
36 Vijf en twintig jaren was Jojakim oud, toen hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zebudda, een dochter van Pedaja, van Ruma. 36 Vijf en twintig jaar was Jojakim oud, toen hij koning werd, en regeerde elf jaar te Jeruzalem; en zijne moeder was Zebudda, de dochter van Pedaja, uit Ruma. 36 Jojakim was vijf en twintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde elf jaar te Jeruzalem; zijn moeder heette Zebida, de dochter van Pedaja, uit Ruma. 36 Jojakim was vijfentwintig jaar oud, toen hij koning werd; hij regeerde elf jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Zebudda; zij was een dochter van Pedaja uit Ruma. 36 Jojakim was 25 jaar toen hij koning van Juda werd. Hij regeerde 11 jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Zebudda. Ze was een dochter van Pedaja. Ze kwam uit Ruma.
37 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vaders gedaan hadden. 37 En hij deed hetgeen den Heer mishaagde, zoals zijne vaderen gedaan hadden. 37 Hij deed wat kwaad was in het oog des Heeren, geheel zoals zijn vaderen gedaan hadden. 37 En hij deed wat kwaad is in de ogen des Heren, geheel zoals zijn vaderen gedaan hadden. 37 Jojakim leefde niet zoals de Heer het wil, net zoals zijn voorvaders. (lees verder)